Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Niet een boone waard

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Niet een boone waard".

8 minuten leestijd

Wanneer onze gereformeerde vaderen karakteriseerden dan zeiden zij; „het is mij niet een boone waard”.
Daaraan dacht ik, toen ik „De Saambinder” las van 13 Mei j.l., waarin Ds. Kersten zoo vriendelijk is om de Christelijk Gereformeerden in den Arminiaanschen hoek te duwen. Z.Eerw. heeft zich daarin niet ontzien om met een zeker vroom gebaar, dat hem de waarheid zoo lief is, deze grove beschuldiging, die tevens een groote leugen is, te schrijven: „Zoo langen tijd men van christelijke Gereformeerde zijde blijft bestrijden, dat het genadeverbond alleen opgericht wordt met de uitverkorenen, zoo langen tijd zijn deze christelijke Gereformeerde woordvoerders het pad der gereformeerde leer bijster en varen zij in Arminiaansche wateren”.
Nu zou men feitelijk zulk een nonsens met schouderophalen moeten voorbijgaan en met onze vaderen zeggen: „geen boone waard”, maar, omdat er eenvoudigen zijn, die zoo licht door zulk een grootspraak in de war worden gebracht en omdat men den leugen zoo lang kan propageeren, dat die een glimp van waarheid begint te krijgen, moet toch onzerzijds hierop iets gezegd. ,
Om Calvijn aan zijn zijde te krijgen, schrijft Ds. Kersten van den Reformator: „Zonder eenigen twijfel echter (ik herhaal slechts, wat ik weleer reeds geschreven heb) heeft Calvijn het genadeverbond gesteld onder beheersching van de verkiezing.”
Maar hoe heb ik het nu? Wie onzer heeft dit ooit ontkend?
Het is altijd het echt gereformeerde standpunt om uit den tijd naar de eeuwigheid, om uit de historie naar het besluit, heen te wijzen. Elke gereformeerde belijdt, dat niet alleen het genadeverbond, maar geheel de wereldgeschiedenis staat onder de beheersching van Gods eeuwigen Raad. „Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven”.
Maar wij moeten de kwestie niet vertroebelen.
Het gaat er hierom, of wij bij de leer van het genadeverbond, bij de weldaden des heils, met de uitverkiezing moeten beginnen of dat wij langs dien weg ertoe moeten komen?
En zoo de zaak gesteld, dan is het niet onduidelijk aan welke zijde Calvijn staat. Let er dan op, dat Calvijn de uitverkiezing niet behandeld aan het begin, maar aan het eind van de weldaden des genade verbonds.
Zijn verdeeling van de leer des heils is: eerst geloof, dan wedergeboorte in ruimeren zin, dan rechtvaardigmaking, dan uitverkiezing.
Dat is de zuivere analytische ot schriftuurlijke methode. Calvijn was daarin ter school gegaan bij den Apostel Paulus, die ook begint bij den dooden zondaar en opklimt tot het kind van God en dan alles ten slotte ziet onder de beheersching der verkiezing. Calvijn wil dit ons leeren, dat God in de lijn van Zijn genadeverbond de verkiezing uitvoert.
Calvijn eindigt in de verkiezing, maar Ds. Kersten met zijn speculatieve methode begint met de verkiezing als hij stelt, dat het genadeverbond alleen met de uitverkorenen is OPGERICHT.
Maar als een kind gedoopt wordt, zoo zou ik Ds. Kersten willen vragen, richt God dan met dat kind zijn genadeverbond op ja, dan, neen?
Is God aan dat kind zijn belofte: „Ik ben Uw God”, kwijt, ja, dan neen?
Zal dat kind straks in den dag der dagen als een kind des verbonds geoordeeld worden, ja, dan neen?
Wanneer het genadeverbond alleen met de uitverkorenen wordt opgericht, dan zou ik ervoor schrikken om ons doopformulier te lezen, tenzij, dat men op neo-Gereformeerde wijze de verkiezing van het kind wil veronderstellen.
Wij houden ons liever aan de voorstelling der waarheid, zooals die door de heilige Schrift en onze gereformeerde belijdenis wordt gegeven.
Calvijn en de Christelijke Gereformeerde Kerk heeft de schriftuurlijke methode, die den zondaar neemt, zooals hij bestaat, dood in zonden en misdaden, maar met wien God het genadeverbond OPRICHT en dien zondaar door roeping en rechtvaardigmaking tot een kind van God herschept. Vandaar, dat ons doopsformulier (tenzij dit ook volgens Ds. Kersten een Armeniaansch luchtje heeft) dadelijk bij den aanvang zegt, dat God zijn genadeverbond opricht niet met uitverkorenen, maar met kinderen des toorns en dat die kinderen des toorns in het rijk van God niet kunnen ingaan, tenzij zij van nieuws geboren worden. Als God een zondaar aan de breuke zijns harten ontdekt, niet buiten het verbond der genade om, maar in het verbond der genade, dan leert zulk een zondaar zich niet als een uitverkorene kennen, maar als een gansch doemwaardige voor God. Dat is juist dien zondaar dan zoo groot, zoo onbegrijpelijk, dat God met zulk eenen Zijn verbond heeft opgericht. Het stuk van de oprichting des genadeverbonds, niet met een uitverkorene, maar met een dood- en doemschuldig zondaar, kunt ge lezen in Art. 17 van onze gereformeerde geloofsbelijdenis, waar staat (en het is de moeite waard dit goed te lezen): „Wij gelooven, dat onze goede God door Zijne wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende, dat zich de mensch alzoo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen had en geheel ellendig gemaakt had, Zich zelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood en hem heeft getroost, belovende hem Zijnen Zoon te geven, die worden zou uit een vrouw om den kop der slang te vermorzelen en hem gelukkig te maken.”
Hier hebt ge nu het genadeverbond beschreven, maar met geen letter wordt hier gerept van een verbond alleen met uitverkorenen opgericht.
Wat hier in art. 17 van de confessie staat is hetzelfde, wat wij lezen in ons doopsformulier: Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat hij met ons (zijn dat hier de uitverkorenen of zijn dat hier de bondelingen, het zaad der geloovigen?) een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt enz.
Ja, ook wij onderschrijven van harte het woord der Schrift: „Er geloofden er zoovelen als er tot het eeuwige leven verordineerd waren, en ook wij hebben de kern der gereformeerde belijdenis lief, die wij vinden in het woord der Schrift: „gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld.” Maar dit leerstuk der verkiezing, hetwelk een troostbron is voor Gods volk, mag geen uitgangspunt zijn bij Woord en sacramenten van het genadeverbond, want hier staat niet de verkiezing, maar de beloften Gods in Christus voorop. En deze belofte houdt niet in, dat wij uitverkoren zijn, noch ook verzegelen de sacramenten, dat wij uitverkoren zijn, maar dat God ons vergeving der zonde en het eeuwige leven in Christus uit genade schenkt. (Cat. Zondag 25). God is aan den bondeling, dat is aan hem of haar, met wie Hij het verbond heeft opgericht, dit woord der belofte kwijt. Wee, wie deze verbondsrelatie versmaadt! God zal niet tot dezulken zeggen: Nu ja. Ik heb toch nooit een verbond met u opgericht, maar Hij zal juist zeggen: Ik heb mijn verbond met u opgericht en gij hebt mijn verbondsbeloften versmaad en niet gewild, dat Ik Koning over u zij. Wanneer Ds. Kersten schrijft: Arminius, de verderfelijke Remonstrant, heeft de leer der drie verbonden uitgedacht, dan kan hij dit alleen schrijven, niet, omdat hij der zake kundig is, maar omdat hij klakkeloos Comrie naschrijft. Er zal voor mij wel gelegenheid komen om aan te toonen, hoe onjuist Comrie over het verbond der verlossing redeneert. Maar reeds nu wil ik er op wijzen, dat Witsius in zijn werk de oeconomia foederis Dei cum hominibus (over het verbond Gods met de menschen) er tegen protesteert, wanneer men de leer van het verbond der verlossing een Arminiaansche nieuwigheid noemt. Als Ds. Kersten dit werk kan lezen, dan kan hij daar letterlijk vinden, hoe gansch ongemotiveerd Comrie over dit punt redeneert.
En wanneer Ds. Kersten ten slotte meent zoo sterk te staan met zijn rij van godgeleerden, dan moge hij het met die vaderen houden, ik houd het liever met de grootvaderen. Hun polemiek met het Arminianisme heeft hen tot dit sterk speculatief standpunt gebracht, maar van den beginne der reformatie is het alzoo niet geweest.
Ten slotte, hoe men ten tijde van de Synode van Dordt, dat was nog ongeveer een eeuw vóór Comrie, dus in den tijd van de grootvaders, over het verbond der genade dacht, kunt ge lezen in de voorrede van onze statenvertaling. Daar spreekt men van een conditioneel verbond (ook al Arminiaansche wateren, Ds. Kersten?) Ook kunt ge het lezen bij Trigland in zijn polemiek tegen den Remonstrant Cornelis Wiggers, dat de grootvaderen spraken van een innerlijk verbond en van een uiterlijk verbond, hetgeen wij ook vinden bij onze kantteekening op 1 Cor. 7:14. Wij spreken liever, gelijk bij de kerk, van een onzichtbare en een zichtbare zijde van het verbond, omdat wij zoo licht konden denken aan twee genadeverbonden, hetgeen de vaderen van Dordt zeker niet bedoeld hebben. Wat eens Trigland schreef aan Wiggers, dat herhaal ik aan het adres van Ds. Kersten, dat „zijn groot spreken niet een boone waard is”.
Het schrijven van Trigland kan men in zijn geheel vinden in het werkje van Ds. Hulst: Supra en Infra, blz. 39-41 of bij Trigland zelf (pag. 248).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931

De Wekker | 4 Pagina's

„Niet een boone waard

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken