Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (54)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (54)

7 minuten leestijd

9:14-29. Genezing van een bezeten knaap

Aan den voet van den berg, waarop Jezus voor het aangezicht Zijner drie discipelen veranderd is van gedaante en in heerlijkheid door hen is aanschouwd, is, wanneer Hij wederkeert een schare vergaderd, die verre van rustig is. Zooals gewoonlijk, hebben de Schriftgeleerden de gelegenheid aangegrepen om de jongeren des Heilands aan te vallen en in het nauw te drijven. Daar is, gelijk uit dit schriftgedeelte blijkt, een vader, die met den nood van zijn kind de toevlucht heeft genomen tot de discipelen, waarschijnlijk teleurgesteld, dat Jezus zelf er niet was, maar toch hopende en verwachtende, dat de discipelen iets zouden kunnen doen tot redding. De discipelen konden het evenwel niet. Wat geschikte gelegenheid voor de vijanden, om nu hun aanval te richten op de volgelingen van Jezus van Nazareth!
Wat onderscheid daar op den berg der verheerlijking en hier aan den voet des bergs de twisting der menschen, de openbaring der zonde. Hoe moet de Heiland dit door de ziel gegaan zijn!
Als Hij tot de Zijnen komt wordt de geheele schare Hem ziende verbaasd. Heeft Jezus te allen tijde gedragen op Zijn aangezicht het teeken der heiligheid en van den vrede des harten, de verheven rust van het wandelen met God, wij kunnen ons voorstellen, dat nu Zijn aangezicht bijzonder glansde; nog straalt de heerlijkheid van Hem af. (Denk hier aan het glanzende aangezicht van Mozes, als hij van den berg komt.)
Toch blijven zij niet op een afstand, maar toeloopende, groetten zij Hem.
Vanzelf komt daar stilte, een stilte, die door den Heere Jezus verbroken wordt, door de verwijtende en mogelijk ook uitlokkende vraag aan de Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen? De vraag wordt niet beantwoord door de Schriftgeleerden, maar een uit de schare antwoordende, zeide; Meester, ik heb mijnen zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft, en waar hij hem ook aangrijpt, zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst op zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd, dat zij hem zouden uitwer- pen, en zij hebben niet gekund.
Wel was het kruis van dezen vader zwaar! Een ziek kind te hebben, is hartzeer voor een ouder, maar nu zulk een ziek kind. Het was bezeten met een boozen geest, waardoor het stom gemaakt werd, wat het van nature niet was. Tijden van verhoogde werkzaamheid van den boozen geest braken aan, en dan kwam, wat wij een toeval zouden noemen, het schuim den jongen op den mond, hij knerste met de tanden en als geheel onmachtig, verlamd, de Schrift zegt: verdord, lag hij daar neer.
Vertrouwende, dat de discipelen des Heeren den jongen wel zouden kunnen genezen, had hij zich, toen hij Jezus niet bij hen vond, tot hen gewend. Zij hadden het echter niet gekund. Waarom niet? De klacht des Heilands geeft op deze vraag het antwoord.
Hij — Jezus — antwoordde hem en zeide; O ongeloovig geslacht! hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij!
Een woord, dat wel het onderscheid teekent tusschen den top van den berg der verheerlijking en zijn voet! Daar de volle gemeenschap Gods, hier het ongeloof en de machteloosheid der zonde. Het ongeloof, dat Jezus deze klacht ontlokt, is niet het ongeloof der schare, maar inzonderheid het ongeloof der discipelen. Waarom hadden zij den boozen geest niet kunnen uitwerpen? Toen zij tevoren uitgezonden waren, hadden zij vele duivelen uitgeworpen (Markus 6:13), waarom dan nu niet? Omdat zij niet stonden in het geloof; in plaats van het onwankelbaar vertrouwen op ’s Heilands kracht, hadden zij gerekend en nog eens gerekend, of het wel zou kunnen, en, als wij dat doen, dan kan er geen kracht uitgaan van de gemeenschap met Jezus. Dus hadden, zij den diepverslagen vader en zijn ongelukkig eenig kind niet kunnen helpen.
Op het woord: Brengt hem tot Mij, brachten zij den jongen tot Hem, en — lezen we — als hij — de jongen — Hem — Jezus — zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. Een laatste hevige poging van den sterke om zijn vat te bewaren, nu de Sterkere er over komt. En Hij vraagde zijnen vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijne kindsheid af; en, menigmaal heeft hij — de booze geest — hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven. Nogmaals geeft de vader een beschrijving van den ontzettenden toestand, waarin zijn kind zich bevindt, maar lag in het brengen des kinds tot Jezus niet een zekere hoopgeving, eene bemoediging? Het geval is wel erg! Zal Jezus wel kunnen helpen? Wie beschrijft, wat er in de ziel des vaders is omgegaan, toen hij daar zijn lief kind aan de voeten van Jezus zag wentelen en trekken? Het wordt hem dan ook ontperst: Zoo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming bewogen over ons en help ons! Zoo gij iets kunt, zegt de vader. Maar zou iets voor den Heere te wonderlijk zijn? Het is niet de vraag, of de Heere iets kan, maar waar het voor ons op aan komt, en dus ook voor dien vader, is, of wij gelooven, dat Hij het kan, en in dit geloof ons verlaten op Hem, Daarom zeide Jezus tot hem: Zoo gij kunt gelooven,alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft. Als Jezus in Zijn vaderstad is, dan lezen wij daarvan, dat Hij aldaar geen wonderen kon doen vanwege hun ongeloof. Zalig de mensch, in wien de Geest des Heeren het geloof werkt; in hem is plaats voor de genadewonderen des Allerhoogsten.
En terstond de vader des kinds roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere, kom mijner ongeloovigheid te hulp. Eigenaardige belijdenis, maar eene, die alle oprechten wel kennen, en meer kennen, dan dat zij louter ook voor zichzelf daarvan bewust, zouden staan in het volle toeëigenende geloof. Hoe wordt dit toe-vluchtnemend geloof, dat niet op zijn sterkte vertrouwt, maar de hulp des Heeren noodig heeft om te volharden, kostelijk bekroond! En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest. Ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem.
Op dat koningswoord moet de satan zijne prooi loslaten; hij doet het echter niet dan nadat hij eerst den jongen nog bijzonder heeft aangegrepen. En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden, dat het gestorven was. Maar Jezus verlost niet van den duivel en staat tegelijk toe, dat de duivel den bezetene doodt. Als Jezus van den duivel verlost, dan verlost Hij ten leven. Is dat ook in geestelijk opzicht niet waar? Het kind kon niet sterven en mocht niet sterven; was ook niet dood, Jezus, hem bij de hand grijpende. richtte hem op, en hij stond op. Een volmaakt wonder was aan den jongen geschied.
Wij lezen verder niets meer van dien vader, noch van zijn kind. Maar wat dunkt u, zou het wonder in lichamelijk-geestelijk opzicht hier geschied, niet hebben kunnen zijn een sprake Gods voor die beiden? Gelijk het ook voor ons dit zijn moet, zal het wel zijn!
En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door vasten en bidden. Vasten en bidden — de beide teekenen van het gemeenschapsleven met God en Christus, waardoor het geloof wordt versterkt en bekrachtigd. Volgens Mattheus heeft de Heiland aan dit woord nog doen voorafgaan: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zoo gij een geloof hadt als een monsterdzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts; en hij zal heengaan; en niets zal u te wonderlijk zijn. Leven wij daar wel bij? Of is ons geloof veel te veel bespiegeling?

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Het heilig Evangelie naar de beschrijving van Markus. (54)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 augustus 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken