Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Bondszegelen (XXI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Bondszegelen (XXI)

5 minuten leestijd

Wie dit nu goed begrijpt, stemt aanstonds toe, dat het zeer correct is als iemand zou zeggen: de zekerheid ligt niet in mij, maar voor mij in den Heere. Vooral bij de bondszegelen is dit van groote beteekenis. Zoo alleen toch kunt ge de eenheid tusschen doop en avondmaal vasthouden en tevens de gansch onschriftuurlijke meening met wortel en tak uitroeien, alsof alleen verzekerden tot het avondmaal des Heeren gaan mochten. Wanneer men, gelijk ook ons avondmaalsformulier bedoelt, onder deze zekerheid nu altijd maar verstond de zekerheid des geloofs, dan zou deze meening geen weerspraak hebben te duchten. Maar in den regel bedoelt men er niet anders mee dan de zekerheid des gevoels, dan het welwezen des geloofs, dan het stuk van de vrijspraak in de vierschaar der conscientie, en dan voegt men er zoo spontaan soms aan toe: „en daar zijn maar weinigen, die dit stuk hebben doorgemaakt en het zal toch gekend moeten worden.” Ik vermoed, dat Brakel in zijn tijd ook al dat soort van verzekerden heeft ontmoet, die als het hoogste hun stand der ziel naar voren brachten en die feitelijk niet anders doen dan van hun eigen zielservaring den grond maken. Brakel bespreekt in zijn „Redelijke godsdienst” de vraag, of het wezen des geloofs bestaat in het vertrouwen, dat Christus mijn Zaligmaker is. Het raakt hier dus de vraag der toeëigening van de weldaden des heils, de heldere, klare zelfbewustheid van het mijnend geloof.
En het is buiten kijf, dat wanneer het geloof in volle werking is, wanneer wij het geloof in zijn compleetheid beleven, er ongetwijfeld bij behoort om de blijdschap van het „mijn Heere en mijn God”, van het „Abba, Vader” te smaken. Maar zoo min het leven eerst dan leven mag heeten als men zeggen kan „ik leef”, omdat er veel leven is zonder deze persoonlijke zelfbewustheid, zoo ook is het geheel onjuist eerst dan van geloof en van zekerheid te spreken als men met persoonlijke toeeigening kan zeggen: „Jezus is mijn Zaligmaker”.
Brakel beantwoordt dit geding in het zielproces op de hem eigen duidelijke wijze en zegt: „God heeft wel allen, die het Woord hooren, geboden te gelooven, maar niet allen geboden te gelooven dat Christus zijn Zaligmaker is; daartoe is niet één tekst in den Bijbel te vinden, zoodat het enkel inbeeldingen zijn te gelooven, dat iedereen gelooven moet, dat Christus zijn Zaligmaker is; hij zou leugen gelooven en zou met zulk een inbeelding ter helle varen. Gelooven, dat Christus mijn Zaligmaker is, is verzekering, welke een vrucht is des geloofs, die meer of minder kan zijn, ja geheel weg zijn, blijvende het ware geloof en hij een waar geloovige. Vele tijdgeloovigen houden zich vast verzekerd zonder de minste twijfeling, dat Christus hun Zaligmaker is en voor hen is gestorven en nochtans hebben ze het ware geloof niet en zullen zich bedrogen vinden; dies is het ware geloof niet een vertrouwen, dat Christus voor mij gestorven is.”
Hebben wij Brakel goed begrepen, dan is ook hij er voor, om de zekerheid meer buiten ons zelf dan in ons zelf te zoeken en laat hij het geloof meer zien in zijn uitgaande dan in zijn terugkeerende werkzaamheid, meer in zijn wezen, dan in zijn welwezen.
Hij teekent het zoo afdoende, wat het Christenhart aan den God des verbonds heeft en hoe het oprechte geloof altijd in alles werkzaam is met het verbond en met Godsbelofte, die toch in Jezus Christus ja en amen zijn. Hoort, hoe Brakel over de eigenlijke wezenlijke daad des geloofsspreekt. „Wij verstaan er door de uitgaande daad des harten, waardoor men zich, overgevende aan Christus en Hem aannemende, ziel en lichaam toevertrouwt, opdat Hij ze zaligmake. Gelijk een crediteur zijn geld aan iemand overgevende het hem toevertrouwt, gelijk iemand zich zet op de schouderen van een sterk man, om hem door een water te dragen zichzelven hem toevertrouwt en zoo op hem vertrouwt, leunt, steunt, zich laat dragen tot zulk een plaats. Het ware zaligmakende geloof bestaat niet in de toestemming van de Evangelische beloften, maar bestaat in het vertrouwen des harten om door Hem tot de zaligheid gebracht te worden op grond van Zijn vrijwillige aanbieding, en op de beloften aan die gedaan, die op Hem vertrouwen”.
Dit woord van Brakel is ter overdenking voor allen, die zoo dikwerf in de strikken verward zijn door de angstige vraag, ach, dat ik het toch eens weten mocht, of het wel voor mij is? Zou ik mijzelf niet bedriegen? Zouden de sacramenten wel voor mij zijn? Zou ik niet eerst een groot zielsproces van ik weet niet wat voor bijzonderheden moeten doormaken, eer dat ik met blijdschap in het huis des Heeren mag gaan, om daar met lof Zijn grooten Naam te danken!
Vergeten dezulken toch niet, dat gelooven naar zijn wezenlijken inhoud niet anders is, dan vertrouwen op God, een steunen op Zijn Verbond, dat in Christus zoo zeker is.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Wekker | 4 Pagina's

De Bondszegelen (XXI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 augustus 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken