Bekijk het origineel

Eben-Haëzer

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Eben-Haëzer

(Bij de Jaarwisseling)

11 minuten leestijd

„Samuel nu nam eenen steen en stelde dien tusschen Mispa en tusschen San, en hij noemde diens nanm Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen.1 Samuel 7 : 12.

Da Filistijnen, die in het Zuidwesten van Kanaan, in de steden Gaza, Askalon, Asdod, Gath en Ekron, woonden, zijn langen tijd de vijanden van het volk des Verbonds geweest. Geoefend ten oorloge bedreven in de techniek er van, vervuld van roof- en veroveringszucht, zijn zij menigmaal in de hand des HEEREN het middel tot tuchtiging van Zijn volk geweest, wanneer het den HEERE, zijnen God, verliet, om zich te wenden tot de afgoden der heidenen Telkens is in het boek der Richteren van ben sprake; eerst aan David gelukte het onder des Heeren zegen hun macht te breken,
Onder den Hoogepriester Richter Eli, toen vooral doop toedoen van zijne zonen Hofni en Pinehas de dienst des Heeren werd verwaarloosd, had Israël veel van de Filistijnen te lijden. De ark des HEEREN vermeesterden zij en hoewel de Heere op duidelijke wijze betoonde, dat Hij bet opnam voor net bijzonder eigendom van Zijn, hoewel afvallig en afhoereerend volk, toch zien wij hen ook ook onder Eli's opvolger, Samüel, weer met Israël in strijd.
Twintig Jaren na den terugkeer der ark te Kirjath-Jearim was zij daar nog. Israël voelde den smaad, zeker ook door de godvreezende leiding van Samuël. Daar ontwaakt eene behoefte in de ziel des volks, eene erkenning van zijne zonde voor het aangezicht des Heeren. Het gansche huis Israëls, dus lezen Wij, klaagde den HEERE achterna.
Toch was er in Israël veel, dat den Heere niet kon behagen. Daarom vermaande Samuël het volk; Indien qij u met uw gansche hart tot den HEERE bekeert, zoo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astaroth; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zoo zal Hij u uit de hand der Filistijnen verlossen. De vermaning wordt ter harte genomen; de Baäls en de Astaroth worden weggedaan; en nu roept Samuël het gansche volk samen te Mizpa om daar het verbond des Heeren te vernieuwen en voor Israël te bidden. Te Mizpa komt het tot eene openbare belijdenis van zonde.
Als echter de Filistijnen hooren, dat Israël te Mizpa vergaderd is, trekken zij op tegen het volk des Verbonds. Groote vreeze vervult op bet hooren van de tijding daarvan het hart des volks. Vluchten doen zij evenwel niet; zij wenden zich tot Samuël, als tot den van God geschonken vertegenwoordiger des volks bij den Heere, en smeeken hem: Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den HEERE onzen God, opdat Hij ons verloste uit de hand der Filistijnen.
Toen nam Samuël een melklam, en hij offerde het geheel den HEERE ten brand offer, en Samuël riep tot den HEERE voor Israël; en de HEERE verhoorde hem.
En het geschiedde toen Samuël, dat brandoffer offerde, zoo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de HEERE donderde te dien dage met een grooten donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte ze, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israel En de mannen Israels togen uit van Mizpa en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen ze tot onder Beth Kar.
Het is ter gedachtenis van deze overwinning, dat Samuël tusschen Mizpa en Sen den steen opgericht heeft, dien hij Eben-Haëzer, steen der hulpe, noemde.
Een mijlpaal in Israëls geschiedenis is deze steen en bij ver kondigt niet den lof des volks maar den lof van den HEERE, den God des Verbonds, die het geschrei Zijns volks boorde en wonderbaar uitkomst gaf. Wie later den weg van Mizpa naar Sen passeerde, en den steen zag, werd herinnerd aan de verlossing door den HEERE geschonken.

Past het bij de jaarwisseling ook ons niet een Eben-Haëzer op te richten? Gij verstaat, dat wij dit niet letterlijk bedoelen; wij bedoelen, of ook bij ons niet de gestalte des harten gevonden moet worden, die aanwezig was bij Samuël, toen hij den „steen der hulpe” oprichtte. Mogelijk is ons leven in 1927 zeer kalm voortgegaan, zonder schokkende gebeurtenissen, zoodat het ons moeilijk zou vallen van bijzondere beproevingen en uitreddingen te spreken. Het kan zijn, dat in langen tijd niets bijzonders ons treft. Of dit zoo verkieselijk is, is de vraag; het leven wordt op die wijze zoo gemakkelijk tot een sleur en baant zoo licht den weg tot zelfgenoegzaamhed. Hoe zal er dan sprake kunnen zijn van het oprichten van een Eben-Haëzer? En toch, indien wij er maar bij bepaald mogen worden, dan is er ook voor hem of haar, die niets bijzonders te boeken heeft aan het einde des jaars, nog wel reden tot het oprichten. Het is een onzer grootste gebreken, dat wij zoo gewoon worden aan het gewone, zóó gewoon, dat wij er de leidende en zorgende hand des Heeren niet meer in erkennen, omdat wij er niet aan denken. Maar, vanwaar zijn de krachten tot den arbeid; vanwaar is de gelegenheid; vanwaar de gezondheid; vanwaar het verstand? Komen die ons toe, als ons eigendom, om onze verdienste? Geenszins, alles komt ons toe uit de hand van Hem, die in Zijne voorzienigheid alle dingen bestiert en regelt naar Zijn welbehagen. Ook het meest gewone is van Hem! Ach, hoevelen zijn er, die onnadenkend en onopmerkzaam bet jaar doorleefd hebben! Ach, hoe schaarsch zijn ook voor hen, die een oog ontvangen hebben om te zien, en een oor om te hooren, en een hart om op te merken en te verstaan, de oogenblikken, waarin zij waarlijk erkennen den Gever van hetgeen zij bezitten, den Werker van hetgeen zij zijn!
Wij moesten eigenlijk geen Oudejaarsavond noodig hebben, om er aan herinnerd te worden; altijd moesten wij vervuld zijn van de erkenning Gods!
Zie eens terug, menschenkind, op het afgeloopen jaarl Bedenk eens, wie gij zijt en wat de Heere voor u geweest is !
Uwerzijds — niet dan zonde en ongerechtigheid! En Zijnerzijds….?
Mogelijk ging uw weg op doornen,— was het meer, dan gij verdiendet?
Misschien moogt ge van rijken zegen, van buitengewone uitreddingen spreken, — waart gij bet waard?
Wat de Heere gaf en wat Hij ook nam, Hij nam en Hij gaf het, opdat gij er mede in Hem zoudt eindigen !
Zijne barmhartigheden roemden nog tegen bet oordeel!
Waar beeft het u gebracht? In de verootmoediging? Of zijt gij nog dezelfde als aan bet begin van 1927, zoo niet slimmer?
En gij, kind des Heeren, o, als gij terugziet op het afgeloopen jaar, dan is het zoo te verstaan, dat er smart in uw hart is bij de gedachte, wie gij voor den Heere geweest zijt, maar betaamt het u niet een Eben Haezer te stichten?
Ja, tot hiertoe heelt de HEERE geholpen !
HEERE, de God des Verbonds, heeft u geleid en bewaard en gezegend. Als ge ziet op uzelf, dan zijt ge het niet waardig, bet Eben Haëzer op de lippen te nemen. Maar wanneer zult gij dat zijn ? Ook Samuël was het als persoon niet waardig, maar de erkenning van de daden des HEEREN drong hem er toe. Zoo zij het ook met u! Weet ge wel, dat de traan der smart over de zonden ree s is het zoeken van den steen ? Laat er een diepe verootmoediging bij u zijn, maar vergeet de daden des HEEREN niet! Als mensch, als kind des Verbonds, hebt gij uzelven te ver oordeelen, maar versta het, dat gij te doen hebt met den God van alle genade, en zie de genade van Hem, die Zich niet onttrok van u, maar u heeft nagewandeld met Zijne gunstbewijzen, hetzij die tot u kwamen in een weg van voorspoed en blijdschap, of in een weg van droefheid en tegenspoed ! Zoo de bede in uw hart mag zijn, dat de HEERE Zijne wegen aan uw hart heilige, dan richt ge, wat het jaar u ook gebracht hebbe den „steen der hulpe” op in Zijne vreeze. Meer dan zij, die den Heereniet kennen, hebt gij reden er toe. Zij kennen de gevaren niet, waartegen de HEERE u behoedde; de tranen, die Hij wilde drogen; den rouw des harten, dien Hij heeft willen verlichten; den balsem, dien Hij goot in uwe wonden. Zij kennen de weldaad niet. van bet gaan tot den HEERE met de nooden van tijd en eeuwigheid. En gij? O, als het zoo is, dat ge geen Eben-Haëzer kunt oprichten, omdat uwe ziel niet in de rechte verhouding tol den Heere slaat, buig nog de knieën des harten, opdat Hij u den steen wijze, dien ge Hem ter eere moogt oprichten !
Eben-Haëzer! — het woord voor den Oudejaarsavond !

Eben Haëzer! — het woord voor den Nieuwjaarsmorgen!
Waarvoor diende de gedenksteen aan den weg van Mizpa naar Sen?
Alleen maar om te doen gedenken, wat de HEERE gedaan bad in Samuëls dagen?
Meer! — Er gaat van dien steen een bemoedigende sprake uit. Hij is opgericht, opdat de Naam des HEEREN zoude gedacht worden, de Naam van Hem, die niet is de God des Verbonds van het verleden, doch ook van het heden, ook van de toekomst ! Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen! Hoe moest dit woord den oprechten Israëliet moed geven, in dagen van druk, van zorg, van het opkomen der vijanden als een waterstroom! Was de Heere nog niet de Machtige, om uitredding te schenken; om een versaagd volk aan te gorden met kracht; om den vijand neer te slaan en ruimte te schenken aan de Zijnen?
Wij weten niet, wat 1928 ons brengen zal. Elke dag zal ook in het nieuwe jaar weer genoeg hebben aan zijn zelfs kwaad. Ook in dit jaar zal de ellende gekend worden; het zal weer een jaar zijn van strijd en moeite, van zorg en verdriet, van kranke en dood. Weer zal gezucht worden : Och, dat het avond, och, dat het morden ware. Het leed houdt niet op klokslag 12 uur, middernacht! Het gaat door, evenals de zonde doorgaat, want de tijd verandert den mensch niet! Hij is en blijft der vergankelijkheid onderworpen!
Dezelfde behoeften, stoffelijk en geestelijk, in 1928 als in 1927!
Maar ook dezelfde God en Heere!
Zoo wij Hem den Onze mogen noemen, wat nood dan?
Dan mogen wij vreezen, wat het vleesch betreft, voor onheilen, die ons kunnen treffen, maar is die vrees eigenlijk wel gerechtvaardigd?
Betaamt ons dan niet veel meer onzen weg te wentelen op den HEERE, wiens belofte is, dat Hij het maken zal?
Het volk des HEEREN kan en mag zoo'n gerust volk zijn, gerust in Hem, die het Zich aangenomen heeft, om het te stelten tot Zijn lof op aarde, en die als de onwankelbaar Getrouwe de Zijnen gedenkt, on nimmer laat varen de werken Zijner handen!
Het ontbreekt ons maar teveel aan het geloot in de Voorzienigheid Gods!
Laat ons niet klagende en zuchtende — misschien ook mopperende — het jaar 1928 ingaan.

„Geen ijd'le zorg doe u van 't heilspoor dwalen;
Houd in uw weg het oog op God gericht.
Vertrouw op Hem, en d'uitkomst zal niet falen !

Mogelijk loopt de weg des Heeren anders, den gij u hebt voorgesteld.
Zij uwe bede om onderworpenheid, en bovenal om heiliging, opdat gij het doel van Gods weg met u kennen moogt; de roede moogt kussen, indien deze over u komt; met een Job, ook in het aangrijpendst leed, nog moogt eindigen in: De Naam des HEEREN zij geloofd!
Eben Haëzer — de HEERE heeft geholpen, en — zal helpen ook in 1928!
Zijn Konkinkrijk kome, dat rijk, waarin voor Eben Haëzer's plaats is!
In de wereld van Heidenen, Mohamedanen, Joden en ook Christenen !
In Zijne Kerk!
In elk onzer Gemeenten!
In ons aller hart!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927

De Wekker | 4 Pagina's

Eben-Haëzer

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1927

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken