Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De gelijkenis van den Zaaier 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De gelijkenis van den Zaaier 2

9 minuten leestijd

„Het zaad is het Woord Gods.Lukas 8 : 11.

(Het Zaad.)
Alle zaad is niet hetzelfde; elk zaad heeft zijn eigen aard, gelijk de Heere in de schepping het dien gegeven heeft. Wie onkruid zaait, kan niet dan onkruid verwachten als oogst. De landbouwer zal dan ook nauwkeurig toezien, dat hij goed zaad aan den akker toebetrouwt; de wijsheid waarmede God hem onderricht, vraagt het beste uit te zaaien. Dan kan ook de meeste verwachting zijn!
Wat is en wordt er veel zaad gestrooid, dat het zaad niet is!
Dat is begonnen in het paradijs, toen de mensch nog ongerept stond in den staat der rechtheid, waarin hij geschapen was. Toen is de satan gekomen, niet met Gods Woord, doch met zijn woord, en hij heeft het zaad van den twijfel en des ongeloofs gezaaid. En de mensch heeft zijn hart voor dat zaad geopend; het is er ingevallen, heeft wortel geschoten en de akker, die te voren vrucht voortbracht tot verheerlijking des Scheppers, heeft de doodelijke vrucht der zonde voortgebracht. En sindsdien brengt de akker des menschen, gelijk hij van nature is, niet dan zonde en ongerechtigheid voort. Geheel de akker (onze natuur) is verdorven, zoodat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden en ons hart wel een ontvankelijke bodem is voor de ongerechtigheid, doch geen ontvankelijke bodem voor de gerechtigheid. Onkruid, onkruid brengt onze akker voort. En of dat nu „mooi” onkruid is, 't is onkruid. Of het al de gedaante heeft van echt, zuiver koren, de hemelsche Maaier zal er Zijne hand niet mede vullen. Uit ons kan en zal tot in eeuwigheid geen vrucht zijn. Onze natuur is verdorven, of, gelijk de Duische uitgave van den Catechismus heeft, vergiftigd, zoo dat het goede zaad, het zaad des Woords Gods in ons verdorven wordt. Tenzij, en onze ziel merke er op, tenzij wij door den Geest Gods wederom geboren worden. Zonder dat wonderwerk van Gods genade zijn en blijven we, die we van nature zijn.
Deze waarheid ligt echter niet in den gezichtskring van den mensch, die wel beseft, dat het met hem niet is, wat het wezen moest, doch de oorzaak er van niet zoekt in zijn verdorvenheid, maar in een zeker gebrek, door hem in den regel gezien als iets, dat van buitenaf komt. Dat gebrek zoekt de mensch weg te nemen. Uit dat zoeken — ieder mensch eigenlijk eigen — worden de wijsgeeren geboren, de denkers, die richting trachten te geven tot bereiking van een menschheid, die verstaat en begrijpt en daarnaar zal grijpen, wat haar heil volmaakt. IJdel pogen! De akker deugt niet, en — het zaad deugt niet. Hoe zou het ook kunnen? Moet dat zaad niet juist van den akker komen? Zoo brengt de mensch niet, dan wat uit den mensch is! En van den mensch, gelijk hij van nature is, geldt het woord van Hem, die de Waarheid is: „Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een menschenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem” Joh. 8 : 44. Een scherp oordeel, vernietigend voor de wijsheid uit den mensch, het zaad, dat hij tracht uit te zaaien. Of dan de wijsheid des menschen geheel verwerpelijk is en geen goede elementen zou kunnen bevatten voor het maatschappelijk leven? Wij willen dit niet loochenen, maar moeten terstond opmerken, dat het in de gelijkenis van den Heere Jezus gaat om het Koninkrijk Gods, het burgerschap des hemels, om de verhouding, waarin de mensch zal staan tot den levenden God. En dien God, al is het, dat het „kennelijke Gods” in den mensch zich niet onbetuigd laat, dien God kent de menschelijke wijsheid niet. Zoo moge dan de wijsheid uit den mensch voor het tijdelijke leven haar nut hebben; als het gaat over de groote vraag der zaliging der ziel, is zij geoordeeld. Omdat zij is een wijsheid buiten God. Omdat zij het zoekt in den mensch. Omdat zij het verwacht van den mensch. Altijd weer keert zij tot den mensch terug. Al wordt God ook genoemd in de wijsheid van den mensch, dan is het toch niet de levende God. De wijsheid is of Atheïstisch, Godloochenend, of Deïstisch, waarbij God niet meer is dan een belangstellend of in 't geheel geen belangstellend Wezen ten opzichte van hetgeen hier beneden is en geschiedt, of Pantheïstisch, waarbij God en heelal vereenzelvigd worden, dus de persoonlijkheid des Heiligen opgeheven. Hoever staat deze wijsheid af van de wijsheid, die de Heilige Geest schenkt en leert! Zie het in een Rachab van Jericho. Wij kunnen niet denken, dat zij onderricht van menschen dienaangaande ontvangen heeft, maar zij heeft gehoord, wat de HEERE voor Zijn volk geweest is. Dat is aan hare ziel geheiligd en zij spreekt uit, wat waarheid wordt voor een iegelijk, wiens hart de Heere opent, wiens akker Hij ontvankelijk maakt, in wien komt het zaad des Woords; zij spreekt zoo kort en bondig uit de Theïstische belijdenis: Want de HEERE, ulieder God — mijn God kan en mag ze nog niet zeggen — de HEERE, ulieder God is een God boven in den hemel en beneden op de aarde. Joz. 2 : 12. Daar lachen de geleerden om, daar haalt de natuurlijke mensch de schouders voor op. Maar, waarover verheugde zich Jezus in den geest? Hoort het! „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzoo is geweest het welbehagen voor U.” Lukas 11 : 21.
Wat de mensch noodig heeft is de wijsheid, die van Boven is, en er is maar één woord, dat die wijsheid bevat, dat die wijsheid is, het Woord Gods.


Het zaad is het Woord Gods!
Niets meer en niets minder!
Het Woord Gods, zooals het van den 


Heere is uitgegaan, de volle raad Gods. Er zijn er geweest, die onder dit Woord verstaan hebben de verborgen werking des Heiligen Geestes, zoodat het Woord der prediking niet zou zijn het zaad der wedergeboorte doch alleen het zaad der bekeering en heiligmaking. Daarmede is de weg geopend voor de leer eener onmiddellijke wedergeboorte. Dat deze stelling foutief is, wordt duidelijk als we met aandacht lezen, wat de apostel Petrus schrijft, n.l. (I. 1 : 23) Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwigblijvende Woord Gods. En wanneer wij dan vragen, welk Woord de apostel bedoelt, dan verklaart hij zijn eigen woorden in vs. 25, als hij daar zegt: Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het Woord, dat onder u verkondigd is. Trouwens, dat wij te denken hebben niet aan een verborgen spreken, doch aan een hoorbaar en leesbaar Woord, wordt reeds daardoor bewezen, dat de Heiland van een zaaier spreekt, een zaaier, die het Woord zaait. Het gaat toch zeker niet aan, om bij dien zaaier te denken aan God. Of het dan genoeg is, als het zaad maar valt in onzen akker? Wij hebben aangewezen, dat die akker vergiftigd is en dat zelfs het goede zaad van Gods Woord er in verdorven wordt, indien er niets meer plaats grijpt. Maar God kan en wil het zaad des Woords alzoo gebruiken, dat het ook den akker in zijn verdorvenheid aantast, dien akker vernieuwt, van dood levend maakt. Gelijk ook Jacobus (1 : 18) zegt: Naar Zijnen wil heeft Hij ons gebaard door — let wel op dat „door”! — door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen. Het zaad alleen kan dat niet! Zouden anders niet allen, die onder de bediening des Woords leven en zelfs er wel door geroerd worden, ook een nieuw hart en een nieuwen geest moeten ontvangen? Al wie dan tot het volk des Verbonds behoorde, zou ook de goederen des Verbonds onderwerpelijk in zijn bezit moeten ontvangen. En, nietwaar? het is er verre van, dat dit zoo is. Velen, zegt de Mond der Waarheid, velen zijn geroepen, velen zijn dus zij, die de prediking des Woords beluisteren, weinigen zijn uitverkoren. De practijk bevestigt als met den dag dit woord, gelijk heel het Woord van God. Het Woord des Heeren moet dus gezaaid worden. d.i. gebracht onder de menschen tot wederbaring en bekeering. Het Woord des Heeren, d.i. de openbaring van het Wezen Gods in al zijne deugden. Wie eenzijdig dat Woord brengt is geen goed zaaier. Niet slechts liefde en genade, ook gerechtigheid en heiligheid moeten verkondigd worden. Geen halve waarheid van een maar aan te nemen verlossing, en geen halve waarheid van een maar te aanvaarden en uit te meten ellende. Geen waarheid, waarvan de mensch middelpunt en doel is. Maar waarheid, die God handhaaft in Zijne volmaaktheden, die den Heere ten volle recht doet. Zij is oogenschijnlijk tegen den mensch, veroordeelt hem, zet hem in zijn onmacht en onwil, maar laat daarnaast plaats voor den Middelaar Gods en der menschen, den Mensch Christus Jezus. Patrologisch, d.i. uitgaande van en keerende tot God zij de waarheid, die gepredikt wordt in het zaaien, gelijk heet Gods Woord het is. En Christocentrisch, d.i .met Christus in het middelpunt; want alleen in Christus kan God den zondaar ontmoeten, tot hem naderen, opdat Hij hem genadig zij, en alleen in Christus kan de zondaar, getrokken door den Vader tot Hem, God, zijn vertoornden Rechter, als Vader ontmoeten. In Christus, die de Weg, de Waarheid en het Leven is.
Wie zaait, zaaie Gods Woord.
Wie Gods Woord zaait, zal een prediker, een getuige zijn van Hem, Van Wien Johannes in zijn evangelie (1 : 1) spreekt: In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord. Dat Woord (vs. 14) is vleesch geworden.
Hoe noodzakelijk is het dan, dat hij, die uitgaat om te zaaien, niet alleen weet, wat de Bijbel zegt, maar ook den Christus der Schriften, het Woord, kent, als zijn vrijmoedigen Toegang tot den Vader!
F. Lengkeek

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Wekker | 4 Pagina's

De gelijkenis van den Zaaier 2

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 februari 1929

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken