Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Veluwsche brieven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Veluwsche brieven

5 minuten leestijd

Waarde Broeder! Er is eenig oponthoud gekomen in ons schrijven over het onkerkelijke en buiten- kerkelijke leven onzer dagen, over het gebrek aan eerbied voor en trouw aan de kerk als instituut. Wij eindigden met de vraag, wat daartegen te doen was.

Wanneer ik naar aanleiding van deze vraag het een en ander schrijf, dan stel ik mij niet voor, dit te zullen kunnen doen, zonder dat er vragen overblijven. Ook maak ik mij geen illusies, dat de kwaal, waarover het gaat, door de aanwijzing van middelen zal worden weggenomen. Middelen moeten gebruikt worden; geneesmiddelen moeten worden ingenomen of aangewend; eerst dan is er kans, dat ze helpen. Het gaat echter op geestelijk en ook op kerkelijk gebied, zooals het menigmaal gaat op dat der lichamelijke gesteldheid: de voorschriften kunnen goed zijn, maar het ontbreekt den patiënt soms aan lust, aan den moed, aan de volharding, ze op te volgen. Gezien de mentaliteit, de geestesgesteldheid, is er werkelijk reden tot pessimisme oftewel weinig hoopvol gestemd zijn.
Wat toch noodig is, is niet minder dan bekeering, en bekeering is voor vele menschen eene kostelijke zaak om er over te praten, maar dikwijls zijn er zooveel „maren”, dat het tot de bekeering zelf niet komt. Bekeering vraagt zelfverloochening, vraagt het offer te brengen van den eigen wil, van onszelf. Wie is daartoe maar zoo bereid? Zelfs voor bekeerde menschen is bekeering een zaak, waar ze niet aan willen, hoe zal het dan zijn met onbekeerden, die we toch ook in de kerk hebben? Toch — het woord der vermaning tot bekeering schijne een dwaasheid — het mag niet achterwege blijven. Wat den menschen onmogelijk is, is mogelijk bij God!
In de eerste plaats, zouden wij zeggen, make men eens ernst met de Kerk! Aan dien ernst ontbreekt het zeer velen! Wat is de Kerk? Een instelling van menschen of eene instelling Gods? Is zij Godes, dan zullen wij verstaan, dat wij ook eenmaal Gode rekenschap zullen te geven hebben van onze verhoudingen tegenover haar, hetzij wij het gezocht hebben binnen haar of buiten haar. Geven wij ons daarvan wel genoeg rekenschap? Ik geloof, dat dit veel te weinig gebeurt, en dat men daarom zoo gemakkelijk onkerkelijk en zelfs buiten-kerkelijk leven kan. Practisch handelt men, of de kerk is eene soort van menschelijke vereeniging, waarvan men lid kan zijn en het evengoed niet kan wezen. Houdt men theoretisch nog vast aan de belijdenis: ik geloof eene heilige, algemeene christelijke kerk, dan vat men dat „algemeene” zoo algemeen op, dat de kerkvorm tenslotte geene beteekenis meer heeft. Onze tijd, met zijn verregaande versplintering, schijnt den zoodanigen een sterken steun te geven. Er zijn er, die zoowat overal hebben rondgezworven, en verschijnt er morgen aan den dag een andere gemeenschap, die zich als kerk aandient, welaan, zij zijn van de partij. Treuren over de breuke der kerk is hun vreemd; het is veel te gemakkelijk, dat er zooveel verscheidenheid is.
Toch — dit zult ge gevoelen — wij zijn èn tegenover den Heere èn tegenover het volk des Heeren èn tegenover onszelf verplicht, dat wij ons ten opzichte van de kerk degelijk onderzoeken. Tegenover God en Christus — want wij worden geroepen in ‘s Heeren wegen te wandelen en ons naar Zijn Woord te voegen bij de gemeente. Tegenover Zijn volk — want zoo wij, misschien onder een schoon voorgeven, ons naast en eigenlijk boven dat volk plaatsen, in stede van met dat volk op te trekken, zoo geven wij ergernis en zijn oorzaak, dat de zwakken onder dat volk eveneens hunnen ernst ten opzichte van de kerk verliezen. Tegenover onszelf, want niet in het omzwerven buiten de kerk ligt zegen, doch in hare gemeenschap.
Wie in de eene of andere kerkformatie geboren is, heeft zich, als tot haar behoorende, bij haar te houden, tenzij noodzakelijkheid besta, haar te verlaten. Niet om allerlei redenen dus, maar alleen uit oorzaak van noodzakelijkheid. En die oorzaak van noodzakelijkheid kan er alleen zijn, als de kerk waartoe men behoort, de kenmerken der ware kerk niet meer vertoont. Maar zoolang die kenmerken er zijn, zoolang zal men zich ook houden bij zijne kerk. Het gaat er dus niet over, of in onze gemeente een dominé is, die ons in alle opzichten voldoet, of er in den kerkeraad soms menschen zitting hebben, die ons persoonlijk niet bevallen, of er mogelijk quaesties zijn, die naar ons oordeel niet zijn behandeld, gelijk het behoorde, enz. enz. Alleen dan, als onze kerk als kerk zich verloochent, zoodat zij niet meer zijn zou draagster der goddelijke waarheid in kennis, gerechtigheid en heiligheid, zij het met gebrek, maar eerst dan zou het geoorloofd, ja geboden zijn, haar te verlaten. De kerk, die haar kerk-zijn verkracht, pleegt hoererij!
Wie tot eene kerk behoort, wete, waarom hij tot haar behoort!
Wie eene kerk verlaat, verlate haar niet zonder de, voor hem dan, bestaande noodzakelijkheid.
Geve de Heere ons in elk opzicht getrouwheid naar Zijnen wil!
Met vr. br. gr.
t.t.

L.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Veluwsche brieven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 januari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken