Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Bondszegelen 43

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Bondszegelen 43

5 minuten leestijd

„Geheiligd” uit I Cor. 7 : 14. Wij vonden bij vergelijking van Schrift met Schrift, dat in het Nieuwe Testament dit woord voorkomt van uitwendige heiligheid. Toch beroept prof. H.H. Kuyper bij dezen tekst uit den Corintherbrief zich op Calvijn, om te betoogen, dat deze geniale dogmaticus het met onze kantteekening niet eens zou zijn, en tevens om aan te wijzen, dat de Geref. Kerken in haar leer van subjectieve heiliging de gedachten van Calvijn hebben vertolkt en daarmede de kern der Gereformeerde dogmatiek hebben weergegeven.
Ik stem toe, het zou een niet geringe aanwinst zijn, wanneer men Calvijn aan zijne zijde kon krijgen, want daardoor was aangetoond, dat reeds ten tijde van onze kantteekenaren de Gereformeerde dogmatiek zou verwaterd zijn en er toen reeds Remonstrantsche tendenzen in werden gevonden en dat in oorsprong, ten tijde van Calvijn, de verbondsleer op veel hechter pijlers stond, toen men van geen uitwendige heiligheid wilde weten. Maar is er strijd tusschen Calvijn en onze kantteekenaren? Prof. H.H. Kuyper, en met hem vele anderen in de Geref. Kerken, zeggen: „Ja!” en wij zijn nog zoo vrij een direct „Neen!” te antwoorden.
Laat ons hooren, wat prof. H.H. Kuyper in Hamabdil, blz. 170, zegt. Hij schrijft: „Calvijn, die ook hier van een uitnemenden exegetischen tact blijk geeft, heeft dit „geheiligd zijn van den ongeloovigen man” dan ook geheel anders verklaard. „Ofschoon velen, zoo zegt hij, deze heiliging in verschillenden zin opvatten, laat ik dit eenvoudig op het huwelijk slaan, in dezen zin, het kon den schijn hebben, alsof de geloovige vrouw bezoedeld zou worden door den ongeloovigen man, zoodat hun huwelijksgemeenschap ongeoorloofd zou zijn, maar de zaak staat anders. De godsvrucht van de eene echtgenoote vermag meer om het huwelijk te heiligen, dan de goddeloosheid van den ander om het te bezoedelen. De geloovige kan daarom met een zuivere conscientie met den ongeloovige samenwonen, want zoowel wat het gebruik als de gemeenschap betreft van het bed en het geheele leven wordt de ongeloovige geheiligd, opdat hij door zijne onreinheid de geloovige niet bezoedele. Intusschen baat deze heiliging den ongeloovigen echtgenoot niets, ze heeft alleen in zooverre kracht, dat door zijn huwelijksgemeenschap de geloovige niet bevlekt en het huwelijk niet ontheiligd wordt.
En dan gaat Calvijn verder en schrijft: Paulus ontleent hier een argument aan het gevolg; indien uw huwelijk onheilig was, zouden de kinderen, die daaruit geboren werden, onrein zijn; ze zijn echter heilig, derhalve is ook uw huwelijk heilig. Van deze kinderen zegt Calvijn: „Van nature is hun toestand hierin gelijk, dat ze allen, zoowel aan de zonde als aan den eeuwigen dood onderworpen zijn. Dat de apostel hier echter aan de kinderen der geloovigen een bijzonder voorrecht toekent, dat vloeit voort uit de weldaad des Verbonds, door welke tusschenkomst de vervloeking der natuur wordt uitgedelgd en zij, die van nature onrein waren, door genade aan God worden toegewijd. Hieruit leidt de apostel Paulus in Rom. 11 : 16 af, dat heel het nageslacht van Abraham heilig is, omdat God met hem het Verbond des levens gesloten heeft. Indien de wortel heilig is, dan zijn ook de takken heilig. En God noemt allen, die uit Israël zijn voortgekomen, Zijne kinderen.”
Dit citaat nu van Calvijn, waarin hij den tekst 1 Cor. 7 : 14 verklaart, dient nu als het bewijs, dat hier volgens Calvijn van een uiterlijke heiliging en van een uiterlijk verbond geen sprake is. Volgens Prof, H.H. Kuypjer leidt het geen twijfel of Calvijn heeft hier aan een subjectieve heiliging, aan de genade der wedergeboorte gedacht. Maar ook hier blijkt weer, hoe aprioristisch de Neo-Geref. richting leest. Het gaat o zoo gemakkelijk om te beweren, dat Calvijn, als hij spreekt van „heiliging” en van „Zijne kinderen”, en van „door genade aan God worden toegewijd”, aan niets anders heeft gedacht dan aan wedergeboorte, aan nieuw leven. Maar op die manier leeren wij Calvijn niet verstaan. Wij doen een schrijver nooit recht, door enkele woorden of een enkel citaat van hem aan te halen, maar wie een dogmaticus als Calvijn wil leeren kennen, moet trachten door te dringen tot het geheel van zijn dogmatisch denken. Doen wij dit niet, dan zullen wij Calvijn altijd verkeerd verstaan, en ik zou b.v. op grond van bovenstaand citaat kunnen beweren, dat Calvijn heel het volk van Israël hield voor wedergeboren. Immers Calvijn betoogt in bovengenoemd citaat: „En God noemt allen, die uit Israël zijn voortgekomen, Zijne kinderen”. Maar zou dit niet geheel in strijd zijn met den gedachtengang van Calvijn, die immers ook wel het Schriftwoord heeft gekend „zij zijn niet allen Israël, die Israël genaamd worden”, en die ook heeft geweten van een Ezau, een kind des Verbonds en toch een man der wereld? Wij mogen Calvijn geen verbondsbeschouwing opdringen, die de vader onzer Geref. dogmatiek nooit heeft voorgestaan. Calvijn was een te groot Schriftgeleerde, dan dat hij zich met allerlei scholastische en speculatieve redeneeringen ophield. Men moge later een sterk speculatief element in de dogmatiek hebben ingedragen, van den beginne was de Geref dogmatiek daaraan vreemd!
Calvijns dogmatiek was Schriftuurlijk, wars van allerlei spitsvondigheden, die in later tijd veel schade hebben aangericht op het terrein van het Geref. denken. Een Geref. theoloog is alleen hij, die zich door de Schrift laat leiden en niet aan het denkend subject gewaagde speculaties toestaat. Wij zullen Calvijn zelf zijn eigen woorden laten verklaren.
Apeldoorn
J.J. van der Schuit

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929

De Wekker | 4 Pagina's

De Bondszegelen 43

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 februari 1929

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken