Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (9)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (9)

8 minuten leestijd

1:36—39.

Dat de Heiland des nachts is heengegaan, wordt 's morgens vroeg opgemerkt door Simon en die met hem waren, en dat te meer, omdat er in het vroege morgenuur reeds weer velen vergaderd zijn voor het huis, die allen op Jezus wachten. De vraag, waar Hij is, wordt zeker uit verschillend oogpunt gedaan. Ook nu is dat nog zoo. Wat is er een zoeken van Jezus, niet om Hem of om het Koninkrijk Gods, doch louter uit berekening, waarbij het voor- of nadeel van den zoeker alleen den doorslag geeft. Bij de discipelen mogen wij wel aan een andere reden, de reden der ware liefde, denken, waarbij het maar niet te doen is, om iets van Hem te ontvangen, doch Hemzelf te bezitten. Meer dan eene zekere noodzakelijkheid en eene zekere gepastheid ligt voor hen in den Zoon des menschen; zij zien dierbaarheid in Hem.
Simon en die met hem waren zijn Hem nagevolgd. Zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: „Zij zoeken U allen.”
Er schuilt in die mededeeling medeleven en medelijden met de wachtenden op en zoekenden naar Jezus, onder wie mogelijk vele ellendigen naar het lichaam en den geest waren; maar ook eene vergissing omtrent den aard der werkzaamheid van Christus. Het doel van Jezus' optreden is niet, om als geneesmeester den mensch verlossing te schenken van kwalen en nooden. Niet de daad is het, waarom het gaat, de daad, die niet verder reikt dan tot herstel van tijdelijk welzijn; het woord is het, dat Hij te brengen heeft. Dat woord reikt verder en dieper. Het gaat in het woord om eeuwig welzijn, om behoud en heil der onsterfelijke ziel. En nu moge de daad van groot belang zijn voor hen, die er door geholpen worden, van grooter belang wordt zij als legimitatiebewijs voor Hem, die het woord brengt.
De daad, wilt ge, het wonder zegt: „Hij is de gezondene des Vaders, Hij is de Beloofde, de Messias! Luistert dan, naar hetgeen Hij zegt, en gelooft het Evangelie, de prediking van het Koninkrijk Gods.” Het is zeker smartelijk, ziek, kreupel, blind, doof of lam te zijn; is de redding daarvan het hoogste. De ellende des menschen is de gescheidenheid van God! En die wordt niet weggenomen door genezing van lichaamskwalen, zelfs niet door het uitwerpen van duivelen.
In Kapernaüm is het Evangelie gepredikt, de Prediker gelegitimeerd, d.i. als werkelijk van God gezonden gewaarmerkt door de wonderen, daar geschied. De vraag ligt nu voor de inwoners van Kapernaüm, wat zij met de getuigenis van Christus zullen doen. Zullen zij in Hem gelooven als den Gezondene des Vaders of niet. Zullen zij de wonderen zien in het rechte licht?
De Heiland wijst de noodiging, die er in het woord der discipelen ligt af. Hij zeide tot hen: „Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; want (men lette er op) daartoe ben ik uitgegaan”. Volgens de belofte in Jes. 61:1 vv.
Mogen wij het recht verstaan, opdat wij den Heiland maar niet noodig hebben, om eens uit moeilijke omstandigheden gered te worden, doch opdat onze ziel leve!
En Hij predikte in hunne synagogen door geheel Galilea. Zoo werd de belofte vervuld (Jes. 9:1): Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien, degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelven zal een licht schijnen. Zie ook Matth. 4:14—16. Het geminachte Galilea mag deelen in de verkondiging van den raad Gods tot zaligheid.
Ook daar wonderen, Duivelen worden uitgeworpen en in
1:40—45 wordt ons verhaald, hoe Christus een melaatsche genas.
Wij hebben allen wel gehoord van de melaatschheid, eene ziekte, vooral in het Oosten bekend en vandaar ook overgebracht naar het Westen. Het is een ziekte die huid en vleesch weg vreet, ook besmettelijk, waarom ook de Heere onder den ouden dag in de wetgeving een reeks van bijzondere bepalingen heeft gegeven voor de melaatschen. Zij waren onrein. In den regel werden de lijders uit de samenleving gebannen. Behalve de smarten der ziekte, hadden de lijders ook de verachting des menschen te verdragen en de toegang tot den openbaren eeredienst in tempel of synagoge was hun ontzegd.
Zulk een melaatsche kwam tot Hem. Zeker was het gerucht van Jezus ook tot hem doorgedrongen. Zou Hij, die de duivelen uitwierp en reeds zoovele krankheden had doen wijken, ook hem niet kunnen redden? De melaatsche gelooft het zeker; voor hem staat boven het in den regel ongeneselijke van zijn kwaal de macht des Heilands. Diep gevoelt hij zijne ellende, dat blijkt wel hieruit, dat hij tot Jezus komt, Hem en Zijne discipelen dus opzoekt, nadert, in plaats, dat hij zich verre houdt en ook hen verre houdt met het roepen „onrein, onrein!” Biddend nadert hij; hij valt voor Jezus op de knieën, ten teeken van de hoogachting, waarmede hij vervuld is voor Jezus. In geheel zijn houding spreekt zijne behoefte, ook zijn geloof en zijne hoop.
Er is bij den melaatsche geloof aan Jezus' macht. De vraag is echter voor hem, of Hij, die machtig is, ook zal willen. Zoo komt hij met de bede, die eigenlijk naar den vorm geen bede doch eene belijdenis is. „Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen”. Wij kunnen ons voorstellen, wat in het hart van dien man is omgegaan. Nu of nooit is het bij hem geweest.
Wat zal de Heiland doen? Den melaatsche ontwijken? Hem weg zenden? Maar neen, dat kan niet! Die melaatsche komt niet bij toeval tot Hem, ook niet alleen door eigen aandrift, hij komt als gezonden van den Vader, opdat ook in hem Christus Zijne heerlijkheid zal openbaren.
Wat ontmoeten wij dikwijls ellendige menschen en wat komen dikwijls ellendige menschen tot ons, zonder dat wij verstaan de leiding des Heeren en zonder dat er een behoorlijk medelijden is met hunne nooden.
Hij, die al onze krankheden op Zich genomen heeft, kan geen ellendige ongetroost henenzenden, al zou het zijn, dat die ellendige zichzelf te wijten heeft het leed, dat hij lijdt.
Met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde strekte de Heere de hand uit en raakte hem aan. Daartoe zou geen enkel Israëliet gekomen zijn. Een melaatsche aanraken maakte den aanraker levitisch onrein. Maar Jezus doet het. Omdat het Hem toch niet schaden kan? Neen, om daarmede aan te geven, hoe niets Hem te groot of te gering is, niets te onrein, dat Hij in heel onze ellende neerdaalt, om die te dragen. Door alle menschen verstooten, wordt de melaatsche door de aanraking van Jezus' hand als hersteld in de gemeenschap des menschen. Maar meer nog! Deze symbolische handeling blijft niet op zichzelf. De Heiland antwoordt hem naar zijne vraag: Ik wil, word gereinigd. En als hij dit gelegd had, ging de melaatschheid terstond van hem en hij werd gereinigd. Het verderf, de dood, week; het leven kon ongestoord zijne rechten weer doen gelden. Gelijk bij Naäman, den Syriër, kwam het vleesch terug. De genezing was volkomen.
Eenigszins vreemd doet het volgende aan, waar gezegd wordt: En als Hij hem strengelijk verboden had. Wat verboden? Het antwoord vinden wij in het volgende vers, n.l. het spreken over de genezing, het ruchtbaar maken van Jezus. Ook hier weer de bedoeling, dat geen reclame zou gemaakt worden voor den Heiland.
„Zie”, zegt de Heiland tot den genezene, „dat gij niemand iets zegt, maar ga heen en vertoon uzelven den priester (de priesters hadden hunne bepaalde steden, ook in Galilea) en offer voor uwe reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis.” Niet tot verbreking der wet is Christus gekomen maar tot vervulling. De aanraking van den melaatsche verontreinigde den Christus niet, zooals ook zijn indalen in onze zonde Hem niet verontreinigd heeft. De melaatsche moet echter ook het wettelijk getuigenis hebben zijner reiniging. Dat moest de priester hem geven. Alzoo zou voor Hem de gemeenschap der menschen geopend worden. Zie over het te brengen offer Lev. 14: 10 v.v.
De melaatsche is evenwel zoo vervuld van de weldaad, hem te beurt gevallen, dat hij wel heengaat, doch vele dingen begint te verkondigen en dat woord te verbreiden. De gereinigde schijnt een man geweest te zijn met een levendig karakter. Het blijkt uit zijn spontane komen en bidden en ook hier, Hij verkondigt vele dingen, alles, wat er geschied is en alles, wat Jezus gezegd heeft, aan allen, die maar hooren willen. Dat schaadde. Het maakte het den Heiland onmogelijk om als een, die zich verontreinigd, had openbaar in de stad te komen. Alzoo was de Heere buiten in de woeste plaatsen. Daar evenwel kwamen zij toch tot Hem van alle kanten.
Melaatsch zijn wij allen van nature.
Gevoelen wij het wel?
Zoo ja, waarom dan niet als deze melaatsche de toevlucht genomen tot Jezus?
Hij kan reinigen!
Hij wil het!
Hij zal het op het gebed.

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926

De Wekker | 6 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (9)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 juni 1926

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken