Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (6)

1:21-22. Christus’ leeren.

10 minuten leestijd

Met het viertal geroepenen is de Heiland van de zee naar Kapernaüm, waar zij hunne woonplaats hadden, gegaan, zeker weer gevolgd door de schare. Ook van den Heere lezen wij (Matth. 4:13), dat Hij Zijne woning te Kapernaüm had. Daar had Hij dus, wat wij noemen, Zijn domicilie: van-daar, dat de Heiland ook daar de belasting, tempelschatting, moest betalen (Matth. 17:24—27).
Terstond op den sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde Hij. Elke plaats was den Heiland goed, om het volk te onderwijzen in de dingen des Koninkrijks. Zoo heeft Hij geleerd aan den oever der zee, op de wegen, de straten der stad, op heuvels (bergen), in de huizen, overal waar Hij den mensch, dien Hij te behouden zocht, maar kon bereiken. Was Hij evenwel op eene plaats, waar eene synagoge was, dan predikte Hij niet ergens anders op den Sabbat, doch daar, als 't volk samenkwam, om de wet te hooren.
Zoo te Nazareth, zoo te Kapernaum. Te Jeruzalem in den tempel.
De prediking van den Heere Jezus baarde opzien. Om den inhoud; ook om den vorm, waarin die prediking gebracht werd.
In de synagoge van Kapernaüm versloegen zij zich over Zijne leer, d.i. zij riepen er over, zij waren buiten zichzelve, geheel onder den indruk. Dat zij zich versloegen, wil nog niet zeggen, dat zij waren, wat wij lezen van hen, die aan Petrus op den Pinksterdag vraagden: Wat zullen wij doen, mannen broeders? Zij waren nog geen verslagenen van hart. Dit „zij versloegen zich” teekent de verwondering, die hen bezielde, over hetgeen zij hoorden. Voorzeker kan dit een der teekenen van genade zijn, maar daarom is het dit niet altijd. Ook de dienaars van overpriesters en farizeën (Joh. 7:46), die uitgezonden waren om Jezus te grijpen, legden getuigenis af van Jezus' prediking. „Nooit heeft iemand gesproken als deze mensch”, zeiden zij. Mogelijk zijn onder de bende, die naar Gethsemané kwam, om den Heiland te vangen, dezelfde personen geweest. Er is meer noodig dan zich verslaan over Zijne leer. Verslaan worden door Zijne leer is nog wat anders en vooral verslagen worden van hart. Hoe veel be- en verwondering kan eene prediking wekken, zonder wezenlijke vrucht.
En om de vrucht gaat het. Wanneer de Heiland predikt, is het niet om den oogenblikkelijken indruk te doen, doch om de bekeering des harten tot God.
En nu zijn zij in Kapernaüm niet verslagen over hunne zonden, maar over Zijne leer. Waarom? Hij leerde hen als machthebbende en niet als de Schriftgeleerden.
Het gaat hier niet over de macht des Heilands, maar over Zijn leeren als machthebbende, d.i. Hij leerde als een, van wien de waarheid uitging, die zelf de waarheid was, Daar is in de prediking des Heeren geen eindeloos beroep op autoriteiten; evenmin eenig geschipper, zooals bij de Schriftgeleerden gevonden werd met de waarheid. Wat de Apostel Johannes zegt (I 1:1) „Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u,” kan in nog sterker mate van den Heere Jezus worden gezegd. Een oor- en ooggetuige dwingt gehoor af. En Jezus sprak als zoodanig. Hij wist, wat in den mensch was; Hij kende God met eene volmaakte kennis. Zijne getuigenis is niet, in het afgetrokkene, eene tevoorschijnbrenging van wat of veel opgedane verstandskennis ; Hij spreekt uit het leven met God en uit het leven met den mensch. Wie Hem hoorde, moest, zij het ook, dat de haat hem verhinderde er voor uit te komen, getuigen, dat Zijn woord de waarheid en niet anders dan de waarheid was. Zalig de dienaar, die, zij het in dienaarsmate, daar iets van heeft en alzoo gelijk is aan zijn Meester. Zijne prediking zal meer zijn dan verstandelijk-logische schrift-verklaring; zij zal een levend getuigenis zijn; uit den schat zijns harten zal hij oude en nieuwe dingen voortbrengen. De verborgen omgang met God zij des dienaars leven! Toch, hoe dat onderwerpelijke des dienaars zijne prediking, niet vormt (het mag de inhoud niet zijn!) maar ten goede komt, het blijft, gelijk ook de Heiland Zelf getuigde: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke,” en „al wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.”
Als machthebbende! Geen Schriftgeleerde kon zeggen : Ik ben de waarheid!

1:23—28 Christus, machtig in werken. Vol verwondering hoort de schare naar den Rabbi van Nazareth; verstandelijk, misschien gevoelig, mogelijk meer, is zij gewonnen voor Hem. Grooter wordt hare verwondering, want bij het woord van den door haar erkenden Machthebbende, voegt zich de daad.
Wij vinden in het evangelie van Marcus weinig redevoeringen en gesprekken; veel daden zijn er in opgeteekend, feiten van Jezus uitgaande. dus door Hem verricht, of door Hem ondergaan. Zoo teekent ons Marcus vele van Zijne wonderen.
Het wonder is als zoodanig niet te verklaren; wonderen zijn het resultaat van goddelijk ingrijpen in den gang der zaken.
Wij merken nog op, dat Petrus, sprekende over het wonder der genezing van den geraakte aan de schoone poort der tempels, dat wonder eene weldaad noemt. Hand. 4:9 „Alzoo wij heden gerechtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch geschied.”
Al de wonderen des Heilands waren weldaden !
Voorts worden de wonderen des Heilands teekenen genoemd. Omdat zij teekenen zijn, strekt de beteekenis der wonderen verder dan tot hem of haar, aan wien het wonder geschiedde. De wonderen zijn teekenen van het Messiasschap des Heilands, teekenen van zijn Zoonschap. Johannes zegt in zijn Evangelie (20:30,31). Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek; maar deze (dat zijn al de teekenen in het geheele evangelie vermeld) zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij, geloovende, het leven hebt in Zijnen Naam”.
Eindelijk merken wij nog op, dat er niets toevalligs is in ons leven en evenmin in het leven des Heilands. Al de ellendigen, die Jezus door Zijne „weldaden” hielp, zijn tot Hem gezonden door den Vader, opdat er geloof in den Christus zoude zijn. De wonderen zijn niet opzettelijk gezocht door den Christus, doch door het opzet des Vaders is het, dat bij het woord de daad, als uitbeelding der heilsverwerving en bevestiging van den Gezondene, gevoegd wordt.
Daar was, verhaalt ons de evangelist, in hunne synagoge, te Kapernaüm dus een mensch met een onreinen geest, een ongelukkige, die boven het onreine van geest, dat ons allen van nature aankleeft, een woonstede des satans kon genoemd worden. 't Is opmerkelijk, hoeveel malen wij in de evangeliën van dusdanige menschen lezen. Het is, of de satan zijn volle macht ontplooit in den tijd, dat God en de volheid van Zijne genade Zich openbaart, als de Immanuël, de God in en met ons, in het vleesch verschenen is. Zeker kunnen wij dit zeggen, dat, als de liefde Gods zich openbaart, de vijandschap des satans toeneemt, zijne actie zich verdubbelt. God laat dit toe, doch zet juist Zijne genade daar weer tegenover, opdat Zijn werk zich op 't hoogst verheerlijke. Men heeft bij het lezen over zulke ongelukkigen gedacht aan krankzinnigen. Dat kan wel, indien men maar niet alle krankzinnigheid houdt voor een bezeten zijn van den satan, het hebben van een onreinen geest. Er is krankzinnigheid, die voortkomt uit lichamelijk letsel; de hersenen zijn gestoord, aangestoken of iets dergelijks en nu is het denkvermogen gekrenkt. In onze, in onzen tijd vele en in den regel geheel bezette krankzinnigen-gestichten worden er evenwel ook aange-troffen, bij wie geen lichamelijke storing kan worden aangewezen en onder hen, die duidelijk de teekenen vertoonen van geheel te staan onder de macht van den geest uit den afgrond.
Aan een gewone krankzinnige hebben we hier niet te denken; eer aan een der laatsten. Wij zouden hier haast kunnen spreken van den val in zijn aardsche voleinding; de mensch, geheel prooi van den vorst der duisternis; in denken, gevoelen en willen een willooze slaaf van satan.
En deze in de Synagoge ? Kunnen wij hem niet denken als een rustige, schijnbaar onnoozele ?
Maar als deze komt, waar Jezus is, dan kan bij niet rustig blijven! De onreine geest die heel zijn geest beheerscht, kent Jezus. De satan heeft de proef genomen in de verzoeking in de woestijn; er is bij den duivel geen twijfel, of Hij is de Zoon van God. Hij weet het, hij gevoelt het, hij gelooft het. Het duivelgeloof is evenwel geen geloof, dat op de knieën brengt. Jacobus zegt (2:19): Gij gelooft, dat God een éénig God is; gij doet wèl: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen.
Van dat sidderen wordt hier iets gezien. De mensch roept uit. zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.
Wat een geloofsbelijdenis! Wat een ontzettende geloofsbelijdenis! De geloofsbelijdenis van den duivel ! Ook de geloofsbelijdenis eenmaal van hen, die met hem zullen geoordeeld worden, en eeuwig in die belijdenis zullen omkomen. O, de ellende des Satans! Wij menschen kunnen, zoo 't God behaagt, in den tijd der genade nog gered worden. Voor den satan geen redding mogelijk.
Merk op, er is onderscheid in getal. Eerst: wat hebben wij; dan: om ons te verderven; eindelijk : Ik weet. Er zijn vele duivelen; in den éénen vinden zij hun hoofd; in de velen wordt het hoofd, in het hoofd de velen getroffen.
Wat vrees moet dien onreinen geest gekweld hebben en hoe moet de ongelukkige onder die vrees geschokt zijn; stuiptrekkende zien wij hem staan voor den Heiland. Het woord van den Machthebbende is den satan te machtig, maar: hij kent niets dan slaafsche vreeze voor den Machthebbende.
En Jezus bestrafte hem. Wien, den mensch ? Neen, den onreinen geest, die den mansch regeerde. „Zwijg stil en ga uit van hem”.
Dat is het woord van den Zone Gods, van Hem, die gekomen is, om de werken des duivels te verbreken, om te verlossen van zijn macht. Een machtig woord, een verpletterend, beslissend woord, een verlossend woord, De satan moet zijn prooi loslaten. Maar gelijk een onrechtmatig bezitter, gedwongen zijn onrechtmatig bezit over te geven, uit nijd eerst nog tracht dat bezit te verwoesten, zoo ook de duivel. Het is bij hem : Ik niets, Gij niets ! Maar, wie zal keeren als God werkt, en wie zal verderven, als Jezus behoudt?
Het moge zijn, dat de onreine geest den mensch scheurt, zoodat hij als aan den oever des doods komt in zijne benauwdheid, maar over het leven van den ongelukkige waakt het Leven. Roepende met eene groote stem, die tot in alle hoeken van de synagoge weerklonk, ging hij van hem uit.
Wat weldaad, aan een diep ongelukkige geschied.
Wij willen weten, of de man, dus verlost, een van Jezus' discipelen geworden is? De Schrift zwijgt er van, hetgeen niet zeggen wil, dat het niet zoo is.
Verlost worden van de bijzondere werking des satans, van een onreinen geest, houdt nog niet in het vervuld worden met den Heiligen Geest.
Zie hierover het aangrijpende woord des Heilands, Matth. 12:43—45; Lukas 11:24—26.

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Wekker | 6 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (6)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 april 1926

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken