Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Opmerkingen en gedachten van wijlen Docent F.P.L.C. van Lingen. (17)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken

Opmerkingen en gedachten van wijlen Docent F.P.L.C. van Lingen. (17)

13 minuten leestijd

Zelfbeproeving. — Niets is zoo zeer noodig voor den mensch als onderzoek van zijn toestand, omdat niets zoo gevaarlijk is als zelfbedrog.
De moeilijkste wetenschap is die van ons eigen hart, omdat zooals de Heere door Jeremia (17:8) zegt „Het hart des menschen is arglistig, meer dan eenig ding, ja doodelijk.” Zelfs zoozeer is de mensch voor zichzelven verblind, dat op de vraag: „Wie zal het kennen?” alleen de Heere Zelf kan antwoorden: „Ik doorgrond het hart en proef de nieren.” Bedriegt men zich in wereldsche zaken, dan kan het tot groote schade zijn, maar in hetgeen onze onsterfelijke ziel aangaat, kan de schade zoo oneindig groot en onherstelbaar zijn. De Heere waarschuwt zoo ernstig (Matth. 7:24 v.v.): „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Velen zullen te dien dage zeggen tot Mij: Heere, Heere! hebben wij niet in Uwen naam geprofeteerd en in Uwen naam duivelen uitgeworpen en in Uwen naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt.” Paulus dringt er zoo krachtig op aan, als hij schrijft (2 Cor. 13:15): „Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt; beproeft uzelven!” Ook tot Israël kwam reeds de drang, als de profeet (Zef. 2:1) waarschuwde: „Doorzoek uzelven nauw, ja doorzoek u nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt. Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt.” Zoo dan mogen wij elkander wel toeroepen met Jeremia (Klaagliederen 3:40): „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken!” en bidden met den psalmist (26:2):

„Beproef vrij, van omhoog.
Mijn hart, dat voor Uw oog.
Alwetende! steeds open ligt . . . .”

De toetssteen, ons gegeven, is het Woord van God. Naar dat Woord hebben wij te vragen of in ons wel de diepte der vernedering is met de verhooging van God. Hoe meer de genade in ons werkt, des te kleiner worden wij, des te grooter zijn onze zonden, maar des te heerlijker wordt ook de Majesteit Gods en het werk der verlossing. Verflauwt het leven, dan worden de afwijkingen dragelijker, de scherpe zijden van de zonde slijten af; maar hoe krachtiger het leven is, des te grooter wordt de droefheid over een vergeten van God en over flauwheid der liefde en zwakheid in het gelooven.
Een kind van God wordt steeds meer kind, of anders is ’t er geen.
Wij brengen onze kinderen groot; God maakt de Zijne klein!
„Gods genade”, zegt J.A. James, „is als de dauw, welke het meeste neervalt in de dalen, en het langst blijft liggen in de schaduw.”
Een goudsmid kan bij het onderzoek van goud met zijn toetssteen tot waarheid komen, maar een oningewijde niet. Zoo is het ook met den Bijbel. Wij hebben daar bij het licht, de onderwijzing van des Heeren Geest noodig. Buiten dien onfeilbaren Leermeester gaat men vertrouwen op zijne goede werken, op gevoelige oogenblikken, op herinneringen van teksten, welke men dan voor zich pasklaar maakt, op wetenschap en andere uitwendige hoedanigheden en gaven. Wilt gij daarom uzelven beproeven, zoo laat, met uwen bijbel voor u, uw gebed zijn. „Doorgrond m' en ken mijn hart o Heer!” (Ps. 139:14), opdat u het verwijt niet treffe, dat tot de Emmaüsgangers kwam, die slechts ééne zijde der Heilige Schrift geloofden en waar het juist op aankwam ongebruikt lieten liggen. (Lukas 24 . 25). Wij hebben onszelven wel gedurig af te vragen: wordt het gebed mij wel meer en meer behoefte, en kan ik wel waarlijk alle mijne begeerten Hem bekend maken? Wordt mijn lust in de dingen van het Koninkrijk der hemelen sterker of is er verslapping? Word ik losser van hetgeen de aarde mij biedt, geld, eer, zingenot, of gevoel ik, dat mijn hart er meer naar uitgaat? Rijst mijne lievelingszonde, mijne begeerlijkheid meer in mij op, of wordt de invloed daarvan minder? Gevoel ik, de verstoordheid tegen menschen meer in mij opkomen, of heb ik behoefte om voor mijne vijanden te bidden? Begin ik mij meer op mijn gemak te gevoelen bij de kinderen der wereld en behagen mij hunne wereldsche gesprekken meer dan vroeger? Wordt het volk Gods mij dierbaarder, en is hun taal, hun gedachtenkring ook de mijne? Ben ik tevreden met het van God mij beschoren deel, kan ik gemoedigd het mij toegezonden lijden dragen; durf ik met het oog op God de toekomst blijmoedig tegengaan, ondanks alle dreigende wolken? Ziet, deze vragen en zoovele meer kunnen wij onszelven doen en is het ons dan waarlijk te doen om waarheid, dan zal het ons wel duidelijk worden, hoe het met ons gesteld is. Een heidensch keizer, Titus, was gewoon zich iederen avond af te vragen, hoe hij geleefd, wat hij gedaan had. Zoude dat een Christen niet voegen? De vrucht van dat zelfonderzoek is, dat wij opnieuw worden verwakkerd om te waken en genade van God af te bidden. Wij zullen zeker, daar wij de schuld dagelijks grooter maken, ons meer verootmoedigen voor God en, erkennende hoeveel ons ontbreekt, meer leeren, dat wij de zaligheid niet in ons maar in Christus moeten zoeken, terwijl omgekeerd weder hoe meer wij in Christus vinden, des te méér ons hart gestemd wordt voor den Heere en bekwaam tot Zijne liefde.
„Zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben en niet aan eenen anderen. Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.”

Haast u. — Haast u om al wat zonde is te ontvlieden. Vertoef niet op de wegen der goddeloosheid, want „wanneer zij zullen zeggen: het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood eener bevruchte, en zij zullen het geenszins ontvlieden.” (1 Thess. 5:3 ).
Haast u om het leven buiten God te verlaten, want het leven is zoo onzeker. Dezen nacht kan uwe ziel van u worden weggenomen. Ook tot u zegt de engel der redding: Behoud u om uws levens wil, zie niet achter u om en sta niet op deze gansche vlakte. (Gen. 19:7).
Haast u tot den Heere Jezus en roep tot Hem, wat u ook zoekt tegen te houden. Raak den zoom Zijns kleeds aan, want Hij roept elken Zacheus toe: „Haast u en kom af, want ik moet heden in uw huis blijven” (Lukas 19:5).
Haast u om tot God te roepen, dat Hij uw leidsman zij, u behoede op alle uwe wegen, want zonder Hem is het overal nacht en buiten Hem is het de dood. „Haast u”, is de gedurige bede der verlosten. (Ps. 38:23; 40:14; 71:12 enz.).
Haast u om vrede te hebben met uwen naaste. Belijd wat gij te belijden hebt, en vergeef, want de bede, ons geleerd, is: „vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren”. Zoudt gij onverzoend voor uwen Rechter durven verschijnen? „Wees, zegt de Heere, haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt.” (Matth. 5:25).
Haast u om uwen naaste te waarschuwen, dat hij het pad des doods verlate. Indien hij eens dezen nacht stierf, en gij hadt den goddelooze niet vermaand, zou het u niet een gedurige knaging zijn? De Heere zegt (Luk. 14:21): „Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in”.
Haast u om te doen al wat gij op de aarde te doen hebt, gelijk een Izak sprak: „Ik weet den dag mijns doods niet” (Gen. 27:2), en die dag komt met snelle vaart. Wij brengen onze jaren door als een gedachte; zij varen voorbij als jachtschepen.
Haast u tot Hem, die dood en hel overwon, anders zal een haastig verderf u overkomen (1 Thess. 5:3 ). Die in de zonde leeft, is gelijk een os, die ter slachting gaat, en als een dwaas tot de tuchtiging der boeien, totdat hem de pijl zijne lever doorsnijdt; gelijk een vogel zich haast naar den strik en niet weet, dat die tegen zijn leven is. „Morgen” zoo zingt het helsche koor; „heden” zoo roept de Getrouwe; heden zoo gij Zijne stem hoort, verhard uw harte niet (Ps. 95:7). Voor den blinde te Jericho was het de laatste gelegenheid om gered te worden, want voor het laatst ging de Heere dien weg. En voor u? Nu of nooit!

Komen. — Gelijk Christus gedood werd en toch niet dan vrijwillig het leven aflegde, opgewekt werd uit het graf, maar toch ook opstond, in den hemel werd opgenomen, maar toch ook ten hemel voer, zoo wordt Hij ook gezegd gezonden te zijn van den Vader, maar toch ook zichzelven te hebben vernederd, vleesch en bloed te hebben aangenomen uit de Maagd Maria. Waar wij lezen in onze overzetting: „die komen zou”, (Lukas 7:9 en 20, Joh. 6:14) staat letterlijk „de komende”, waardoor een voortdurend komen wordt aangeduid. Door de geheele geschiedenis, al den tijd door is het Woord gekomen. Hij is gekomen tot schepping der wereld. Mozes zeide tot Israël: „Vreest niet, want God is gekomen” (Ex. 20:20). In Psalm 40:8 staat: „Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven”; in Ps. 18:27: „Gezegend is Hij, die daar komt in den naam des Heeren”. Hij is gekomen onder het engelengezang: „vrede op aarde”, wedergekomen als het bloed over Jeruzalem werd gewroken. Op den Olijfberg beloofde de engel: „deze Jezus zal tot u wederkomen”. Hij komt tot elke geloovige ziel, als het werk op aarde is volvoerd, om haar te voeren in de zaligheid, naar Zijne belofte (Joh. 14:3): „Zoo wanneer Ik plaats zal bereid hebben, zoo kom Ik weder en zal U tot Mij nemen”.
Reeds was het Pinksterfeest de vervulling der belofte (Joh. 24:18): „Ik zal u geen weezen laten; Ik kom tot u”. Aan het einde van den Bijbel hooren wij; de Geest en de bruid zeggen „kom”, en het antwoord des Heeren is: „Ja, Ik kom haastelijk” (Openb. 22:17 en 20).
Betuigt de Heere (Joh. 7:28); „Ik ben van Mijzelven niet gekomen”, dan zien wij daarin de groote liefde des Vaders voor Zijne uitverkorenen, dat Hij Zijnen Zoon gezonden heeft tot zooveel lijden. Zegt de Heere (Joh. 12:46): „Ik ben een licht in de wereld gekomen”, dan drukt Hij daarmede, gelijk op zoo menige andere plaats, de liefde, de zelfopofferende liefde uit, welke Hem bezielde voor Zijn volk van de eeuwigheid af, toen Hij Zich overgaf om Verlosser en Zaligmaker te worden, tot aan den laatsten dag, wanneer de boeken zullen worden geopend en de groote voorwaarde, onder welke Hij den kruisdood lijden ging, zal worden vervuld (Joh. 17:24): „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt”.
Ook dat is een komen van Christus tot den mensch persoonlijk, als Hij door Zijnen Heiligen Geest bezit komt nemen van het hart. Hij kwam tot Jacob te Pniël om een Israël van hem te maken. Zal de Heere aan ons sterfbed zijn om onze ziel te brengen tot den Vader, dan zal Hij zich eerst aan ons hebben moeten openbaren als Zondenverzoener en Schulduitdelger. Het is daarom een hoogst gewichtige vraag: „Is de Heere Jezus reeds tot u gekomen, gelijk Hij tot Jacob kwam?” Het was voor dien niet genoeg, dat hij zeggen kon: „de God mijner vaderen Abraham en Izak”; hij moest daartoe komen, dat hij zeggen kon „Israels God is God”. Toen had hij alles. (Ex. 33:20, 11).

Moeten. — Er zijn wel vijf onderscheidene woorden in het oorspronkelijke welke alle door „moeten” vertaald zijn. Toch is er verschil. Wij willen ze niet optellen en verklaren, daar wellicht slechts zeer weinigen onzer lezers er belang in stellen, maar alleen op een enkel verschil wijzen. Zoo staat er in Lukas 23:17 van Pilatus: „hij moest hun op het feest éénen loslaten.”
Hier wil dit zeggen: „hij was in de noodzakelijkheid”; hij moest dat doen, omdat alzoo de wet van zijn overheid luidde. Alleen op deze plaats komt het daar gebruikte Grieksche woord voor. Van onze Heere (en dit wilden wij vooral doen opmerken) staan andere woorden. Alleen in Hebr. 2:17 (waarom Hij alles der broederen moest gelijk worden” enz.), dat beteekent: „verbonden zijn, verplicht zijn”. Wilde de Heere een barmhartig Hoogepriester zijn, dan was Hij verplicht volkomen mensch te worden. In Lukas 12:50 (Ik moet met een doop gedoopt worden), vinden wij alleen het woord „hebben”, zooals ook wij zeggen: „ik heb dit of dat te doen”. In Lukas 2:49 („wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders”) staat een woord dat wil zeggen: „het betaamt, het behoort, het is noodig”, zoo ook Lukas 19:5 (Zacheus, Ik moet heden in uw huis blijven).
Op de vraag, waarom „moest” de Heere? hebben wij een dubbel antwoord, daar evenals in alles wat Hij voor den zondaar leed en deed, twee redenen zijn te noemen, namelijk de wil des Vaders en de liefdedrang van den Zoon zelven. Hij moest, omdat het alzoo in den raad van God was bepaald. Volgens Gods verkiezing, maar ook vanwege de reddende liefdedrang des Heeren moest Hij in het huis van Zacheus zijn. Al zoude het ook ergernis wekken bij de oversten, die man moest worden begenadigd. Christus kon niet anders dan die woning binnengaan. Twee redenen dus: het besluit des Vaders, dat Hij in gehoorzaamheid moest volbrengen, en de inwendige drang des harten om dien verachtten en bespotten tollenaar de zaligheid in huis en hart te brengen.
Dezelfde redenen waren er voor den Heere Jezus, bij iederen zondaar, wien Hij het leven gaf.
Ook van de zijde van dien zondaar was een moeten, dat met hetzelfde woord wordt genoemd in Hand. 4:12 („Er is onder den hemel geen andere naam, die onder den hemel tot zaligheid gegeven is, door welken wij moeten zalig worden”). Daar staat niet: „door welken wij kunnen zalig worden, maar moeten. Hier wordt bevestigd wat Paulus in Rom. 9:16 zegt: „zoo is het niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods”. Niet wij zochten den Heere, maar Hij ons, en toen het Hem behaagde Zich aan ons te openbaren, brak Hij onzen onwil.
Hij werd ons te machtig, wij konden niet langer tegenstaan, wij werden overreed, overwonnen, wij moesten, omdat het . in Gods raad alzoo bepaald was, en, toen die kracht Gods in ons was aangevangen, moesten wij mede uit inwendigen drang des harten. In dien zondentoestand konden wij niet blijven. Er moest gebeden, geworsteld worden, dat konden wij niet nalaten uit kracht van het nieuwe leven. De honger naar het brood des levens, de dorst naar het levende water kon niet langer worden gedoofd, maar zocht naar Hem, die de Zaligheid zelve is.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Opmerkingen en gedachten van wijlen Docent F.P.L.C. van Lingen. (17)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 februari 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken