Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De goede belijdenis. (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De goede belijdenis. (3)

9 minuten leestijd

Als nu Jezus gekomen was in de deelen van Cesaréa Filippi, vraagde Hij Zijnen discipelen, zeggende: Wie zeggen de menschen, dat Ik, de Zoon des menschen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de dooper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia of een van de Profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is. Matth. 16 : 13—17.

Op deze belijdenis zet de Heiland het stempel; Hij teekent haar daarmede als de goede belijdenis. Geheel in overeenstemming schrijft ook Johannes in zijn eersten brief (5:1): Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren, dus een kind van God.
Het belijden moet dus zijn de uitdrukking van het geloof des harten; anders kan de belijdenis op zichzelve wel goed zijn, doch wezenlijke waarde voor den persoon des belijders mist zij.
Hoe is het in dit opzicht met Petrus?
Kunnen wij bij hem denken aan een belijden, dat buiten het hart omgaat? Is zijn belijden alleen vrucht van onderwijs of van de betrekking, waarin hij tot Jezus stond? Was zij uitdrukking van eene verstandelijke redeneering, die hem den Heiland doet stellen boven den mensch; hij had toch zooveel gezien en opgemerkt bij Jezus?
Hij, die niet noodig heeft, dat Hem gezegd wordt, wat in den mensch is, leert het ons anders.
„Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is”, aldus het getuigenis des Heeren.
Daarmede wijst de Heiland op dat bijzondere, hetwelk wij allen tot zaligheid noodig hebben.
Daar moet zijn eene openbaring des Vaders, om Jezus recht te kennen. Zonder die openbaring zijn wij overgeleverd aan hetgeen „vleesch en bloed” ons leert.
„Vleesch en bloed” is de uitdrukking voor hetgeen tot den mensch in zijn gevallen staat behoort. Daaronder valt hooren en zien; daaronder valt ook hetgeen door de ziel ten opzichte van het geziene en gehoorde wordt vastgesteld. Tot „vleesch en bloed” behooren verduisterd verstand, ongeregelde hartstochten, een van God wijkende wil. In die uitdrukking „vleesch en bloed” wordt het geestelijke in den mensch geheel op den achtergrond gelaten, omdat de natuurlijke mensch eigenlijk alleen geestelijk leeft uit hetgeen hij in het stoffelijke waarneemt; hij is geheel gebonden, wordt geheel bepaald door hetgeen tot de sfeer van het aardsche behoort. Gelijk de Apostel zegt, is het: „De natuurlijke mensch (vleesch en bloed) begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn: want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden worden.” Wat tot het terrein des Geestes behoort, ligt buiten den gezichtskring, den gehoorskring en den verstandskring van „vleesch en bloed”.
Daarom kwamen de beoordeelaars van Jezus niet hooger dan den mensch in zijn meest geestelijke en religieuse hoogte. Daarom blijft, ook voor den meest ontwikkelden mensch, met het sterkst ontwikkeld godsdienstig gevoel, de openbaring Gods een boek voor het verstand, met schoone zedelijke lessen, waard te worden opgevolgd, want, en hieruit spreekt „vleesch en bloed”, want het volgen van die lessen zal den mensch zoo nuttig zijn. De aanvaarding van een God, van een Jezus, van een rechtvaardig oordeel, brengt deze zaken alleen in verband met het eigen dierbaar bestaan, niet in verband met God-zelf.
„Vleesch en bloed” kan vroom zijn, historisch gelooven, zich hullen in een mantel van godzaligheid, doch zoekt tenslotte in dit alles alleen zichzelf. Het kent wel de zoo ontzaglijk gevaarlijke eigenliefde, doch de liefde kent het niet. De deugden van „vleesch en bloed”, ik mag ze toch zoo wel noemen? verheffen zich niet boven „vleesch en bloed”, zijn uitvloeiselen van aard, opvoeding, karakter. inzicht.
Door den val zijn wij, die „geest” waren, „vleesch en bloed” geworden. Wij kennen God niet, gelijk wij van nature zijn. Hij is voor ons verborgen. En wanneer „vleesch en bloed” zich, naar aanleiding van hetgeen van God kennelijk is in natuur en schriftuur, een voorstelling van God maakt, dan is dat eene voorstelling naar „vleesch en bloed.” God is eigenlijk voor den natuurlijken mensch niet meer dan mensch. Zoo kan Jezus ook niet meer zijn.
God moet God voor ons worden. Eerst dan kan Jezus Jezus worden.
Nu spreekt de Heiland Simon zalig!
Omdat Simon gezien heeft, dat Jezus is de Christus?
Neen, omdat God, de Vader, aan Simon heeft geopenbaard, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods.
Zoo staat Petrus voor ons, als een begenadigde!
De Heere heeft Zich over hem ontfermd, is tot hem gekomen, om Zich aan hem bekend te maken. Om Petrus te doen zien, wie Hij is, opdat Petrus ook zichzelven kennen zou en in hem de behoefte zou leven, die „vleesch en bloed” niet kent, om met God in een verzoende betrekking te zijn. Met opzet schrijven wij: te zijn, niet: te komen. Er zijn veel menschen, die wel zalig willen worden, doch die, als zij van dat worden maar zeker waren, zich verder niet zouden verontrusten. Zij hebben de zaligheid nu niet noodig. Daarom ook geen behoefte aan een Christus! Hebben zij wel eene openbaring Gods ontvangen? Kan de vreeze voor straf wel zoo genoemd worden, als zij hare verdieping niet vindt in de kinderlijke vreeze?
God de Heere is voor Simon de God van Abram, Izak en Jacob, de God der vaderen, zeker; maar bovenal: Hij is zijn God, met wien Petrus te doen heeft!
Het volk moet gered worden, gewis; maar vooral: Petrus moet gezaligd worden!
Dat heeft hij geleerd. Hij kent zijne verlorenheid van nature. Wie zal hem verlossen? 't Moge zijn, gelijk het is, dat zijne voorstelling van den verlossingsweg heel wat gebreken heeft, maar op de vraag, wie hem verlossen kan en zal, heeft Petrus maar één antwoord en dat antwoord ligt niet in een deugdzaam, godsdienstig leven, in een weg van raak niet en smaak niet en roer niet aan, maar in één Persoon, in één Naam, Jezus!
Door de openbaring des Vaders is het, dat Petrus recht beseft, dat „vleesch en bloed” hem niet zal kunnen redden en waar Jezus zijn Redder is, daar ziet hij door diezelfde openbaring in den Heiland meer dan „vleesch en bloed”. Gewis, de Heiland is de Zoon des menschen! Maar daarom nog niet „vleesch en bloed”, zonder meer! En is het, dat Jezus Zich met dien naam noemt, Petrus noemt Hem, gelijk hij Hem ziet en kent, den Zoon des levenden Gods.
En nu prijst de Heiland Petrus zalig, niet om de belijdenis, maar om het werk Gods in zijne ziel.
Dat werk van God doet Petrus leven in de liefde, in de hope, in het geloof; rusten in den Heere.
Niet onbestreden in dit leven.
Niet zonder struikelen en vallen.
En daarom is het zalig zijn hier, niet onvermengd.
Maar toch ook, omdat het Gods werk geldt, weer, telkens, opgericht en behouden tot de eeuwigheid, waarin het zalig ten volle zal zijn.

Mijn lezer, ik vertrouw, dat uwe belijdenis goed is. Wie onder ons zou niet belijden, dat Jezus is de Christus, de Zoon des levenden Gods?
De vraag moet evenwel gedaan worden, en laat ons die vraag onszelven stellen, of die belijdenis vrucht is van „vleesch en bloed”, dan wel, of zij vrucht is van de openbaring Gods.
Als wij niet hebben dan een geleerde, een overgenomen belijdenis, die wij met Gods Woord weten te rechtvaardigen voor ons verstand, gelooven wij dan wel met het hart?
Is God wel God, Jezus wel Jezus voor ons?
Zoo niet, hoeveel schoons ons dan voor anderen aantrekkelijk make en welke verbeelding ons voor onszelf ook verheffe, maar wij zijn dan nog in den dood, zijn niet anders dan „vleesch en bloed”.
Maar zalig, zoo de Heere ons Zijne openbaring schenkt; als wij door Hem geleerd worden. Laat het dan zijn, dat er nog veel aan onze geloofskennis ontbreekt! Laat het wezen, dat wij de verzekerheid missen! Laat het zijn, dat wij van onszelf niet anders kunnen denken, dan dat wij verloren zijn (niet: gaan!)! Waar de openbaring Gods aan de ziel is, daar is leven: En dat leven moet zich openbaren, want het ligt midden in den dood. Het kan het daar niet uithouden. Het moet God hebben! Straks moet het Jezus hebben! Daar zijn werkzaamheden in belijden; in bidden en smeeken; in toevlucht nemen; in smart over de scheiding van God; in rouw over de zonde! Daar is een roepen om genade! Daar zal zijn een zien en kennen van God als zoo beminnenswaardig! Daar zal komen eene behoefte om het „mijn” God te kunnen uitspreken! Daar zal de kennis van den Heere uitdrijven tot den Middelaar. Zijne noodzakelijkheid, gepastheid en dierbaarheid zal op het hart gebonden worden, en het zal een schreien baren tot Hem, om in Hem gevonden te worden.
En gelijk God in Christus, den Zone Gods, de wereld met Zichzelven verzoenende was, zoo zullen ook wij het leeren verstaan, dat niet in een mensch, doch in den Zoon des menschen, den Zoon des levenden Gods, alleen ons heil ligt.
God, door God verzoend; de mensch, alleen door God met God verzoend.
Zalig, wien het om God te doen is!
Zalig, die Jezus niet missen kan!
Hij gevoele zich mogelijk rampzalig, doch de openbaring Gods is het leven, en dat leven gaat niet verloren, kan niet verloren gaan. Het blijft; want het is eeuwig. En worstelt het hier met den dood, in Hem, die dood en graf overwon, ligt het behoud. Eens zal het zich ongehinderd ontplooien in de heerlijkheid Gods.
En tot in alle eeuwigheid zal het zich verlustigen, roemende het Lam, Christus, den Zoon des levenden Gods.

L.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926

De Wekker | 4 Pagina's

De goede belijdenis. (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1926

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken