Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over den Moloch onzer eeuw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over den Moloch onzer eeuw

6 minuten leestijd

Van verschillende zijden is mij gevraagd of ik, als ik gelegenheid kon vinden, niet iets ten beste kon geven meer bepaald voor het christelijk denken; b.v. over het pantheïsme. Al bemin ik zelf nu zéér het stichtelijk element, ik erken, er zijn ook behoeften op denkgejbied (in engeren zin dan bedoeld) die om bevrediging roepen. Misschien is het niet zoo groote kring van lezers, die in zulke onderwerpen belang stellen? Ik weet het niet, maar zoovelen of zoo weinigen er dan mogen zijn, zij hebben er recht op, dat ook speciaal voor hen eens geschreven wordt. Daarbij: hoevelen, al behooren zij nu niet direct tot het ,.denkend deel der natie”, zijn er niet, die toch wel eens door de levensvragen van onzen tijd worden gekweld, die er althans wel eens iets meer van willen vernemen.
Genoeg. Hoe het ook zij, ik wil den eerstvolgenden tijd dan gaarne iets ten beste geven, meer bepaald op christelijkwijsgeerig gebied. En het lijkt mij werkelijk niet ondienstig, om over het Pantheïsme te schrijven. Te meer daar goeddeels alles wat als „nieuwe” religie in onze eeuw zich aanbiedt, in zijn grond en wortel pantheïstisch is. We zullen straks dit woord wel nader verklaren.
Dus gaan we over pantheïsme handelen; natuurlijk in verband met Christelijke religie.

Neander, de bekende kerkhistorieschrijver, noemt het pantheïsme den Moloch onzer Eeuw.
Zeer terecht. Dit schreef hij echter in de 19de eeuw. Thans geldt dit in nog verscherpten zin. Als men in onze dagen niet meer gelooft in den Gpd des bijbels, maar als men dan tevens blijk geeft, het toch ook niet zonder God te kunnen doen, dan werpt men zich in een of anderen vorm in de armen van pantheïstische z.g.n. religie.
Het is merkwaardig, hoe met name tweeërlei den menschelijken geest geen rust laat. Alle eeuwen door.
Het is allereerst de vraag over God.
God; Gods bestaan. Zijn wezen enz.; ziedaar een zaak, de zaak, welke den mensch nooit met rust Jiet en nimmer laten zal.
Een vraagstuk is dit eigenlijk niet. Een vraagstuk n.l. in dezen zin: alsof het door redeneering bewijsvoering of diergelijke kan vastgesteld, uitgemaakt worden, dat God bestaat.
God is veeleer het eenige (de eenige) die boven en buiten alle vraagstuk bestaat.
Allen, die er een vraagstuk van zouden willen maken, een vraagstuk in den gewonen zin des woords, bewijzen feitelijk, dat ze nog niet er aan toe zijn, om te weten, waarover zij het nu eigenlijk hebben.
Dit geldt allen z.g.n. vrijdenkers en godloochenaars, die u aankomen met hun: bewijs eens enz.
In die fout dreigen nu op hun beurt feitelijk ook te vallen zij die b.v. het wèlbestaan willen ondernemen te bewijzen.
Neen, God is niet in de sfeer van het „vraagstuk” te betrekken of ge zoudt daardoor alvast het godsbegrip zélf vertroebeld hebben.
God is n.l. zulk een realiteit, zoodanig een „wezensheid”, dat Hij wel erkend, als ook verloochend kan worden; maar nu eenmaal niet valt binnen de sfeer der problematische dingen. In onderscheivan alles is God de eenige ware realiteit, de realiteit aller-realiteit, de; Zijnde in alle absoluutheid.
Men zegt wel eens: God is te hoog, te groot dan dat Hij voorwerp van debat kan zijn, dan dat Hij kan bewezen of gedefinieerd worden.
De bedoeling dier redeneering is zeker goed, maar toch is deze redeneering niet ten volle juist, althans niet volledig.
We vragen hier: waarom is God zoo groot boven al het andere; waar schuilt dat verhevene toch in? Is dat nu zóó, dat God meer is dan wij, meer dan de stof, meer dan de wereld, meer dan alles? Eigenlijk en feitelijk is dit niet precies juist gedacht. En daardoor, bij deze wortelfoutiviteit in ons denken en handelen over God, ontstaat nu allerlei misverstand; en geven we ons noodeloos bloot aan allerlei giftige critiek-pijlen van de zijde der vrijdenkers, materialisten enz. enz. Dan wordt van God een groot schepsel gemaakt. En dan valt God, hoe men het ook keert, ten slotte binnen den cirkel van het door het verstand volledig beredeneerbare, en dan, ja dan... natuurlijk, dan komen de bezwaren over de z.g.n. tegenstrijdigheden; dan vinden we al spoedig steenen des aanstoots, enz.
Neen, dat „eigendommelijke” in God, (als ik het zoo moge zeggen) schuilt in iets anders. God is het boven en buiten onze beredeneerbaarheid staande, omdat Hij niet maar grooter is, maar omdat Hij bepaald ...... iets anders is dan wij en de wereld, iets anders dan alle geworden zijn. Hij is het ongewordene, het absolute Zijn; in alle absolute absoluutheid, hetwelk ook het bewuste-zijn insluit; Hij: de Zijnde; de Jehovah (Jahwe). In deze „Zijnsheid” Gods klopt om zoo te zeggen de aard des goddelijken Wezens.
In normale omstandigheid, d.w.z. bij openbaring Gods van zich aan ons; en bij zuivere, onbedorven ontvankelijkheid bij ons, zal de erkentenis Gods spontaan, ongedwongen onbewezen, als bewezen door - zichzelf zijn, en zou alle bewijs vermindering van de waarde en kracht van ons geloof in God moeten heeten.
Al wie een bewezen God zoekt, vraagt naar een verlamd geloof in God; dit ware geen zuivere getuigenis aangaande God.
Wij kunnen van Hem getuigen. Dat is de spontane reflex op Zijn openbaring. Wij kunnen, dank zij het feit der zonde, dat getuigenis versperren. Maar bewijzen, beredeneeren, dat zal moeten afgewezen in naam van Gods absolute Wezensheid.
Gelooven in God kunnen we; ook niet gelooven. Ziedaar alles. Maar dat is ontzaglijk veel. Gelooven wil hier zeggen: niet, dat ik ’t niet zeker weet, en niet kan voor elkaar praten en ’t nu maar ...... aanneem. O neen, maar het wil zeggen: de vonk, de straal uit de eeuwige absolute Zijnsheid heeft zóó mijn tijd-ruimtelijke gewordenheid getroffen, dat ik het veel zekerder weet, dan door eenig bewijs of redeneering, zoodat ik er nu getuigenis van geef in mijn geloof.
En merk er nu maar op: aan dat z.g.n. bewijzen of weerleggen bij den mensch gaat altijd het al of niet geloof vóóraf.
Inmiddels ontga het onze aandacht niet, dat „God”, die ontzaglijke zaak, den mensch geen rust laat. Alle eeuwen door. Bij erkenning beroert en vervult het ons gansche leven in tijd en eeuwigheid. Bij loochening ... slaan toch telkens in de geestesworsteling der menschheid, de „eeuwigheidsvlammen” uit zijn plankenstof-huis weer uit.
En dan komt er een tweede zaak.
Die onzen geest al evenmin met rust laat. Daarover D.V. de volgende maal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930

De Wekker | 4 Pagina's

Over den Moloch onzer eeuw

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1930

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken