Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zalig! - Wie? (V)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zalig! - Wie? (V)

7 minuten leestijd

„Zalig (zijn) de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.Matth. 5: 3.

Zalig — de armen van geest!

4.

Zalig zijn de armen van geest!
De Heiland zegt, dat zij zalig zijn, omdat hunner het Koninkrijk der hemelen is.
Er is een koninkrijk van beneden en een Koninkrijk van boven. Het eerste is het rijk van den vorst der duisternis; het tweede het rijk van God of der hemelen.
Oorspronkelijk is dat eerste rijk er niet geweest; de mensch in den staat der rechtheid, had God, zijnen Schepper, tot Koning, eerde en diende Hem als zoodanig en werd door Hem geregeerd en gezegend. Dat was het lijk des vredes, waarin de mensch oorspronkelijk zalig stond.
Door zijne zonde, zijn val, heeft de mensch echter zijn natuurlijken Koning den dienst en de gehoorzaamheid opgezegd. Hij heeft zich den satan tot koning verkoren, zich aan hem onderworpen. Hij behoefde het niet te doen, want God had hem geschapen met zulke gaven en krachten, dat hij der verleiding van den vorst der duisternis weerstand had kunnen bieden; hij had kunnen weigeren te zondigen. Zijn afval van God is dan ook een daad van revolutie bij uitnemendheid. Met den val des menschen wordt het rijk der duisternis op deze wereld; een rijk bestaat toch uit onderdanen en zonder onderdanen is er geen rijk. De kenmerken van dit rijk zijn niet anders dan leugen en dood in alle opzichten. Het rijk der duisternis moet eindigen in eeuwige ellende en duisternis; het deel van zijn vorst is het deel zijner onderdanen!
Het ware rechtvaardig geweest, indien de beleedigde en verworpen Koning Zich aldus hadde gewroken, dat hij den mensch had overgelaten aan zijne ongehoorzaamheid en hem de vruchten er van had doen smaken tot zijn eeuwig verderf, door den mensch met zijn koning te doen deelen in de eeuwige verdoemenis.
Het is eene ontzettende waarheid, dat er menschen zijn, die aldus de rechtvaardigheid Gods zullen ondervinden.
Maar vóór de grondlegging der wereld, vóór de mensch dus tegen zijnen Koning kon opstaan en Hem verloochenende, kiezen kon voor den satan, lag het vast in Gods eeuwig besluit, ja ook, dat de mensch vallen zou, doch tevens, dat het rijk der duisternis niet het eenige zou zijn en blijven op de aarde, maar dat een rijk van waarheid en leven zou gevestigd worden op de wereld, een rijk, dat eeuwige zaligheid zijnen onderdanen zou brengen.
Dat is het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk Gods.
De bestaansmogelijkheid van dit rijk wordt niet geschapen door de formeering van een nieuw menschengeslacht naast het geslacht uit Adam. De bestaansmogelijkheid ligt in de Borg-stelling van den Zoon en door den Zoon. In den Borg is het, dat het recht Gods vervuld wordt voor hen, die tot het Koninkrijk der hemelen zullen behooren en die oorspronkelijk — oorspronkelijk n.l. door de zonde — behooren tol het rijk des satan's
Door den weg des rechts, door den Borg geopend, kan God doemschuldige en doemwaardige zondaren aanzien in liefde en ontferming, opdat zij weer zouden geplaatst worden onder Zijn Koningschap; niet alzoo, gelijk ook van den vorst der duisternis kan gezegd worden, dat hij onder het Koningschap Gods staat, en van alle menschen zonder onderscheid, — maar aldus, dat zij Hem weder als Koning zouden erkennen, dienen, gehoorzamen en liefhebben. Daartoe is het niet genoeg, dat Christus hun Borg is, zoodat in Hem hun schuld is geboet; noodig is, dat in ben eene omwending plaats hebbe — het woord revolutie gebruiken wij hier liefst niet — waardoor zij komen tot de erkenning van God. Zij moeten wederom geboren worden, een nieuw hart en een nieuwen geest ontvangen. Tenzij, zegt de Heere Jezus tot Nicodemus, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien, en Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan. (Joh. 3: 3, 5.)

Hunner is het Koninkrijk der hemelen, zegt de Heere.
Zoo worden dan de armen van geest geteekend als te behooren tot hen, die getrokken zijn uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde (Coll. 1:13). Zij zijn onderdanen van het Koninkrijk der waarheid en des levens. Der waarheid, en daarom kennen zij den leugen; der waarheid, en daarom zien zij de duisternis; der waarheid, en daarom verliezen zij allen grond van verwachting in henzelf; der waarheid, en daarom zijn zij arm van geest; maar ook: der waarheid, en daarom kennen zij do waarheid, gelijk zij is, en zij leeren die kennen tot vrijmaking hunner ziel in God en Jezus Christus; der waarheid, en daarom streven zij naar het licht in Hem, die het Licht is; der waarheid, en daarom toeken zij de zaligheid buiten zichzelve in Christus Jezus; der waarheid, en daarom mogen zij bij tijden roemen in den rijkdom des geloofs en der hope en der liefde.
Het Koninkrijk des levens ! En welk leven ! Een leven, dat uitgaat boven het leven van den mensch in den staat der rechtheid, want het kent een levensfactor, die in den staat der rechtheid onbekend was, den factor der dankbaarheid vanwege de genade, een doemschuldige betoond, en het is, wat van hel leven in den staat der rechtheid niet gezegd kan worden, een onverwoestbaar leven; het blijft, want zij, die onderdanen zijn van het Koninkrijk der hemelen worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd (1 Petr. 1;1:5).
Als burgers van dat Koninkrijk staan zij, het is waar, zoolang zij in deze bedeeling zijn, bloot aan de aanvallen van den vorst der duisternis, die, met wereld en vleesch in bond, alles aanwendt om, ware het mogelijk, de genade teniet te doen, het leven te dooven, maar zij zijn niet, gelijk van den mensch in den staat der rechtheid moet gezegd; Christus is hun leven, en daarom ook hun kracht. En gaat Zijn woord in vervulling: In de wereld zult gij verdrukking hebben, tot hun bemoediging heeft de Heiland er aan toegevoegd: Maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh. 16:33), en zij ervaren de waarheid Zijner belofte: Ik hen met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20).
Het Koninkrijk der hemelen is hunner, onverliesbaar, vast in den drieëenigen God! Het kan hun niet ontgaan; zij hebben het reeds, omdat de Heere hen er in opgenomen heeft.
Hier, in dezen tijd ptôchoi, bedelaars, maar bedelaars uit nood; bedelaars met bedelaarssmart en -verkwikking door Gods genade. Evenwel — zij zijn erfgenamen des eeuwigen levens. Eeuwige vervulling wacht hen in de zalige bezitneming en bezitting Desgenen, wiens gemis hen arm van geest deed zijn.
Zalig — de armen van geest !

Toets uzelf aan dit woord, lezer!
Een van beide: arm van geest en dus een bedelaar bij God om God, en — zalig, of een zelfgenoegzame van geest — het is de zelfgenoegzaamheid van den dood — en ..... rampzalig!
Wat zal het te zeggen zijn, als ge eenmaal als zulk een zelfgenoegzame zult moeten verschijnen voor Hem, die naar waarheid, naar waarheid in het binnenste vraagt!
Zal het u niet gaan, als den man, die, zonder bruiloftskleed aan, aanzat onder de gasten van den koning uit de bekende gelijkenis? Zeker heeft die man zijn eigen kleed goed genoeg geoordeeld, maar het was het niet in de oogen des konings. En terwijl de armen, de lammen, de kreupelen en blinden bleven aan den bruiloftsdisch, de bedelaars, die geen gewaad hadden, doch er een hadden ontvangen naar 's konings gunst, werd hij uitgestooten in de buitenste duisternis. Ach, rijke aan kennis, aan gerechtigheid, aan heiligheid, word arm, opdat gij het niet meer moogt weten en zijn en kunnen. Dan is er hope, zekere hope; anders niet!
Houdt maar moed, bedelaars aan den troon der genade! Ge klopt aan bij Een, wiens Naam Ontfermer is, en die Zijnen Zoon heeft gegeven, opdat Deze bedelaars zou zijn wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing (1 Gor. 1 : 30).
Houdt moed — uwer is het Koninkrijk der hemelen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Zalig! - Wie? (V)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 november 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken