Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 31

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 31

8 minuten leestijd

5:1—20. Christus in der Gadarenen land.
2.
Als hij — de bezetene — nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem. Dit klinkt bevreemdend. Is de ongelukkige niet zoo woest en wreed (Matth. 8 : 28), dat niemand door hem werd ontzien? De verklaring wordt echter gegeven in het 8ste vers: Want Hy zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mensch! Geen worsteling zal er plaats grijpen en de booze zal zijn hand niet slaan aan den Zoon van God en Zijne discipelen. Daarom, reeds in het aankomen van den bezetene klonken hem deze woorden tegen, woorden, die niet den mensch doch den onreinen geest golden, door welken Hij gedreven werd. In dat woord des Heilands hoort, voelt de satan de goddelijke macht. En zie, hij bukt en buigt zich voor den van God Gekomene. Hij aanbad, lezen we. Neen, niet als 'n arm en verloren zondaar, gebogen onder zijn schuld, maar als een, die het zwaard der gerechtigheid boven zich ziet. Het woord des Heilands brengt hem te binnen het oordeel, waaronder hij bestaat en dat eenmaal ten volle aan hem voltrokken zal worden. Hoe belijdt hij te weten, wie Jezus is en waartoe Hij eenmaal weder zal komen. Hij aanbad en erkende daarmede reeds Jezus' Godheid. Maar hij spreekt die ook uit. Met een groote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten! ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt! Wat heb ik met U te doen, eigenlijk: wat aan u en aan mij? Satan erkent de beteekenis van Jezus' komst, maar als een veroordeelde beroept hij zich op het wettelijk (hier: bij God, in Zijn raad) vastgestelde, om uitstel van executie. Het moge komen, maar nu niet! Mattheus (8 : 29) leert ons, dat hij wijst op een tijd, die bepaald is. Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd? Wat vreeselijk staat het met den duivel. Slechts om wettelijk uitstel van straf kan hij bidden; anders heeft hij ook niet te bidden. Hebt gij meer, mijn lezer?
Niet terstond is de onreine geest van den mensch uitgegaan. Hij heeft zijn tegenwerpingen gemaaakt in zijn gebed (?) Hij heeft die laten maken door den mensch, die in zijn macht is, Alzoo heeft de bezetene gebeden voor zijn overweldiger, zijn tyran. En verder zal de satan gebruik maken van hem. Als Jezus hem vraagt; Welk is uw naam? dan antwoordt de mensch niet door te zeggen, hoe hij heet, maar hij antwoordt voor den booze, zeggende: Mijn naam — let op dit „mijn” en het latere „wij”, waaruit de verbijsterende geestesvermenging spreekt; als de bezetene spreekt, spreken de booze geesten; als de booze geesten spreken, spreekt de bezetene — mijn naam is Legio, want wij zijn velen. Een drom van booze geesten heeft bezit genomen van den mensch; legio — het woord staat in verband met legioen, een legerafdeeling van ongeveer 5500 soldaten. Ontelbaar zouden wij zeggen. En verder bidt de mensch. En hij — de bezetene — bad Hem zeer, dat Hij hen — de booze geesten — buiten het land niet wegzond. De slaaf zal zijn meesters moeten volgen en wat moet hij doen in den vreemde? Bij Lukas lezen we: En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond henen te varen. Denk ook hier aan de niet nader te beschrijven eenheid van den bezetene en de bezittende geesten. Hun bede is zijn bede en zij maken gebruik van den schrik voor de hel, die plaats der uiterste duisternis en pijniging, die zelfs den bezetene afschrikt. Niet in den vreemde, niet in den afgrond, de hel! Maar tegenover den Zone Gods kan het niet blijven met den mensch, gelijk het is. En aldaar aan de bergen, langs den oever der zee, was een groote kudde zwijnen weidende, de in het heidensche Gadara geteelde, voor den Jood onreine, dieren. En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen. Zoo zal de mensch zijn dierleven kunnen voortzetten, want de duivelen spreken door den mensch. En Jezus liet het hun terstond toe. Dat is het oogenblik der losmaking van den geheimzinnigen band, die den bezetene gekneld hield; de losmaking van zijne persoonlijkheid uit de omklemming der booze geesten; de losmaking van zijn „ik” uit het „ik” des satans. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee, daar waren er nu omtrent tweeduizend, en versmoorden in de zee. Bettex schrijft in zijn „Symboliek der schepping”: Satan en zijne engelen hebben „hunne eigene woonstede verlaten” (Judas: 6) en zwerven rusteloos op aarde her- en derwaarts (Job 1 : 18), totdat de vurige poel hun tot eeuwige woning wordt aangewezen. En de gevallen geesten trachten menschenlichamen te vinden, of anders zwijnen, om in dat stoffelijk hulsel hunne naakte zielen een weinig tegen den toorn Gods te beschutten. En nauwelijks huizen zij daarin, of zij moeten met onwillekeurige woede ook deze hunne bedekking en huisvesting verwoesten en vernietigen, want de hel is tegenstrijdigheid en zelfmoord; en alle recht op een woning is hun ontzegd geworden.”
Zoo zochten de booze geesten een plaats en vonden ze niet; de zwijnen versmoorden in de zee. Er is geen — wettige — woonstede voor het kwaad.
Dat versmoren dier varkens gaf zijn terugslag. Die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij — de bevolking — gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was. En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd.
Welk een ontroerend tooneel: de eertijds nimmer rustende zittende, Lukas voegt er aan toe: aan de voeten van Jezus; gekleed, alzoo is het beestelijke afgelegd; wel bij zijn verstand, waarin opnieuw het „van Gods geslachte” doorstraalt. Wij zouden zoo zeggen: de Gadarenen moesten verbroken worden bij het zien van de weldaad, den arme bewezen. Er is wel eenige ontroering, want zij werden bevreesd; geen verbreking echter. Zij staan hier voor een macht van kracht en gerechtigheid en heiligheid. die hen beklemt. En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was. Dat was hier wel op z'n plaats, maar zij vertelden ook van de zwijnen. En zie, de weldaad, de Godsdaad der redding, treedt op den achtergrond, en het verlies op den voorgrond. Alles goed en wel, dat de bezetene genezen is, maar — onze zwijnen, ons bezit! Wat zal er nog gebeuren, als Jezus langer in Gadara blijft; dan gaat mogelijk geheel de veestapel er aan. Er is in het materialistisch voelende zondehart geen plaats voor de liefde tot den naaste, maar ook geen behoefte om te verstaan, wie Jezus eigenlijk is en wat Hij beoogt. Gevaarlijk is Hij gebleken voor den grond van hun betrouwen, en — wegjagen, dat durven zij niet — zij begonnen Hem te bidden (het is hun dus wel ernst met die varkens!) zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hunne landpalen wegging. Gaat het u als mij, dan kunt ge dit nooit zonder ontroering lezen. Hoevelen zijn den Gadarenen gelijk! Het stoffelijke, tijdelijke bezit gaat hun boven het eeuwige, geestelijke.
De Heere dring Zich niet op; het komen tot Hem en het aannemen van Hem moet zijn een zaak van behoefte aan Hem, Zoo voldeed Hij aan hun verzoek. En als Hij in het schip ging, bad — hoe geheel anders dit bidden dan al het voorgaande! — bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem zijn mocht Hoe verstaanbaar is deze bede voor ieder, die betrekking gevoelen mag op den Heere; hier is 'n onverbrekelijke band gelegd, Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat groote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij zich uwer ontfermd heeft. De bezetenheid had den band met de zijnen verbroken; genade heelt en versterkt dien. En hij ging heen, en begon te verkondigen — niet alleen aan de zijnen! — in het land van Dekapolis (het land der tien steden), wat groote dingen hem Jezus gedaan had. En zij verwonderden zich allen.
Zoo werd de genezene een prediker van den eenigen Naam onder den hemel tot zaligheid gegeven, een prediker, zooals ieder aan wien de Heere Zich heeft geopenbaard in Zijne ontferming. Dat kan niet ijdel zijn; waar de Heere zendt, zendt Hij tot zegen. Zoo ook hier. Als Jezus later in Dekapolis komt (Markus 7 : 31 v.v.), dan is er plaats voor Hem.
F. Lengkeek

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929

De Wekker | 6 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus 31

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 maart 1929

De Wekker | 6 Pagina's

PDF Bekijken