Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Slang in het Paradijs. (19)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Slang in het Paradijs. (19)

5 minuten leestijd

Tegenover dit streven eener neo-religie, met haar ondergrondsche zucht om religie en christelijk geloof te verphilosopheeren, — kan niet streng genoeg vastgehouden worden aan de oude, ouderwetsche, antieke opvattingen. God blijft onveranderd, zijn openbaring is compleet en eveneens onveranderlijk; zijn dienst desgelijks. De manier, waarop God een zondaar zaligt wordt niet anders. O, dat ons geslacht toch wake tegen dien gevloekten, valsch — vooruitstrevenden geest; men bedenke er is ook een heilig conservatisme: houdt wat ge hebt, opdat niemand uwe kroon neme. Daarvoor moet alle man en macht in onze dagen in 't geweer. Daartoe is vasthouden aan Gods Woord in den meest „ouderwetschen” zin een eerste vereischte. Wie aan datgene, wat als letterlijk-geschiedkundig ons is medegedeeld, gaat tornen, of althans daarbij opening laat voor allegorische, symbolische opvattingen, zet een eersten stap op een gevaarlijk vlak. Hij moge zelf het zoo goed bedoelen, als hij wil, zelfs een kind van God zijn, het is best mogelijk, maar hij werkt onbedoeld mede aan de effening van het pad naar een pantheïstische religie. — De feiten worden ideeën, de ideeën stel ik dan in laatste instantie zelf; het wordt alles, heel de religie, God zelf er bij inbegrepen, in 't laatst een denkproces, een begripsformuleering; de gesmade Belijdenisband wordt vervangen door een knielen, geknecht en geboeid, voor den afgod, den moloch onzer dagen, van het pantheïsme, hetwelk in zijn diepste wortels opkomt uit de vergoding van het eigen-ik; het is de voleinde vijandschap tegen geopenbaarde religie in nagebootste religie; maar waarbij we niet behoeven te worden een verloren, arm zondaar voor God, die genade door genade moet leeren ontvangen.
Ik zie in al die nieuwe bewegingen, ook op onzen vaderlandschen bodem, zelfs binnen den kring van het rechtzinnig en gereformeerd protestantisme, niet veel anders, dan de „voorname” manier om met wat humbug van z.g.n. wijsgeerigheid, te pogen te ontgaan aan den alouden weg der zaligheid; een verloochening van (naar zijn diepsten zin verstaan) het verbond der genade; van den weg, langs welken God en een zondaar tot een herstelde eeuwige gemeenschap geraken.
Ik heb wel eens beluisterd ontboezemingen als de volgende: ja hoor eens, als men dat allemaal zoo letterlijk moet blijven opvatten; als men niet een beetje weet aan te passen; en als dit allemaal zoo moet, zooals vroeger de menschen geloofden, en bekeerd werden enz. enz., ja, dan kan ik er niet met mee. Ei zoo; nu dan is 't beter, dat gij niet mee kunt, dan dat we Gods Woord naar uw bedorven smaak omzetten. Als er alleen dan geloof is, als Gods Woord is aangepast, en aannemelijk gemaakt voor een zondig schepsel, werp dat Woord dan even goed in den vuurhaard. Een religie, die redelijk gemaakt wordt voor een „onredelijk” (want dat is een onbekeerde) mensch, is geen religie meer.
Nu weet ik wel, dat we hier waarlijk niet alle schapen over één kam moeten scheren. Ik ken ze bij name onder die „jongeren” (en er zijn ook jongeren van 70 jaar) die voor zichzelf dit alles niet zoo kwaad bedoelen. De mensch is daar dan beter dan zijn stelsel. Ik ken ze, die tegenover mijn bezwaren en beschuldigingen juist zullen opmerken: maar hoe heb ik het nu? Wij willen juist geen philosophie, de „neo's” bedoelen integendeel warmte, leven, mystiek. Wij nieuweren en jongeren hebben zooveel kennis gemaakt met vooral natuurphilosophie, dat we walgen van al dien zieldoodenden kost, en juist uit tegenzin tegen dat doode formalistische intellectualisme hijgen we naar mystiek. Hoe kunt ge ons nu beschuldigen van verphilosopheeren van de religie?
Ik antwoord, vooreerst nogmaals het gaat hier om den in den wortel te vinden grondidee, niet over persoonlijke bedoelingen en behoeften. Maar dit nu daargelaten; dan merken we toch op, dat er wel veel doodend formalisme en doctrinairisme is; maar daarom is vasthouden aan de oude religie en haar leer nog geen intellectualisme te noemen. Dan daarbij, wanneer wij hier spraken van philosophie, begrijpe een ieder dan toch goed, dat in den nieuweren tijd de philosophie, althans een breede tak van haar, juist bedoelt warmtemystiek te geven, en een surrogaat voor religie te zijn. Ik herinner hier slechts van wat ten deze reeds door Hegel is geschreven in zijn voorlezingen over de Philosophie der Religion. Men zie daar het eerste hoofdstuk. Daar zet Hegel uiteen, dat waar intellectualistisch modernisme ons het „oude geloof” heeft ontnomen, men nu de theologie juist zou kunnen redden door de wijsbegeerte van het Begrip van de Idee. Welnu op die lijn beweegt zich de hier voorgestelde gang van zaken nu ook. Een philosophie, die religie is tevens, zoekt men, niet een religie zooals God ons die openbaart, maar een philosophie, doch dan geschikt om den verkilden mensch te verwarmen. Zulk een opvatting heeft aanhang; let er maar op.
En omgekeerd nu nog de vraag: wat bedoeld men met dit: we zoeken mystiek. Dat is niet hetzelfde als godzaligheid. We wezen er boven reeds op. Neen, velen dezer mystiek zoekende „neo's” zouden niet verstaan, noch begeeren het zieleleven van een „doorgeleid” kind van God; en al evenmin van een ziel, die zaligmakend door Gods Geest aangegrepen is, tot een droefheid naar God. — Pas op met die mystiek. Gemoedsstemming tegenover de verkillende natuur-philosophie is nog iets anders dan Gods verborgen omgang, gevonden door zielen, waar zijn vrees in woont. Die laatsten hebben iets doorleefd en zij doorleven het steeds meer en dieper, van de aangrijpende werkelijkheid van val en genade; als feiten; feiten, objectief en subjectief verstaan.

Utrecht. WISSE.

(Slot volgt).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1926

De Wekker | 4 Pagina's

De Slang in het Paradijs. (19)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 juli 1926

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken