Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Moederbelofte 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Moederbelofte 2

8 minuten leestijd

„Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad; datzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.” Gen. 3 : 15.

De Heere is gekomen tot den gevallen mensch, doch niet, gelijk de mensch het verdiend had, in vlammenden toorn en wrekende gerechtigheid!
Gij vraagt niet, hoe dat kon; gij weet, dat het alleen kon, omdat de Christus er was, de tot Borg en Middelaar gezalfde, eeuwige Zoon van God. Het is om Zijn „Ik kome, o God, om Uw welbehagen te doen”, dat de Heere komt tot den mensch in genade en ontferming, en, al is het dat het schepsel als berooid wordt van den zegen en het geluk der schepping, zoodat zoo man als vrouw de smart zullen kennen en in voortdurende worsteling zullen zijn met de natuur, ja, met den dood, de Heere legt voor den mensch neder eene belofte van vijandschap, van strijd, maar van strijd, leidende tot overwinning!
Het is tot de slang, het door den satan gebruikte dier, dat de Heere spreekt. In haar tot den satan. Niet rechtstreeks tot den verderver! 't Is, of de Heere te hoog, te heerlijk, te heilig is, om Zich te richten tot den gevallen en uit den hemel uitgeworpen engel, voor wien geen vergeving is, schuldig als hij staat in het, naar engelenmaat, lasteren van den Geest van God! Tot de slang komt het woord en haar treft, als hebbende zich laten gebruiken door den vorst der duisternis, het oordeel der vernedering, dat zij zal gaan op haar buik en dat zij stof zal eten. Maar dan richt de Heere Zich door de slang tot den duivel en in het woord, tot deze gesproken, komt de moederbelofte tot den mensch. Let er op, dat de Heere dus ook niet rechtstreeks den mensch de belofte schenkt. Er wordt hier over den mensch beschikt, over hem, die zijne vrijheid verloren heeft door zijne overtreding. Het is als onder een sluier, dat God Zich kennen doet aan den mensch als den Genadige; maar — toch, Hij doet Zich als zoodanig kennen!
De moederbelofte is eene belofte van vijandschap tusschen slang (satan) en vrouw, tusschen slangen(satans-)zaad en vrouwenzaad; eene vijandschap, waaronder de slang (satan) zal ten onder gaan, doch waaronder ook het vrouwenzaad zal moeten lijden.
Vijandschap zal God zetten.
Als de satan gemeend heeft, het pleit tegen God, want daar gaat het in het diepst der zaak om, gewonnen te hebben, dan moet hem dit woord als een ontnuchtering geweest zijn. Hij heeft gemeend, den mensch, en dat voor goed, de mensch bewandelen; zijn wil zou door den mensch worden gedaan in gehoorzaamheid. En nu — vijandschap! Zoo zal er komen een verzet tegen de dienstbaarheid der zonde, een verzet tegen het anti-goddelijk drijven des satans. De mensch zal weer aan de zijde Gods komen!
Maar hoe zal dat wezen? Ligt niet de mensch in de zonde en onder den vloek? Draagt hij niet de schuld en alles wat als gevolg uit de God-verlating voortvloeit? Is hij niet, naar de dreiging van het proefgebod, overgegeven aan den dood? Is hij niet dood door de misdaden en de zonden; zijn wegvluchten van God en zijne pogingen om zich van de schuld te ontdoen bewijzen het toch? Is hij niet onmachtig onder de zonde, onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad? Is hij niet geneigd God en zijnen naaste te haten? Staat hij derhalve niet gewillig tegenover den satan en onwillig tegenover zijnen Schepper en Formeerder?
Maar die vijandschap zal ook niet opkomen uit den mensch, gelijk hij in zijn val God verlaten en den duivel toegevallen is. Welk een ontwikkeling van geest zijn deel ook moge worden; hoe hij ook vordere in cultuur; welke hoogten hij ook bereike, welke diepten hij ook peile in de onderzoeking van hetgeen hem omringt en van hetgeen in hem omgaat; tot hoe hoogen vlucht zijne rede, gesteund door zijne fantasie, hem ook brenge — het zal hem niet veranderen; hij blijft der zonde vriend, der gerechtigheid vijand. Want alles, wat den mensch bezit, ook aan geestelijke goederen en aan zedelijke beginselen, aan wetenschap en ontwikkeling, het laat den mensch, die hij is, een natuurlijk mensch, die niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn; die niet weet, immers niet met het hart, met zijne persoonlijkheid, dat er een God is, en nog minder, wie die God is; die de zonde als zonde daarom ook niet onderkent, en derhalve ook geen behoefte heeft om God te zoeken; die zich liever voegt naar de grootschheid des levens en de begeerlijkheid der oogen en des vleesches ‚dan dat hij zou vragen naar de dingen, die eeuwig zijn en blijven.
Onmachtig onder de zonde en onwillig onder de zonde — hoe zal van den mensch vijandschap tegen den vorst der duisternis te wachten zijn? Ach, zelfs als hij de zonden vloekt en de overtredingen scheldt, dan doet hij dat van nature niet, omdat de zonde zonde en de ongerechtigheid ongerechtigheid is, maar omdat hij er schade van heeft, omdat hij er zich door bedrogen acht. Niet hij heeft de zonde gedaan en moet daarom de schuld dragen, neen, de zonden hebben hem kwaad gedaan en zij dragen de schuld; in den aard eene miskenning van God en een eeren van den vorst der duisternis, die er zich in verbindt.
Tegenover de onmacht en den onwil des menschen om God te zoeken, staat echter de macht en de wil van God om om te zien naar den mensch. En wat den menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God.
De Heere, de eeuwige Getrouwe aan Zichzelf en aan Zijn verbond, stelt tegenover de gewillige slavernij aan den satan, tegenover het dood zijn door de zonden en de misdaden, tegenover de macht van den duivel en ons vleeschen-bloed Zijn souverein woord: Ik zal!
De Heere spreekt, de Almachtige, en wat Hij spreekt, zal Hij doen komen. Zal Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? Menschen woord is dikwijls gelijk aan stof, dat verwaait; satans woord een ijdele damp, maar Gods woord is een daad; die daad moet komen en kan niet uitblijven.
Ik zal, spreekt de Heere, en daarin ligt de zaligheid voor degenen, voor wie de Heere zal. Het is het zullen der genade, gegrond op het eeuwige welbehagen des Allerhoogsten, Wiens raad zal bestaan en Die al Zijn welbehagen doen zal. En het is Zijn welbehagen, dat de mensch, van hem vervreemd door en in zijn val, weer met Hem in eene verzoende betrekking komen zal. Het is Zijn welbehagen, dat de mensch aan den satan den dienst zal opzeggen, en Hem zal dienen in oprechtheid en kinderlijke vreeze. En daarom moet er vijandschap komen tusschen slang en vrouw, tusschen slangenzaad en vrouwenzaad!
God doet dat — neen, niet door den mensch door ontwikkeling wat hooger te brengen — Hij doet dat door den mensch een nieuw hart en een nieuwen geest te schenken in de wederbaring door Zijn Woord en Geest; een nieuwen geest, die de dingen, welke des Geestes Gods zijn, begrijpt en verstaat, en zich daardoor door de diepte der schuld heen opheft tot de Heere; een nieuw hart, dat naar God gebogen geen andere spijze begeert dan die voedt tot het eeuwige leven. In de wedergeboorte wordt den mensch niet maar iets toegevoegd, neen, hij wordt een nieuw schepsel. Gelijk de schepping des menschen was een scheppen tot God, zoo is het ook weder door de wedergeboorte: een nieuw schepsel tot God geschapen.
En wie tot God geschapen is, heeft de liefde Gods in het hart uitgestort! En wien de liefde Gods in het hart is uitgestort, die kan geen vrede hebben met de zonde, met de slavernij des satans; die is in vijandschap tegen den satan gesteld!
Hoe wordt de moederbelofte nog heden ten dage door den getrouwen Belover nagekomen!
Zijne trouw schittert in de verootmoediging van elken zondaar, die daar mag neervallen voor den Heere!
Zij wordt gepredikt in het toevluchtnemen desgenen, die gansch ontbloot is!
Vijandschap tegen den satan en zijne dienstbaarheid spreekt uit de zieletraan, geschreid wegens het missen van God!
Vijandschap — overal waar de waarachtige bekeering tot den Heere gevonden wordt en het haten en vlieden van de zonde levensbehoefte der ziel is!
Wij zullen niet gemakkelijk er toe komen om vijandschap te roemen, maar deze vijandschap noemen we een zalige vijandschap!
Kent gij haar?
F. Lengkeek

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929

De Wekker | 4 Pagina's

De Moederbelofte 2

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 december 1929

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken