Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Bondszegelen (63)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Bondszegelen (63)

5 minuten leestijd

Om deze Coccejaansche verbondstheologie in haar wording te zien, moeten wij teruggaan tot den aanvang onzer christelijke jaartelling.
De geschiedenis leert ons voortdurend, dat ketterijen meestal een historischen achtergrond hebben en niet los staan van het verleden. Dikwerf kunnen wij spreken van „oude ketterijen in nieuwe kleederen”.
Zoo ook Coccejus, die een al te groote splitsing stelde tusschen Oud en Nieuw Verbond en die, door zijn historische methode verleid, het verbond onder Israël slechts als een nationaal verbond erkende, heeft zijn voorloopers gehad. Al heel spoedig in den aanvang onzer christelijke jaartelling ontbrandde de strijd over de eenheid van het Oud en Nieuw Verbond.
Er waren er, die geheel de verbondsrelatie in het Nieuw Testament ontkenden en die niets liever zagen dan dat het Christendom een hervormd Jodendom zou zijn.
En hiertegenover kwam een richting op, welke tegen deze Joodsche elementen wilde te keer gaan en een wezenlijk verschil stelden tusschen het verbond dat God met de Joden en dat Hij met de. Christenen had opgericht.
De eerste richting heette het Judaisme, de andere het Marcionisme.
Voor dit Judaisme was het volk der Joden alles en de overige volken namen een zeer ondergeschikte plaats in. Er waren er maar weinigen onder de Joden, met name onder de bekeerde Joden, die zulk een universeelen blik hadden als de groote Heiden-apostel Paulus. Paulus zag den Jood en den Heiden als de typeering van de massa, waaruit God Zijn volk, d.i. het Israël Gods, zou roepen tot het litht.
Niet het nationale stond bij Paulus op den voorgrond, zooals dit wel was bij den apostel Petrus, maar veeleer was zijn leuze „In Christus is noch Jood, noch Griek, noch Barbaar, noch Scyth, noch dienstknecht, noch vrije, maar Christus is alles en in allen. Het judaisme kon dit rijke universeele standpunt niet benaderen, maar bleef te veel verward in de strikken van Joodschen trots.
De beteekenis van het kruis van Christus drong tot dit Judaisme niet door.
Zelfs een Petrus heeft oogenblikken in zijn leven gekend, dat hij dit Joodsche standpunt heeft gesterkt en wij lezen, dat Paulus een Petrus in het aangezicht wederstond, omdat hij heulde met de Joden.
Het Judaisme kon maar niet begrijpen, dat het niet meer ging om den Jood, maar om een iegelijik, die in Christus geloofde en vergeving der zonden ontvangen zal in Zijnen naam.
Deze geestelijke eenheid in Christus, breekt den nationalen trots van den Jood en wanneer heden ten dage deze nationale trots weer te veel wordt gevoed, wanneer de Jood als natie en niet het Israël Gods vooraan treedt, dan kan dit alleen zijn, doordat men niet diep genoeg de beteekenis van het kruis van Christus en de eenheid van het genadeverbond heeft ingedacht.
Wie onder Israël aan een nationaal verbond wil denken, breekt niet alleen aan de eenheid der kerk, maar geeft aanleiding, dat bij den Jood het nationale ten topigfunt wordt gevierd en dat de oude strijdvraag „Wie van ons de meeste” weer op de erve van het Koninkrijk Gods verdeeldheid zaait.
Heel het Joodsche denken is tot op den dag van heden doordrongen van de gedachte aan een komenden Koning en Zijn rijk. Nu is die gedachte, mits schriftuurlijk gegrepen, zeer goed en het herinnert ons aan het woord van den Heiland op de vraag van Pilatus „zijt Gij dan*een Koning”. „Gij zegt dat Ik het ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen.”
De fout echter van het Jodendom is geweest, dat het de gedachte aan een Koning en Zijn Rijk heeft gesaeculariseerd d.w.z. de Jood begon te meenen, dat zijn volk door den Messias tot een politieke heerschappij zou gebracht worden.
Wereldsche politiek begon de hoofdrol te spelen en men stelde den Messias voor als een tweeden David, die de Joodsche natie in haar macht en heerlijkheid zou herstellen en het juk der vreemde heerschappij zou afschudden. De Apocriephe litteratuur is van deze Joodsche Messiasidee vol en prikkelt zeer sterk den Joodschen nationalen trots.
Voor den aardsch gezinden Jood spiegelde Jeruzalem zich af als een stad op aarde, iegelijk Rome was in het glanspunt van haar macht.
In deze Joodsche gedachte wereld trad Christus op en de vraag is van groote beteekenis, hoe de Heiland stond tegenover deze verwachtingen?
Heeft de Heiland dit nationale van het Jodendom aangemoedigd en allen nadruk gelegd op het nationaal verbond?
Of was het veeleer, dat Christus tot de geestelijke kern doordrong, zoodat het niet ging over nationale afstamming, maar over de geestelijke waarde van den mensch?
Heeft de Heiland zich een koninkrijk gedacht met den Jood als vooraanstaande of heeft Hij veeleer zich sterk gekeerd tegen alles, wat slechts aanleiding kon geven om het Jodendom in zijn ijdelen waan te stijven?
Hierop is het antwoord niet altijd eenstemmig. Sommigen hebben beweerd, dat de bedoeling van Christus wel ter dege geweest is om het Jodendom tot zijn nationalen luister te brengen.
Wij zullen zien, wat hiervan aan is.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 November 1930

De Wekker | 4 Pagina's

De Bondszegelen (63)

Bekijk de hele uitgave van Friday 28 November 1930

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken