Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Gij .... Ik

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Gij .... Ik

6 minuten leestijd

Heeft de mensch het thans onmogelijk gemaakt, om door een verbond der werken, ten leven in te gaan; — bij den Heere is nog een weg ten leven; maar door den Heere zelf te ontsluiten en te vervullen. Een verbond van genade. — Neen dit keurt dat eerste verbond, dat der werken, niet af; neen, het corrigeert (verbetert) dit eerste verbond niet. Veeleer wordt dat eerste verbond, nu pas goed vervuld; het werkverbond wordt ten volte vervuld, opgeluisterd en verheerlijkt in het genade-verbond.
Is het werkverbond die verhouding tusschen God en den mensch, waarbij de mensch (ongevallen) ten leven kan ingaan; — het genadeverbond is die vaste relatie (een zijns-verhouding) waarbij de zondaar, ondanks zijn zonde en schuld nu toch nog het eeuwige leven ontvangt. — En dat is in den diepsten wortel geen tegenstelling met het werkverbond, ook geen veranderde methode Gods. Neen; want feitelijk is in het genadeverbond tevens ook de werkverbonds-gedachte gehandhaafd. Er is n.l. tusschen die beide verbonden een heerlijke overeenkomst, namelijk deze: in beide verbonden is de weg ten leven volstrekte gehoorzaamheid.
Het stond dus niet zóó: dat in het werkverbond het eeuwige leven bereikt wordt als vrucht van gehoorzaamheid, van werken; en dat nu in het genadeverbond God in Zijn „goedertierenheid” als zou gezegd hebben: welnu gaat het dan niet door werken, zie dan ben Ik zoo barmhartig en mild, dan zal Ik u, o zondaar, dat eeuwige leven toch maar schenken, zonder gehoorzaamheid, om niet, als een onverdiend geschenk. Nog eens: neen voorwaar zóó staat het niet.
Gelukkig niet; want dat zou geen God verheerlijkende genade zijn; ook zou dit geen ware hemelvreugde schenken; want God was er in te kort gedaan; ook zou dit geen rechte hemelingen maken. Kortom het leven zou er bij van het leven zijn beroofd geworden. De verhouding tusschen die beide verbonden is dan ook een andere. Er is een wondere, goddelijk schoone overeenkomst tusschen die twee.
In het werkverbond is de weg, ja noem het gerust de goddelijke conditie, de uit Gods harmonie, zelf-overeenstemming voortvloeiende conditie: gehoorzaamheid.
En in het genadeverbond . . . . óók!
Het eeuwige leven is nimmer anders dan vrucht van Gode gebrachte gerechtigheid, gehoorzaamheid. Zoowel vóór als na den val. Alleen maar, de gevallen mensch kan die gehoorzaamheid in eeuwigheid niet meer zelf brengen. Wat echter de gevallen mensch niet meer kan, dat zal God nu overnemen in den persoon des Zoons Gods, als middelaar. Nu brengt Christus, in onze plaats, die gehoorzaamheid. Maar toch gehoorzaamheid. Zelfs nog vermeerderd met de lijdelijke gehoorzaamheid, om de schuld, die de mensch gemaakt heeft weg te dragen.
Het genadeverbond heeft dus wel ter dege zeer groote eischen; maar nu aan Christus; die door Hem vervuld zijn. Hij is de Middelaar in dit verbond.
Het is geen klein stuk van Sion's zaligheid dan ook, dat de Borg aan alle gerechtigheid Gods genoeg gedaan heeft. Het wordt door recht verlost.
Het groote onderscheid tusschen die beide verbonden is dan ook dit: in beide is de weg ten leven gehoorzaamheid; maar waar in het werkverbond dezelve door den geschapen mensch moest gebracht, daar wordt deze nu in het genadeverbond door den Christus gebracht.
In zooverre zou men het genadeverbond zelfs ook een werkverbond kunnen heeten. Maar genade is het, dat er zulk een verwisseling van volbrengende personen kon plaats vinden; dat God zelf dit van eeuwigheid heeft besloten; dat dit nu naar vrije souvereine daad Gods wordt ten uitvoer gebracht, en dat tot verkrijging dezer heilgoederen van 's menschen zijde geen enkele voorwaarde meer behoeft vervuld te worden, n.l. alsof hij daardoor de verkrijging zoude verdienen. Wel zijn er eischen, gelijk b.v. Hellenbroek het ook zegt; maar dit zijn tevens beloften; wat God in het genadeverbond van ons eischt (geloof en bekeering), dat is ook al genadegoed; het is al te voren in dat verbond van genade beloofd en toegezegd; en de vervulling derzelve (n.l. gelooven en zich bekeeren) is reeds als genadegifte aan te merken.
Zoo kort en kernachtig, zoo klaar en eeuwig dierbaar, wordt ons nu dat onderscheid en die overeenkomst tusschen werk- en genadeverbond voor oogen gesteld in datzelfde Genesis 3. Als het daar luidt: Ik zal vijandschap zetten, enz. (vs. 15), — Daar hebt ge 't geheele stuk. Het is „Ik” tegenover. . . . „gij”. — In het werkverbond is het tot den mensch: gij zult; in het genadeverbond zegt de Heere: Ik zal. — Wat Adam naliet, neemt God nu over. Wat Adam bedierf, maakt God weer goed. — Hier is de geheele zaak van zaligworden als in geconcentreerd: gij. . . . Ik.
Ik zal vijandschap zetten. — De weg naar den hemel was door Adam alzoo versperd; nu zal God weer ruimte maken. — Adam had een ander verbond gesloten; n.l. een verbond met satan; dan is 't onmogelijk om ooit ten leven te kunnen ingaan; dan zal God allereerst dat valsche onheilige verbond door den mensch met satan gesloten te niet maken: Ik zal vijandschap zetten. — Vijandschap tusschen den mensch en de slang. Door het ware zaad, den Christus Gods.
Let er dus wel op: genade bedoelt dus eigenlijk en feitelijk: bekeering; zij het in den weg van schuldvergiffenis; maar dat er wéér losmaking kome van den band met satan, en dat de band met God wéér vernieuwd worde. - Genade in verbonds-vorm wijst dus op volle waarachtige religie, gemeenschapsoefening met God-Drieëenig.
Het verbond wijst op een verband, op gemeenschap: wij moeten weer Gods eigendom en Hij het onze worden. Dat is de schoone inhoud van dat verbond. En daarnaar zucht ook elke waarlijk naar God bedroefd gemaakte ziel. En dat driewerf zalige heil nu konden en wilden wij in eeuwigheid niet meer bereiken; en toen heeft God zelf het tot stand gebracht. En vandaar mede, dat dit verbond niet wederom verbroken kan worden. God is nu, met eerbied zij het bedacht, aan zichzelf gehouden, Zijn volk het leven te doen beerven.
In zooverre spreekt men dan ook wel van een éénzijdig verbond: God is de steller en de vervuiler tevens, Hij alléén, door zich zelf.
„Gij”......Ik”.
Apeldoorn.
G. Wissse

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Wekker | 6 Pagina's

Gij .... Ik

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 januari 1929

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken