Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Hemelsche Jeruzalem (XV)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Hemelsche Jeruzalem (XV)

(Naar Openb. 21.)

4 minuten leestijd

DERDE HOOFDSTUK.

De Ontsluierde Bruid vertoond.

En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laatste plagen, en sprak tot mij zeggende: kom herwaarts, ik zal u toonen de Bruid, de vrouw des Lams (vs. 9).

In het schoone boek Bunjan’s Christenreize wordt verhaald, hoe Christen en zijn metgezel op hun pelgrimstocht somtijds een berghoogte beklommen, van waar zij een wijd uitzicht hadden; om dan gewapend met den kijker van verre de blinkende godsstad te aanschouwen, waarna zij verheugd en bemoedigd de pelgrimstocht met nieuwen moed voortzetten. Zoo mag Gods kind wel eens van verre iets zien van de toekomstige heerlijkheid. Bij tijden wordt hem vergund een hoogtetop te beklimmen, om daar korter of langer te vertoeven; maar met het heerlijk voorrecht, om een wijle in te leven in wat te beërven staat. O, hoe is dan het hart verrukt en welgemoed. Dan zingen Christen en Hope een lied van liefde en verlangen, ja, dan kan men het weer uithouden in het heete zand van de woestijn op de reis naar Jeruzalem.
Zoo geldt het ook de kerk in haar geheel, als zij hier van verre een blik mag slaan op haar heerlijke eeuwigheids-schoonheid.
Aan Johannes werd het vergund, zulk een heerlijken bergtop te beklimmen, en wat hij daar zag, het wordt ons hier medegedeeld, opdat de Bruidskerk, met name in haar ontzaglijke worsteling in de laatste wereldperiode, er door worde aangegord, om te volharden tot het einde toe.
Een der zeven engelen kwam tot Johannes. Zeker schrijver spreekt hier van den Bruidegoms jonker. Terecht. De hemelsche Bruidegom heeft óók vrienden. De vriend des Brui­degoms. We mogen er de engelen Gods zeker ook onder rekenen. Zij zijn tegenover de gevallen engelen (de duivelen) — die troongeesten, die zich wonder interesseeren over al wat de glorie van Koning Jezus, ja van Goddrieëenig aanbelangt. Zij verblijden zicb bijzonder met hemelsche vreugde over het huwelijk van het gezegende Lam Gods, hun Hoofd en Heere.
Dies voeren zij met bijzondere nauwgezetten ernst de oordeelen uit, die hun van den troon zijn opgedragen om over de aarde te brengen. O, zij weten en zien het, dat dwars door die oordeelen heen de bruiloft komen moet.
Nu is het merkwaardig, hoe in de Openbaring die oordeelen worden beschreven als een drievoudig proces. Eerst zeven zegelen, die geopend worden. Dan zeven bazuinen, die blazen. Ten slotte zeven fiolen, die uitgegoten worden. Drie maal zeven. De goddelijke volheid der oordeelen Gods. Hier was nu een dier engelen, die de zeven fiolen, de laatste oordeelen, hadden uitgegoten.
Zij hebben den voleinden toorn in de zeven laatste plagen uitgegoten over satan en wereldmacht, waardoor deze vijanden van Gods Kerk nu zijn ten ondergebracht, en de weg vrij kwam tot de huwelijksvoltrekking der Bruid in haar geheel als Kerk Gods, dus tot de volle openbaring harer heerlijkmaking.
Die zeven engelen hadden deze laatste plagen over den troon van den anti-christ en zijn rijk, als mede over de „slechte vrouw”, „de groote hoer” (openb. 17) van den anti-christ uitgegoten.
Gelijk nu de anti-christ gezegd wordt een „slechte” vrouw aan zijn zijde te hebben, zoo heeft de Christus een Bruid. En nu treedt hier, gelijk gezegd, een dier engelen uit, als het ware als een bruidegomsjonker Christi. Want zoo een betaamde Hem en Zijn reine Bruid; een hemeltroongeest alleen kon daarvoor in aanmerking komen.
O, het is voorwaar geen kleine zaak, dat het Hemelsche Jeruzalem aan Johannes wordt getoond door een stralenden troongeest. Hoe rein moet deze Bruid wel zijn, hoe heerlijk haar Bruidegom, welk een God verheerlijkend, hemelsch huwelijk mag dit wel wezen!
O, wat is het toch groot, volk van God; dat Engelen uit den hemel zijn neêrgedaald, om iets van onze rijke, zalige toekomst te verkondigen en te ontsluieren.
De engelen Gods zelf heilig geïnteresseerd bij, en vermaak scheppende in uwe heerlijke hemelzaligheid en heerlijkmaking! O, wat moet deze zelf dan wel niet inhouden!
Wat nu engelen belang inboezemt, het zal voorwaar wel heilig, schoon, rein, beminnenswaardig zalig zijn.

Utrecht. Wisse.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 2 September 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Het Hemelsche Jeruzalem (XV)

Bekijk de hele uitgave van Friday 2 September 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken