Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

"Opgewekt om onze rechtvaardigmaking!"

6 minuten leestijd

Rom. 4:25b

„Vader! in Uwe handen beveel Ik Mijnen geest!”
Met dit, van volle verzekerdheid getuigende woord, geeft, het hoofd buigende, Jezus den geest. De Hem toegewezen spanne tijds des levens hier op aarde is afgeleefd in een leven, dat werkelijk leven kon heeten, waarin Hij alles gedaan had, wat Hij er, naar Gods raad, in te doen had ter vervulling van het welbehagen des Heeren. Al wat de profeten te voren van Hem voorzegd hadden, was geschied. Niets was er, in lijdelijke noch dadelijke gehoorzaamheid, meer voor Hem te doen. Zijn woord „Het is volbracht!” gaf daarvan getuigenis.
Discipelen en discipelinnen hebben zich tot den laatsten liefdedienst geschikt, om het lichaam des Heilands te hoeden voor de ezelsbegrafenis, misdadigers toegedacht, en het eene eerlijke bijzetting te bereiden. Die, naar het woord des profeten, met de misdadigen is gerekend, zal, naar het woord van denzelfden profeet, bij den rijke in Zijnen dood zijn.
Er moge eenige voldoening zijn over de tegraflegging, als zij naar huis gaan, is er in hun hart niet dan de krenking eener uitgestelde hope, droefheid, troosteloosheid. Jezus, hun Jezus, hunne verwachting, hunne hope, hunne liefde was heen! Voor dit leven was het gedaan; het geloof aan de opstanding ten laatsten dage kon slechts nog verwachting geven voor de toekomst.
Ten derden dage zijn 's Heeren discipelen echter vertroost geworden, toen de Heiland, opgestaan uit de dooden, met vele gewisse kenteekenen verschenen is. Of zij de beteekenis der opstanding terstond hebben gevat? Of zij dadelijk hebben verstaan, waarom en waartoe de Heiland is opgestaan? Wij gelooven het niet. Ook daartoe was noodig, dat er een Pinksterfeest kwam en zij den Heiligen Geest ontvingen, om hen in al de waarheid te leiden.
De Heere Jezus is, zegt de Apostel, opgewekt om onze rechtvaardigmaking of rechtvaardiging.
Lezen wij dit woord niet verkeerd! Er staat niet tot onze rechtvaardigmaking, maar om onze rechtvaardigmaking. Dat maakt een groot verschil!
Lezen wij: tot onze rechtvaardigmaking, dan is de opstanding eene voorwaarde; lezen wij om, dan is de opstanding vrucht.
Gelijk het er staat, gaat, gelijk het feit der zonde aan de overlevering, ook het feit der rechtvaardiging aan de opstanding vooraf. De zonde is — laat mij het zoo zeggen — de oorzakelijke reden der overlevering; de rechtvaardigmaking de oorzakelijke reden der opstanding van den Heere Jezus Christus. De opstanding is derhalve bewijs der rechtvaardiging.
Hoe hebben wij het nu echter te verstaan, dat Christus opgewekt is om onze rechtvaardigmaking? Spreekt de Apostel niet terstond na onzen tekst, in Rom. 5 : 1, van een gerechtvaardigd worden uit het geloof? In hoofdstuk 5 eene rechtvaardigmaking in het leven van den uitverkorene; in 4:25 eene lang voor dat leven? Gods gekenden worden toch niet als gerechtvaardigden geboren?
Zeker niet! Paulus schrijft aan de Efeziërs, dat zij eertijds dood waren door de misdaden en de zonden (2:1), en: wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen (2 : 3).
Wij zijn geen aanhangers van de leer eener eeuwige rechtvaardigmaking, al stemmen wij grif toe, dat in den eeuwigen raad Gods de rechtvaardigmaking is inbegrepen als integreerend, d.i. onmisbaar, deel. Zonder opname van de rechtvaardigmaking in het besluit kan er van verkiezing geen sprake zijn. Van eeuwigheid staat het dus goddelijk vast, dat de gekenden des Heeren gerechtvaardigd zullen worden. Zullen worden; besluit en uitvoering hebben wij wel te onderscheiden en ook, wat den tijd betreft, te scheiden. Niemand is gerechtvaardigd, omdat hij uitverkoren is, al ligt zijne rechtvaardiging ook in Gods besluit vast.
Zoo nu slaat het ook met hetgeen wij in onzen tekst lezen. Het gaat hier over het werk van den Christus in betrekking tot onze rechtvaardigmaking; niet dus over het onderwerpelijke, maar over het voorwerpelijke. Daartoe verkoren door den Vader en gesteld als Borg, heeft Hij aan den eisch van Gods recht voldoening gegeven; Hij is geworden de verdienende oorzaak van onze zaligheid. d.i. dus ook van onze rechtvaardigmaking, Hij heeft alle gerechtigheid vervuld voor de Zijnen en voor hen gedragen den ganschen last des toorns Gods. Al hun schuld heeft Hij geboet; Hij heeft betaald voor al hunne zonden, hunne erfzonde en dadelijke zonden, hunne zonden van bedrijf en van nalatigheid, hunne zonden met werken, woorden en gedachten; de zonden van hunne jeugd en van hunnen ouderdom, alle. Hij heeft die gedragen voor degenen, die over lang dood waren; voor degenen, die leefden, toen Hij overgeleverd werd, en voor hen, die nog geboren moesten worden; voor de gekenden van Adam af tot den laatste toe. Hun schuld is betaald; hunne gerechtigheid vervuld.
Is Christus opgewekt om onze rechtvaardigmaking, dan wil dit zeggen, dat Hij opgewekt is, omdat Hij de voorwaarden tot die rechtvaardigmaking volkomen vervuld heeft. Met den Borg heeft de Rechter afgerekend en in de opwekking van dien Borg ligt nu de quitantie voor de schuld van al Gods gekenden. De voldoening behoeft derhalve niet meer te geschieden, zij is geschied!

Dat is de heerlijkheid van het Paaschevangelie, eene heerlijkheid die voor ons te grooter wordt, naarmate wij meer ontdekt worden aan de onmogelijkheid, om ook maar iets toe te brengen tot de voldoening aan het recht Gods, onder welks oordeel wij van nature liggen. Wat wij tot onze rechtvaardiging noodig hebben is aangebracht door den Borg. In Zijnen dood en bloedstorting ligt de waarborg onzer rechtvaardiging. In de vierschaar Gods voor ons ingegaan, heeft Hij ons oordeel gedragen. Zijne opstanding is het uittreden uit die vierschaar. Daarin ligt het „Amen”, dat de rechtvaardige Rechter uitspreekt over Zijn „Het is volbracht!”
Zoo is er vergeving!
Zoo is er water voor den dorstige!
Zoo is er brood voor den hongerige!
Troost voor den ongetrooste; redding voor den verlorene!
Genade voor een doemwaardig, in zich zelf doemschuldig, zondaar!
Een vrijmoedige toegang tot den troon der genade!
Mochten wij den Paaschjubel verstaan, „de Heere is waarlijk opgestaan!”
Dan zullen wij tot onzen troost weten, waar God met onze zonden gebleven is. Wij zullen het dan weten door het geloof, en uit dat geloof zullen wij gerechtvaardigd zijn. Dat hebben wij noodig, zulleen wij welgetroost leven en eenmaal zalig sterven. Wij moeten deel krijgen aan de rechtvaardigmaking door Jezus Christus verworven.
Wat voorwerpelijk in de voldoening van den Christus ligt, moet als genadeweldaad ons deel worden door het geloof. Als genadeweldaad, dus, als gegeven goed, niet als eene verdienste onzerzijds.
Op het gebed wil de Heere die weldaad schenken, waarin ons de gerechtigheid van den Borg wordt toegerekend!
Hij wil ons geven Zijnen Heiligen Geest, opdat wij, geloovende in den Christus, ons gerechtvaardigd zouden kennen in Hem.
Paschen worde het voor vele kinderen des Heeren, die nu nog zoo menigmaal met vreeze des doods bevangen hun weg gaan!
Paschen, voorbijgang, opdat zij mogen leeren roemen in de vrijheid der kinderen Gods!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken