Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Reeds behandeld.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Reeds behandeld.

4 minuten leestijd

Met de artikelen over „Onze Kerkregeering” zijn wij thans genaderd tot Art. 78.
Het laatste artikel over den ban eindigden wij met daaronder te schrijven: slot.
Thans bereikte ons een schrijven van J. B. te B. Deze had nog geen slot willen maken aan Art. 77 en schrijft dan het volgende:
„Slot had ik er niet achter willen lezen, daar toch „de ban” niet in zijn geheel beschreven is, althans mijns inziens.
Want wat is het geval?
Het kan gebeuren, dat iemand, die onder censure staat, zijn lidmaatschap opzegt, en daardoor aan de kerkelijke behandeling ontkomt. Dit gebeurt helaas dikwijls. Wat heeft de Kerk hieromtrent bepaald?
Mijns inziens is zoo’n persoon nog hardnekkiger, nog onboetvaardiger dan een, die afgesneden wordt.”
Misschien is de vrager nog niet lang lezer van „De Wekker” en dan is zijn vraag verklaarbaar.
Misschien leest hij onze artikelen reeds langen tijd en dan is zijn vraag een gevolg van vergeetachtigheid, dat in onzen tijd van haasten en jachten ook wel verschoonbaar is.
De vraag van B. toch hebben wij reeds lang geleden besproken en wel bij de beschouwing over Art 71 D.K.O. Hadden wij nu na afhandeling van Art. 77 deze vraag weder besproken, dan hadden wij herhaald, wat reeds duidelijk gezegd was en wij hadden het ook op de verkeerde plaats besproken.
Art. 77 D.K.O. toch bepaalt het einde van de tuchthandeling, het droevig einde, de verbanning van den zondaar uit de gemeente en het Koninkrijk Gods, Het opzeggen echter van het lidmaatschap (B, noemt dit onjuist: „zich laten schrappen”, want een Kerkeraad schrapt of royeert iemand niet, die onder te tucht staat), het opzeggen dan van het lidmaatschap geschiedt veeleer bij het begin der tucht, om alzoo het tuchtproces te ontgaan.
Daarom kwam bij art. 71 over het karakter der tucht, de vraag in behandeling, hoe gehandeld moet worden met personen, die voor hun lidmaatschap bedanken tijdens kerkelijke behandeling.
Wij hebben toen gewezen op het besluit van de Synode te Amsterdam in 1866. Daar deze bepaling nimmer door een Synode veranderd is, is zij tot heden nog van kracht. Zij luidt: „Wanneer iemand, tijdens hij onder kerkelijke behandeling is, zijn lidmaatschap der Gemeente opzegt, zal de kerkeraad naar omstandigheid met hem handelen.”
Deze bepaling laat een kerkeraad vrij om zoo’n persoon, al zegt hij zijn lidmaatschap op, toch te behandelen alsof hij nog lid is en dus de censure te doen doorgaan, maar de kerkeraad kan ook de tucht staken en hem, als buiten de gemeente staande, beschouwen. In 1863 had de Synode van Franeker bepaald, dat zoo’n persoon aan de gemeente zal worden bekend gemaakt opgehouden te hebben lid te zijn „dewijl hij zich daardoor aan de macht der kerk heeft onttrokken.”
Volgens Synode 1863 houdt dus de tucht op bij opzegging van het lidmaatschap, volgens Synode 1866 staat het een kerkeraad vrij naar omstandigheden met hem te handelen, dus mag de tucht voortgezet worden.
In de praktijk echter leeft de kerk naar de bepaling van 1863, en gaat de tucht niet voort als iemand zijn lidmaatschap opzegt, en mijns inziens terecht.
Want wij hebben ook een burgerlijk recht in onze Nederlandsche wetgeving en de Nederlandsche Wet erkent het recht om zich ten allen tijde af te scheiden van een kerk en het lidmaatschap op te zeggen. Daarom zal er thans wel geen kerkeraad meer gevonden worden, die voortgaat met de censuur als het lidmaatschap wordt opgezegd.
Naar burgerlijk recht mist een kerkeraad het recht met de censuur door te gaan, indien iemand zijn lidmaatschap heeft opgezegd.
Dat was vóór 1795 anders, toen was de Geref. kerk een Staatskerk en kon men zijn lidmaatschap niet opzeggen en wie overging tot een andere kerk werd gecensureerd.
Zoo werden 31 December 1623 tien lidmaten, die zich bij de Remonstranten hadden aangesloten, te Amsterdam met het formulier afgesneden en bepaalde de Partic. Synode van Zuid-Holland van 1620: „Die door trouwen tot de Mennonieten wijken, zal men langzamerhand, al is hun leven goed, en zij de kerk niet lasteren, afsnijden.”
Sedert 1795, toen Kerk en Staat gescheiden werden, moet een kerkeraad ook rekening houden met de Nederlandsche wet en zal geen kerkeraad, ondanks de bepaling van 1866, iemand, die zijn lidmaatschap opzegt, verder kerkelijk behandelen, al is dat ook meer naar burgerlijk dan naar kerkelijk recht.

Als Gods Woord U niet ver van de zonden houdt, dan zal de zonde U ver van Gods Woord houden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 October 1932

De Wekker | 4 Pagina's

Reeds behandeld.

Bekijk de hele uitgave van Friday 7 October 1932

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken