Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Leerzaam, ook... voor ons.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Leerzaam, ook... voor ons.

8 minuten leestijd

Op de Geldersche Ouderlingen conferentie der Geref. Kerken, gehouden 6 Mei te Apeldoorn, zijn belangrijke zaken behandeld. Een hoofdschotel was daar hoe de kerkelijke behandeling der jeugd moet zijn.
Eveneens was belangrijk de Zeeuwsche conferentie gehouden 29 April te Bergen op Zoom. Op beide conferenties kwam ter sprake de verbondsbeschouwing der Geref. Kerken. Volgens het duidelijk verslag dier conferenties, opgenomen in „Het Ouderlingenblad” der Geref. Kerken”, werd op beide conferenties de bekende Verbonds- en Doopsbeschouwing der Geref. Kerken gehuldigd.
Zoo sprak Prof. Aalders op de Zeeuwsche conferentie als volgt:
„daar de Doop echter in den regel aan „zeer jeugdige kinderen wordt bediend, „kan het daarbij niet anders gaan dan om „de versterking van de hebbelijkheid des „geloofs”.
Ook zeide hij: „Zoolang een kind des Verbonds echter nog niet tot onderscheid van jaren is gekomen, en dan niet van den weg des verbonds afwijkt, is het voor een kind Gods te houden!
Het trof onze aandacht in dit verband, hoe nu op de Geldersche conferentie bij de behandeling van bovengenoemd onderwerp, m.i. met recht nadruk werd gelegd op verband en eenheid, welke er moet zijn „tusschen gezin, school en kerk”. Dit is trouwens ook geheel naar voorschrift onzer Dordtsche Kerkorde.
Uit de belangrijke referaten op genoemde conferenties gehouden bleek alweer overduidelijk dat in de Geref. Kerken de bekende aldaar gehuldigde Verbonds- en Doopsbeschouwing onverzwakt wordt geleerd; en dat deze leer als paedagogisch (in de opvoeding) uitgangspunt van groote beteekenis wordt geacht, voor school en opvoeding. Zoo zeer (en dat was m.i. consequent en recht op dit standpunt) dat op de Geldersche conferentie nadrukkelijk werd betoogd, hoe er naar de gehuldigde Verbondsopvatting een afzonderlijk school-onderwijs moet zijn, m.a.w. bepaald gereformeerde scholen. Zoo werd o.a. gezegd: „er ligt in samenwerking wel veel goeds; maar ook veel dat bezwaarlijk is; we moeten dan heel veel specifieks loslaten; denk nu alleen maar aan de beschouwing van het kind als Bondeling.” Zeer consequent gedacht zeg ik. Het moet eigenlijk voor een neo-gere-formeerde bezwaarlijk zijn om zijn kind ter opvoeding te zenden naar een school naar welke ook, ook naar een Chr. Geref. school, maar waar de genoemde neogeref. verbonds- en doopsbeschouwing niet wordt gehuldigd. Het is alles door en door juist en consequent. Ik breng er er hulde aan.
Alleen maar, het doe ons Christelijke Gereformeerden dan uit deze dingen bij vernieuwing verstaan, het goed recht dat ook wij hebben, ja de dure plicht om ook op eigen leest onze opvoeding en ons schoolonderwijs te schoeien. Men kan, wat men ook zeggen moge, aan onze gereformeerde broederen niet onthouden de eere van consequent hun principes door te denken en toe te passen. AI mag ik in alle bescheidenheid opmerken, dat we met die principes ten deze het natuurlijk niet eens zijn,
Het verband tusschen gezin, kerk en school worde toch goed vastgehouden en beleefd; zoover het mogelijk is.
Als de neo-gereformeerde verbondsbeschouwingen van dien aard zijn, dat we als Christelijke Gereformeerde kerk er afzonderlijk om bleven voortbestaan, dan heeft men zich wel ernstig af te vragen, wat dit hebbe te beteekenen voor de opvoeding van het zaad der kerk.
Nu is hier tweeërlei te onderscheiden, anders wordt er verwarring gesticht; n.l. dat er een opvoeding is der jeugd in kerkelijk-ambtelijken weg; dit is de catechisatie. En daarnaast eene, die we de school noemen. Deze is niet kerkelijk-ambtelijk. De school gaat uit van de ouders. Wat echter niet beteekent dat hier de Kerk is uitgeschakeld. Men zou mogelijk kunnen zeggen de school staat met de kerk als organisme in verband. Maar toch ook wel met de kerk als instituut; in zooverre n.l., dat de Belijdenis die aan onze school en opvoeding dient ten grondslag te liggen, ons uit de kerk als instituut geworden is. Die ouders echter, die lid der kerk (der Chr, Geref. Kerk ten deze) zijn, kunnen daarbij toch moeilijk hun geloofsovertuiging die zij in de kerk hebben, laten vervallen, zoodra zij hun kind naar school brengen. Vandaar dan ook dat school en opvoeding in regelrecht verband staan met onze Belijdenis; en in ‘t algemeen met onze Beginselen.
Christelijk onderwijs in ‘t algemeen reeds moge dan al niet uit de kerk als instituut opkomen, zeker toch uit de kerk als organisme (om dit woord hier eens te gebruiken); en in contact met het kerkelijk instituut, voorzoover het de Belijdenis geldt. Gelijk dan ook Christelijk onderwijs, ik zeg Christelijk onderwijs, nooit buiten de bijzondere genade staat, In het algemeen genomen los van het Christelijke kan men in abstracto best zeggen, dat onderwijs als zoodanig, nog niet direct uit de bijzondere genade behoeft afgeleid te worden. Krachtens, wat men wel eens meent, de „gemeene gratie” is er nog plaats voor onderwijs en opvoeding op zichzelf, alhoewel toch al dadelijk allerlei principieele vragen en belangen zich stellen, waarbij oogenblikkelijk het al of niet Christelijke een groote rol speelt.
Een kookschool, een zwemschool, een gymnastieschool enz. zou men kunnen hebben buiten het terrein van bijzondere genade; maar een school die onze jeugd moet opvoeden, opvoeden dien naam waard, men verstaat het, die dient te staan op het standpunt der bijzondere genade, Een Christelijke school, versta wel een Christelijke, is niet denkbaar zonder den Christus; dus uitsluitend uit de bijzondere genade mogelijk. Wat echter nog niet zegt: kerkelijk; zooals boven is opgemerkt. Men zou desnoods kunnen zeggen: de bijzondere en de algemeene genade grijpen hier als in elkaar in; maar goed verstaan komt het specifiek christelijke nooit anders op dan uit de bijzondere genade. Gelijk het dan ook door de Chr. Geref. Kerk nooit anders is verstaan geworden. Zooals o.a. blijkt uit het feit, dat van af de dagen der Scheiding herhaaldelijk onze synodes zich met deze zaak ernstig hebben bezig gehouden.
Zoo b.v, sprak de Chr. Geref. Synode van 1849 uit: dat de verplichting der kerk was te zorgen voor de lagere scholen, enz.
Op de Synodes van 1872, 1875, 1877 enz. is er over gehandeld. En toen na 1892 onze kerk haar zelfstandig voortbestaan handhaafde, werd al aanstonds op de Synode van 1898 uitgesproken, dat we Christelijk onderwijs noodig hadden naar Christus en Gods woord en overeenkomstig de Geref. Belijdenis, en men anders pogingen aanwenden moest om zelf scholen te stichten. En toen in 1905 de bekende neo-verbondsbeschouwing op de synode der Geref. kerken te Utrecht gehouden, werd toegelaten, werd op onze Chr. Geref. Synode in hetzelfde jaar uitgesproken de hooge noodzakelijkheid van Christelijke Gereformeerde Scholen.
Onze Synode van 1928, gehouden te Apeldoorn, nam naar aanleiding van een schrijven der Vereen, voor Chr. Geref. Schoolonderwijs, de volgende conclusie: n.l. een voorstel om Prof. Lengkeek, door het moderamen overgenomen, werd aangenomen, luidende in zijn derde alinea aldus: de Synode „dringt er bij alle onze gemeenten op aan, waar eenigszins mogelijk, over te gaan tot stichting van Chr. Geref. Scholen.”
Uit een en ander blijkt afdoende, dat de Chr. Geref. Kerk absoluut staat op het standpunt dat school en onderwijs, voorzoover daarbij de Christelijke en Gereformeerde opvoedingsfactoren betrokkken zijn, behooren tot het terrein van de bijzondere genade Gods in Christus Jezus; en tot het terrein van Christus’ Kerk, al ware het slechts in organisme-zin.
En tevens dat tot heden (tenzij een nieuwe Synode-besluit het anders beschikte) het officiëele standpunt der Christelijke Gereformeerde Kerk is, dat voorop moet staan, gezien met name de verbondsbeschouwingen ca., — dat voorop moet staan het principe der verplichting en van den eisch om allereerst te komen tot stichting van bepaald Christelijke Gereformeerde Scholen.
Ik wil daar echter niet mee zeggen, dat samenwerking daar, waar voor eigen school-stichting geen gelegenheid is, uit den booze zou zijn. Dat zij verre. Maar het gaat hier nu om het principe. En dan kunnen we m.i. nog leeren van onze Gereformeerde broeders. En voorts is er samenwerking absoluut noodzakelijk, men verlieze toch ons ideaal nooit uit het oog; en men ga dan goed na, wie ons in Belijdenis en levensbeschouwing, vooral inzake de verbondsbeschouwing, het naast zijn.
Inderdaad de beschouwingen, gehuldigd op genoemde Geref. ouderlingen-conferenties, zijn leerzaam ook...... voor ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Leerzaam, ook... voor ons.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juli 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken