Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Hallelujah! (6)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Hallelujah! (6)

6 minuten leestijd

Psalm 148:1, 20

Het Hallelujah is er, terstond bij de wedergeboorte; de wedergeborene moet dit Hallelujah leeren verstaan en overnemen.
Dat wordt een weg van strijd, want het Hallelu-Haädam verzet zich tegen het Hallelujah.
Zoo schreven wij voor Kerstmis.
Een weg van strijd! Onze ouden hadden de gewoonte wel, om hun, in wien het werk der genade verheerlijkt was, zoodat zij gekomen waren tot het leven dat uit God is, toe te roepen: Welkom in den strijd!
En dat terecht, want het Hallelujah wordt geboren in een het-vijandige omgeving.
Dat die omgeving zoo vijandig is, wordt niet altijd toegegeven door den onbekeerde van hart. Er zijn er, ja, die hunne vijandschap tegen God en goddelijke zaken als uitschreeuwen, voor wie de loochening van God en Christus een hartstocht is, die, al weten zij niets van Nietsche en zijn leer af, toch echte volgelingen van hem zijn in hun haat tegen den Heere en Zijn Gezalfde. Denk slechts aan den bond van godloozen in Rusland, en vergeet dan niet, dat de bodem voor zulk een bond ook in ons land gevonden wordt, ja, dat hoe langer hoe meer het zaad der godloosheid overal ontkiemt. Voor de zoodanigen bestaat er eigenlijk slechts één wezen; in de theorie: de staat of de menschheid, in de praktijk: de enkeling, in wien zich de mensch heeft te ontwikkelen tot een allen en alles overheerschende macht.
In alle toonaarden herhaalt de mensch buiten God het Hallelu-Haädam!
Niet alleen evenwel in het kamp der openlijk met God en Zijn dienst gebroken hebbenden. Ook daar, waar men, zonder of met kerstboom, nog kerstfeest viert en zijn „Stille nacht, heil’ge nacht” zingt; waar men verstandelijk zich vermaakt in de „redelijkheid”, het „logische” der christelijke leer; waar men gemoedelijk veel voelt voor die leer, inzonderheid voor het „nauwelijks zalig worden van Gods kinderen”; waar men met alle krachten ijvert voor de komst van het Koninkrijk Gods; waar men, door aard en karakter als voorbeschikt en door opvoeding er aan gewend, zich gewilliglijk voegt onder den dienst des Woords en alle dwaling verwerpt, die tegen dat Woord ingaat; waar men zelfs den mond vol heeft van de verdorvenheid van het menschelijke hart en de noodzakelijkheid der genade en de souvereiniteit Gods in het behoud van zondaren met alle kracht leert en verdedigt. Ook daar kan het zijn, dat men, voor het uiterlijke opgaande in het Hallelu-Jah, het Hallelu-Haädam, voor eigen bewustzijn, evenals voor de menschen, mogelijk verborgen, uitentreure repeteert.
Onbekeerd is onbekeerd, wat vorm van denken en spreken en handelen men hebbe!
Dit treedt voor den betrokkene eerst duidelijk aan den dag, als het Gode behaagt Zijn genade aan hem te verheerlijken. Eerst dan wordt de mensch recht ontdekt aan zijn zelfzucht en zelfdienst en zelfverheerlijking, aan zijn Hallelu-Haädam.
Stond het nu zoo, dat bij en in de bekeering het Hallelu-Haädam stierf, zoodat enkel de herinnering er van overbleef, dan zou er van strijd tusschen de beide Hallelu’s geen sprake zijn. Het is echter niet zoo! ‘s Heeren weg met de Zijnen is anders; de bevrijding van zonde en ongerechtigheid in volkomenheid wacht aan het einde van den weg en wordt niet aan het begin geschonken. Nu is er strijd tot het einddoel toe!
De geloovige toch is een tweemensch; hieraan wordt hij in het opwassen in de genade steeds meer ontdekt, zoodat hij ook steeds sterker leert kennen de beteekenis der genade. Een driekoppige vijand is het, die het genadeleven zoekt te dooden; de satan, die het Hallelu-Haädam uitvond voor den mensch, dien hij van God aftrok door zijne verleiding, de wereld, die het Hallelu-Haädam pronkerig voort in haar vaandel, en het vleesch-en-bloed, dat het Hallelu-Haädam, soms onbedekt, doch meestal toch bewimpeld, eert en koestert. De verlossing van dien driekoppigen vijand wordt in dit leven niet gekend dan in die oogenblikken, waarin de ziel, door den Heere als opgeheven uit en boven den strijd, zich verblijden mag in Gods gemeenschap en het zoete en zalige van Zijn heil mag smaken.
Hoe zwaar die strijd wezen kan, wordt ons door den Apostel Paulus geteekend in den brief aan de Romeinen. Lees eens met aandacht het zevende hoofdstuk van dien brief en ge zult bemerken, hoe doodelijk de vijandschap is, waaronder het genadeleven te lijden heeft. Niet, dat de vijandschap het genadeleven zou kunnen dooden, dat niet; de drieëenige God zelf is Borg voor het onvergankelijke dezes levens! Maar satan, wereld en vleesh-en-bloed haten dat leven met een doodelijken haat, en het gaat dan ook in de verleiding tot zonde, in de aanvechtingen en bestrijdingen niet maar om wat last te veroorzaken; dieper grijpt het in, want het gaat om God in dat leven.
Hoe zwaar is dikwijls die strijd! Hoe tracht het Hallelu-Haädam het Hallelu-Jah te overstemmen, te doen zwijgen! Voor droefheid naar God willen de vijanden hebben droefheid naar de wereld; voor lust om God te dienen in volkomenheid de lust der zonde; voor onderwerping aan den Heere den opstand; voor de lof zegging Gode de verheerlijking van den mensch; voor de belijdenis van schuld het ontkennen der ongerechtigheid; voor de beteugeling der hartstochten het botvieren er van; voor maar waar zouden wij eindigen, als wij al de tegenstellingen wilden maken, die er te maken zijn. Laat ons ze samenvatten in deze: voor het naar God het tegen God; voor het Hallelu-Jah het Hallelu-Haädam!
Hoe menigmaal zwijgt het Hallelu-Jah in den weg der zonde! Hoe dikwijls onder heftige hestrijding van den vorst der duisternis! Hoe vaak in de macht van den hartstocht! Wie van Gods kinderen ontkomt aan de bekoring der wereld, de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens? Wie moet niet klagen, telkens klagen, dat „zijne voeten, niet bijna, maar in werkelijkheid uitgegleden zijn van het spoor der godsvrucht”? En kwam het nog maar altijd spoedig tot de rechte klacht! Soms is er heel geen klacht, of zij bestaat slechts in een voorwerpelijk bekennen zonder schuldgevoel voor God!
In de ware klacht ligt nog het Hallelu-Jah; eveneens in de ware blijdschap des levens, in de rechte behoefte!
Dat Gods kind nog zoo menigwerf mede instemt met den satan, de wereld en vleesch-enbloed in het Hallelu-Haädam, zie, dat wordt zijne ziel de grootste bitterheid. Want wat uit God geboren is, kan er niet bij leven; dat haakt naar het Hallelu-Jah; dat zoekt God en Zijn heil; dat hongert naar gerechtigheid en waarheid. Hoe kan ieder van ‘s Heeren volk het verstaan op zijn tijd, dat de Apostel Paulus juist daarom dat sterke stervensverlangen uitschreit, als hij zegt: Ik, ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? En hoe wordt ook, op de hoogten des geloofs, de betuiging des Apostels vernomen: Ik dank God door Jezus Christus onzen Heere!

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Hallelujah! (6)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken