Bekijk het origineel

Deze ontvangt de zondaars. (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Deze ontvangt de zondaars. (2)

9 minuten leestijd

„En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te hooren. En de Farizeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars en eet met hen. Lukas 15 : 1, 2.

Deze ontvangt de zondaars en eet met hen!
Een val — ook eene opstanding is de zondaarsliefde des Heilands.
Gij verstaat het, mijn lezer, dat Jezus zondaren ontving en met hen at, was niet, omdat Hij gemeenschap had aan hunne werken. Hoe zou dat kunnen; hoe zou Hij, die, naar het woord des apostels, geen zonde kende, gemeenschap hebben aan de werken der duisternis? Neen, het was een uitvloeisel, eene betooning der liefde van Hem, die gekomen is, om te zoeken en zalig te maken, wat verloren is.
Het verwijt van Farizeën en Schriftgeleerden bevat dan ook een troostvol en verblijdend evangelie; bij den Zoon van God is plaats voor ellendigen!
Wat werd er gedaan voor de zondaars, voor hen, die de wet niet wisten? — Niets!
Wat werd er gearbeid aan de tollenaars? — Eveneens niets!
Schriftgeleerden en Farizeën gingen op in het voldoen aan de letter der wet; zij hadden geen woord van medelijden voor het gevallene, geen tijd om het afgedrevene te zoeken; zij waren hard in het oordeelen, streng in het veroordeelen, onmeedoogend in het verwerpen; zij kenden geen ontferming, omdat de ware zelfkennis ontbrak en er dus bij henzelf geen ontferming Gods plaats kon vinden; zonder liefde gingen zij hun weg, en, wie met hen niet medewandelde, dien trof de vloek!
Alleen voor de volbrengers van de wet was de heerlijkheid!
Voor de overtreders der wet — het verderf!
Zoo viel vanzelf voor Schriftgeleerden en Farizeërs de scheiding tusschen godsdienstigen en de zorgeloos daarheen levende schare.
Maar godsdienstig en godvreezend zijn nog onderscheiden; dat vergaten zij! Ook, dat bij den Heere geen aanneming des persoons is, maar dat het aankomt op de levendmaking door den Heiligen Geest. Geen uitwendigheid kan Hem voldoen, die het hart aanziet.
De ware godvruchtigen waren schaarsch. Tegenover een enkelen Nathanaël, van wien Jezus getuigde, dat hij was een Israëliet, in welken geen bedrog gevonden werd, stonden de honderden, die voor ’t uiterlijke den Heere dienden en aan dat uiterlijke genoeg hadden, en de honderden, die zich in het geheel om den weg des Heeren niet bekommerden.
En indien onder de zondaren een geweten ontwaakte om te vragen naar den weg des Heeren, dan stiet de koele hoogheid der leidslieden des volks zulk een zondaar terug met het oordeel der wet en een gedrag, dat duidelijk toonde, men wilde zich niet inlaten met de zoodanigen, wier handen onrein waren. — En de blinde leidslieden zagen hun eigen blindheid niet! Doch Jezus!
Hij ziet in tollenaren en zondaren menschen met een onsterfelijke, verantwoordelijke ziel! Hij ziet hen gevallen en verloren in Adam, dood door de zonden en de misdaden! Hij ziet in hen verloren schapen van het huis Israëls, dolende op de paden der zonde.
Waarom de Farizeërs en Schriftgeleerden Hem zagen ingaan tot en omgaan met de zondaren? Hij was met innerlijke ontferming bewogen over de schare, die de wet niet wist en verstooten was door haar broederen. Diep medelijden vervulde de ziel des Heilands ; wat zij niet wisten, dat wist Hij, n.l. dat zij voor God verdoemelijk waren. Wat zij niet gevoelden, dat gevoelde Hij, n.l. dat zij geen waren vrede en geen werkelijke blijdschap des harten bezaten. En nu is hun gedrag mogelijk aanstootelïjk voor een Israëliet, en Jezus keurt dat ook volstrekt niet goed. Maar omdat Hij de liefde is, daarom onttrekt Hij Zich niet aan hen, doch laat ze tot Zich komen, wil Hij met hen spreken, ingaan in hunne huizen, met hen aanzitten aan hun disch en met hen eten.
Zijn zij geen verloren schapen, die teruggebracht moeten worden tot hunnen Herder?
Geen verloren penningen, die moeten worden opgezocht, opdat het penningsnoer weer volkomen zij?
Geen verloren zonen, die — ook zonder dat zij het gevoelen en dus erkennen — vergaan van honger?
Zal Hij ze dan afstooten, als ze tot Hem komen?
Onder de „allen”, die in onzen tekst genoemd worden, zullen er zeker wel geweest zijn, welke de ware behoefte niet dreef. Er zullen er echter ook geweest zijn, die verlegen met hun zondestaat zochten naar den vrede des harten, naar vergeving hunner zonden, naar verzoening met God!
Hoe ondervonden zij het, zij, die Jezus toch kenden als den Heilige, dat Jezus hen begreep, begreep in hun diepste behoeften. Zij zochten bij Hem geen verdoezelen van hun schuld; vooruit wisten zij, dat die bij Hem niet te vinden was. Volkomen handhaafde de Heere den eisch Gods, maar wie vermoeid en belast onder zijne zonden en ongerechtigheden tot Hem kwam, vond gehoor bij Hem, vond een hart, dat openstond voor de zieleklachten.
Voor verlorenen is Hij gekomen, en Hij heeft het den verlorenen toegeroepen: Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven! Hij verkondigde den ellendigen den troost, dat zij een God en Vader in den hemel hadden, gaarne vergevend en van groote goedertierenheid voor allen, die Hem aanroepen in waarheid; een Vader van alle barmhartigheid, een God van alle genade!
Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven, klinkt het den zoodanigen toe, die, volgens het oordeel der wet, niet anders dan de eeuwige verdoemenis te wachten hadden.
Bij Jezus vindt de ontdekte zondaar een geopend oor en hart; tot Hem mag de verlegen en verslagen tollenaar komen met de vragen zijner ziel.
Geen van hen verstiet Hij! Tot geen enkelen tollenaar zeide Zijn mond; Er is voor u geen genade; gij zijt te ver afgedwaald, te diep gevallen, te zwaar in overtreding!
Waar een zondaarshart is, het hart van den zondaar voor God, daar vindt Jezus’ hart aansluiting! Daar toch is de trekking des Vaders!
Hij ontvangt de zondaars en laat Zich ontvangen!
Hij zit aan de tafel der tollenaars, gelijk Levi!
Hij gaat in tot een zondigen mensch, om te herbergen!
Dit komen is geen verlaging voor den Christus, gelijk Farizeërs en Schriftgeleerden dit duidden.
Dat het hope wekte voor de verworpenen, behoeft niet te worden gezegd. Dat zij tot Hem kwamen om Hem te hooren was, omdat Zijne liefde hen trok, omdat Hij hun ontsloot den weg des behouds, het uitzicht op de zaligheid. Wat wist Christus met den moede een woord te rechter tijd te spreken! Hoe drong hen Zijn liefdewoord tot schulderkentenis en tot geloof in God, als den mildelijk Gevende en niet Verwijtende!
Wat troost voor het verbroken hart; Christus wil zijn Heelmeester zijn!
Wat blijde boodschap voor den verslagen zondaar; er is genade bij God in Hem, die de Weg, de Waarheid en het Leven is!
Schriftgeleerden en Farizeërs geven steenen voor brood, geven slangen voor visschen, schorpioenen voor eieren; Christus geeft Zichzelf aan hongerende zielen tot spijze.
En als Hij aanzit aan des tollenaars: tafel of aan des zondaars disch, dan is Hij het, die, als genood, nochtans als gastheer, zielevoedsel uitdeelt tot levendmaking der dooden, tot vergeving der zonden, tot troost huns gemoeds, tot versterking van geloof en hope, en Zijne liefde tot hen doet liefde tot God en den Weg der zaligheid ontbranden.
Christus kan geen Farizeër zijn, geen gedrag als van een Schriftgleerde vertoonen! Als Christus buigt Hij Zich over tot de tollenaars en de zondaren, Hij die het uitgedrukte beeld der zelfstandig- heid Gods is, op wiens lippen genade is uitgestort!
Als zoodanig moeten ook wij Hem leeren kennen, zal ’t wel zijn!
Hebben wij Hem wel noodig? Gaat onze ziel wel uit naar de zaligheid, die in Hem is? Dan zullen wij tollenaars en zondaars moeten wezen!
Niet in dien zin, dat de wereld zich aan ons stoot, omdat onze zonden voor ’t oog van den naaste een ergernis en afkeer zouden wekken. Het zou kunnen zijn, maar het behoeft dus niet te wezen. Wie waarlijk ontdekt wordt aan zijne zonden en ongerechtigheden, zal zich den grootsten der zondaren leeren achten, al zouden ook alle menschen hem roemen als ingetogen, oppassend, deugdzaam, vlijtig, godsdienstig; al zouden allen hem tot een voorbeeld willen stellen! Het gaat niet over den omvang en over het getal der zonden, maar over het wezen er van. De openlijk deugdzame en de openbare zondaar, beide zullen ze tollenaar en zondaar moeten worden. Geschiedt dit niet, dan, waartoe zou Jezus ons dienen, dan misschien als voorwerp van ons religieuse denken, als voorwerp onzer vereering naar den mensch. Zoo we zondaar worden, dan hebben wij Hem noodig als den Overnemer onzer schuld, als den Drager onzer ongerechtigheid; als onzen Profeet, Priester en Koning! Al wat aan Hem is, zal ons dan begeerlijk worden, en onze ziel zal tot Hem leeren uitgaan met hare behoeften en nooden voor tijd en eeuwigheid!
Er zullen er zijn onder de lezers van deze woorden, die het blad straks neerleggen en verder zich niet bekommeren over Hem. God zij hun genadig en leere hun zien de noodzakelijkheid van dien Borg en Middelaar!
Er zullen er zijn, die bekommerd vanwege hun staat vragen, wat zij moeten doen. Laat alle eigen werk varen en buig uwe knieën voor God en bidt Hem om de openbaring van Jezus Christus aan uwe ziel!
Wie geleerd heeft tot Hem de toevlucht te nemen, zal het woord der Bruid verstaan, als zij zegt: Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk; zulk eenis mijn Liefste, zulk een is mijn Vriend!
Dat de Farizeërs en Schriftgeleerden onder ons nog leeren vragen naar den God van hun wet, en naar Hem, die de Vervulling is.
„Buiten Jezus is geen leven,
Maar een eeuwig zielverderf!”

L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931

De Wekker | 4 Pagina's

Deze ontvangt de zondaars. (2)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1931

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken