Bekijk het origineel

Art. 41 D.K.O. (3) Classis (3)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Art. 41 D.K.O. (3) Classis (3)

4 minuten leestijd

Elke gemeente zendt dus 2 afgevaardigden ter classicale vergadering. Deze moeten in eene wettige kerke raadsvergadering worden gekozen en volgens Art. 41 D.K.O. „met behoorlijke credentie” worden afgevaardigd. Deze credentie bestaat in een credentiebrief, welke volgens Art. 33 der K.O. moet onderteekend zijn door diegenen, die ze zenden, die is, door den kerkeraad, vertegenwoordigd door praeses en scriba. De lastbrief draagt dus de onderteekening van praeses en scriba van den kerkeraad. Zonder zulk een lastbrief kan aan de afgevaardigden geen keurstem op de classicale vergadering verleend worden, daar alsdan het wettig bewijs ontbreekt, dat de ter vergadering aanwezige broeders door den kerkeraad gezonden zijn. Zij zouden dan eene raadgevende stem mogen uitbrengen, maar geen keurstem.
De vraag is wel eens gedaan, of een credentiebrief wettig is, Wanneer de personen ter classis afgevaardigd, dezelfden zijn als de onderteekenaars van den credentiebrief. Dit kan alleen het geval zijn als praeses en scriba van den kerkeraad beiden afgevaardigden zijn. Geven dan de onderteekenaars geen getuigenis omtrent zichzelven? Vaardigen zij dan niet zichzelf of ter vergadering? Wij zeggen hierop: Neen, want „formeel” zijn het niet dezelfde personen, die onderteekenden en afgevaardigd werden, al zijn ze feitelijk dezelfde personen, die onderteekend en afgevaardigd werden, al zijn ze feitelijk dezelfde broeders. Want de onderteekenaren zijn de praeses en scriba, die namens den kerkeraad teekenen en de gezondenen zijn ter classis niet in de qualiteit van praeses en scriba, maar in die van Leeraar en ouderling.
In gemeenten met één Leeraar is deze altijd in de qualiteit van Dienaar des Woords afgevaardigde, maar omtrent de ouderlingen moet afwisseling betracht. Het beste is, dat de ouderlingen bij toerbeurt ter classis komen om te voorkomen, dat bij vrije stemming altijd dezelfde ouderling wordt gekozen. Alleen in eene gewichtige zaak of moeielijke quaestie zou men van den regel kunnen afwijken en de beste kracht onder de ouderlingen kunnen kiezen. Van iedere gemeente worden dus twee afgevaardigden gezonden; ontbreekt de Dienaar, dan gaan twee ouderlingen ter classis en mocht in een kleine gemeente slechts één ouderling kunnen gaan, dan mag desnoods een diaken als hulpouderling gezonden worden, doch dit mag geen regel worden en moet uitzondering blijven.
Men heeft wel eens gevraagd, of het niet beter zou zijn, dat uit groote gemeenten drie of vier en uit kleine gemeenten, maar één afgevaardigde gezonden werd. Men zag er dan een ongelijkheid in, dat eene groote gemeente door evenveel ambtsdragers vertegenwoordigd werd als eene kleine. Maar de gemeenten zijn geen bestuursafdeelingen van eene vereeniging of van een genootschap, waarvan de groote afdeelingen om hun groot ledental ook meerdere afvaardiging moeten hebben, maar plaatselijke gemeenten, die elk, 't zij groot of klein, eene volledige gemeente des Heeren zijn, en dus dezelfde rechten hebben. Deze classicale vergaderingen, zullen volgens Art. 41 saamkomen ter plaats en tijd bij hen in 't scheiden van elke vergadering goedgevonden. Aan 't einde van iedere classicale vergadering wordt dus tijd en plaats voor de volgende vergadering bepaald. Wat de plaats betreft, wilde het convent van Wesel 1568, dat de vergaderingen bij toerbeurt in de verschillende gemeenten zouden plaats hebben, evenals ook onze Synoden telkens in eene andere plaats gehouden worden. Sedert de Synode van 1586 werd dit losgelaten en bepaalt iedere vergadering, waar de volgende classis wordt gehouden en dit is meestal dezelfde plaats, omdat hier rekening moet gehouden worden met de reisgelegenheden, localiteiten enz. 't Is dan ook gewoonte geworden, dat altijd in dezelfde plaats vergaderd wordt, al is het ook telkens eene andere gemeente, die de classis saamroept. Ook de tijd, wanneer de gemeenten in classis saamkomen, wordt op de voorgaande classis bepaald. Dit ziet zoowel op den dag van saamkomst als op het uur van aanvang. Meestal is dit te 9 of 10 ure. Vroeger vergaderde men reeds in den vroegen morgenstond, daar bij onze voorvaderen meer gerekend werd met den stand der zon. Zoo bepaalde b.v. de particuliere Synode van Holland te Haarlem op 13 Maart 1582: „Is besloten, dat men te samen komen zal 's morgens te zeven uren en namiddag te twee uren tot zes uren op boete van drie stuivers voor de armen.” Onze vaderen hielden van vroeg dag en tevens van stipt op tijd komen.

d. B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Wekker | 4 Pagina's

Art. 41 D.K.O. (3) Classis (3)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1926

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken