Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Farizeër en de Tollenaar

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Farizeër en de Tollenaar

13 minuten leestijd

En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:Twee menschen gingen op in den tempel, om te bidden, enz.(Luk. 18:9—14)

„Hoe lieflijk zijn Uwe woningen, o, Heere der heirscharen”. Weet ge waarom het huis des Heeren vooral zoo lieflijk is? Omdat Gods deugden er zoo heerlijk blinken. In het huis Gods is geen aanneming des persoons. Daar heerscht vlekkelooze gerechtigheid. Geen rijke wordt ontzien, omdat hij rijk is en geen arme, omdat hij arm is. Daar is geen onderscheid tusschen koning en onderdaan, meester of knecht, vrouw of dienstmaagd, ouders of kinderen, oud of jong, Barbaar of Scyt. De Heere wordt door geen schijn bedrogen. Daar wordt, die zichzelf verhoogt, wie hij ook is, vernederd en die zichzelf vernedert, verhoogd. Opdat die deugden Gods zouden schitteren, heeft de Heere Jezus ook deze gelijkenis gesproken.
Om deze gelijkenis goed te verstaan, is het noodig te letten op het verband, waarin zij voorkomt. In het begin van dit teksthoofdstuk leert de Heiland, dat men altijd bidden moet en niet vertragen. Helder en klaar teekent Hij ons dat in de gelijkenis van den onrechtvaardigen Rechter. Een onverschillige rechter hoort eindelijk nog wel naar het geroep van een ellendige weduwe, hoeveel te meer zal God hooren, die lankmoedig en genadig is, naar het geroep Zijner beminden. Vol beteekenis laat de Heere er dan de vraag op volgen: Doch de Zoon des Menschen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? Als Hij komt? Ook nu? De Hartenkenner weet, dat daar onder de schare menschen zijn, die zeiden: Ik volhard in het gebed. Ik vertraag niet. Want Hij begint onmiddellijk daarna te spreken tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren en anderen niets achtten. Die menschen dachten: o, dat geldt mij niet, want ik bid veel en lang, zelfs op de hoeken der straten; voor mij is die vermaning niet; ik behoef daartoe niet aangespoord te worden; laat die en die dat maar in den zak steken. Zij zagen uit de hoogte neer op hen, die niet bidden en nog minder volharden in het gebed.
Heeft de Heere dus eerst vermaand om veel te bidden; nu gaat Hij leeren, dat er onderscheid is tusschen bidden en bidden. Er is immers een bidden, dat de Schrift kwalijk bidden noemt en ieder kind des Heeren weet wel, dat al wat bidden heet nog geen bidden is. De natuurlijke mensen verstaat dit echter niet en daartoe spreekt de Heere deze gelijkenis. Twee menschen gingen op in den tempel om te bidden. Uitwendig gezien, deden zij hetzelfde. Zij gingen naar hetzelfde huis en met hetzelfde doel. Op zichzelf was dit ’n goede zaak; het is beter naar Gods huis te gaan, dan onder kerktijd te gaan wandelen. En dan — zij gingen er heen om te bidden, niet om te zien of gezien te worden, ook niet uit sleur of gewoonte, maar om te bidden.
Twee gingen op. Twee beklommen den tempelberg. De een was een Farizeër en de ander een Tollenaar. De een was geëerd om zijn godsdienst, de andere veracht om zijn goddeloosheid. De Farizeën hielden zich streng aan de wet, ja breidden haar zelfs uit door leeringen, die geboden van menschen waren; zij namen het schijnbaar nauw. Tollenaars werden in slechtheid en verachting gelijkgesteld met onkuische vrouwen; bedriegers en woekeraars. Als zij nu in den tempel zijn gekomen, is de Farizeër spoedig, in het volle besef van zijn heiligheid, vooraan in den tempel gekomen. Zij beminden immers de vooraan-zitting in de synagogen; zij achtten zich die plaats waardig; niemand zou daar ook eenige aanmerking op maken. En hijzelf twijfelt ook geen oogenblik aan zijn vroomheid. Hoort maar hoe hij bidt: „o God, ik dank U, dat ik niet ben, gelijk de andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar.” Na aldus gezegd te hebben wat hij niet was en deed, belijdt hij wat hij wel was en deed. Ik vast tweemaal per week, ik geef tienden van alles. Hij was dus een zeer godsdienstig man. Niet eens, maar tweemaal vastte hij en de tienden gaf hij van alles, niet alleen van het groote, ook van het kleine, de munte, de dille en van den komijn. Hij nam het nauw; het minste of het geringste kon er bij hem niet door.
Meen niet, dat wij dit afkeuren! Het is een voorrecht als wij voor het uitwendig kwaad bewaard blijven en onberispelijk zijn in onzen wandel. Dat is dan ook geen kwaad. Ook niet, dat hij er God voor dankte.
Maar wat was dan zijn fout? Dit, dat hij bij zichzelf vertrouwde dat hij rechtvaardig was, dat het met hem wel was, dat hij wel voor Gods aangezicht bestaan kon en dat hij niet kende zijn inwendige verdorvenheid en er dus ook niet mee rekende. Hjj had in den tempel voor Gods aangezicht niets anders te doen, dan te belijden, dat hij zoo goed was.
Indien die Farizeër zichzelf gekend had, dan had hij gezegd: „o God, het is vrije genade dat ik ben, die ik ben en geen openbaar zondaar ben; maar Heere! wanneer Gij nu eens ziet op de bodem van mijn hart, hoe daar alle zaden en kiemen van boosheid worden gevonden; hoe aan mijn vasten en vertienen nog zooveel ongerechtigheid kleeft en hoe mijn gerechtigheid niets meer is dan een wegwerpelijk kleed; hoeveel ik ook uitwendig verschil van dien tollenaar, inwendig ben ik niets beter.” Als hij dit beleden had, dan ware het goed geweest. Nu was zijn bidden eigenlijk niets anders dan zelfverheerlijking, om aan God bekend te maken, hoeveel beter hij was dan een ander. Hij ging op naar den tempel om te bidden, maar hoe geheel anders dan de tollenaar!
Ook de tollenaar ging op. Het was voor hem een zware gang. Een tollenaar in den tempel; die twee passen niet bij elkaar. Toch ging hij op. Hij had geen rust meer in zijn tolhuis. Zijn leven, dat geheel tegen hem getuigde, kon hij niet langer voortzetten. De wet sprak haar vloek over hem uit. Zoo wordt hij uitgedreven om met belijdenis van zonde en schuld genade van den Heere af te smeeken. Maar ach! als hij daar dien heiligen grond betreedt en dat heilig dienstwerk ziet en al die menschen ziet, die hij zooveel beter acht dan zichzelf, die Priesters en Levieten, die den geheelen dag bezig zijn in den dienst des Heeren en die Farizeën, die zoo leven bij regel op regel, en gebod op gebod, die zoo lang en zoo mooi kunnen bidden... wie is hij dan?!
Bovenal als hij zich ziet tegenover een heilig en rechtvaardig God, die te rein van oogen i.s, dan dat Hij het kwaad zou kunnen aanschouwen... och, wat doet hij dan in den tempel?! Hoe en wat zal hij bidden.’ Hij die uitsluitend voor geld en bedrog geleefd heeft. O wonder, dat de aarde haren mond niet opent om hem te verslinden. Zal hij verder den tempel ingaan of terugkeeren? Hij blijft staan, maar van verre. De zondaar. Denkt het u eens een oogenblik in. Zal hij zijn oogen, die alleen maar schitterden als hij geld en nog eens geld zag, opslaan naar boven en als het ware den Heere in het aangezicht durven zien? Zijn handen durven uitstrekken?
Zijn mond durven openen? Zijn lippen durven bewegen? O, het is met hem als met den dichter:.

’k Wou vluchten, maar kon nergens heen,
Zoodat mijn dood voor handen scheen,
En alle hoop mij gansch ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.

Maar ach, hij kan niet vluchten. Hij, de zondaar, zooals in de grondtaal zoo kernachtig staat, voelt Gods slagen snerpen door Zijn wet. De Rechter is rechtvaardig, maar hij zal zijn Rechter om genade bidden. Op zijn borst slaande, roept hij uit: „o God! wees mij zondaar genadig.” Al Gods deugden heeft hij geschonden; hij heeft niets dan zonde en ongerechtigheid. Genade heeft hij noodig, God moet een middel ter verzoening geven, opdat hij genade ontvange door den Middelaar Jezus Christus, die een verzoening is voor onze zonden. Deze gedachte list in het oorspronkelijke.
En toen — toen ging hij af naar zijn huis. Gerechtvaardigd. Ik hoorde wel eens iemand zeggen, dat hem dit wel wat al te vlug al gegaan was, want hij had wel dagen lang in ’t recht Gods gestaan. Och, mijn geliefde lezers, als wij het anders geleerd hebben dan Gods Woord ons leert, laten wij het u dan gerust mogen zeggen, dat gij het mis hebt. De Heere Jezus leert ons, dat de tollenaar gerechtvaardigd naar huis ging. Hij was voor Gods gericht geweest, hij had zijn eigen doemvonnis onderteekend, maar hij had ook toen hij Gods recht erkende, Gods genade in Christus ontmoet. En dat hij die ontving, blijkt uit het woord van den Heiland, die zeide, dat de tollenaar gerechtvaardigd uitging. Hij kon zoo van goedertierenheid en recht zingen. Van recht, omdat hij, de zondaar zoo lang tegen een goeddoend God had gezondigd en van goedertierenheid’, omdat hij zoo voor Gods recht was gekomen. O zalige tollenaarsgestalte! Zoeken wij er maar veel bevindelijke kennis aan te hebben.
De tollenaar ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan de Farizeër. Was dan de tollenaar geheel en de Farizeër voor een deel gerechtvaardigd? Maar dat kan niet, een halve rechtvaardigmaking is er niet. Wat wil dit meer dan zeggen? Dit: de tollenaar was gerechtvaardigd door God en rechtvaardig voor God en de farizeër had zichzelf rechtvaardig geacht, de farizeër was rechtvaardig in het oog der menschen. Rechtvaardig in des Heeren oog is toch veel meer dan rechtvaardig in eigen oog en in het oog des menschen! Gerechtvaardigd meer dan die: want een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden en die zichzelf vernedert, zal „verhoogd worden”. De farizeër noemde zich de beste en de tollenaar zich de slechtste. Geen enkele verontschuldiging, zooals velen dat zoo gaarne doen, bracht hij bij. Hij zeide niet: ik kan niet anders, want ik moet zelf ook zoo duur pachten, of: het is voor mijn brood, want ik moet ook door de wereld, of: als ik het niet doe, dan doet een ander het en welke vijgebladeren meer er gebruikt worden door hen, die geen eerlijk beroep heb-ben. Niets van dat alles. Hij was door ontdekkende genade zondaar voor God geworden. Zondaar van den hoofd-schedel tot den voetzool toe. Zondaar van binnen en van buiten en daarom riep hij, slaande op zijn borst: „o God! wees mij zondaar genadig.” Genade alleen kon hem redden; daar pleitte hij op en die mocht hij ontvangen, want hij ging gerechtvaardigd naar zijn huis. Zoo kon hij van goedertierenheid en van recht zingen.
Niemand wordt graag een farizeër genoemd. En toch — indien wij geen tollenaar zijn, dan zijn wij farizeër. Ook zij, die nooit opgaan naar den tempel om te bidden en altijd spotten met die farizeërs? Ja, al zeggen zij niet: „Heere, ik dank U!”, al achten zij zich te hoog om naar de kerk te gaan, zij zeggen toch: „ik ben gelukkig geen farizeër.” In den grond is dat hetzelfde als hetgeen de. farizeër deed, die achtte zichzelf beter dan de tollenaar. De mensch van nature is een farizeër in top en vooral zij, die alle godsdienst schijnheiligheid noemen. Zij weten het beter dan Gods kinderen, ja, dan de Heere zelf. Hooger zelfverheffing is niet denkbaar, maar zij zullen vernederd worden, hetzij hier, hetzij in de eeuwigheid. Maar ook als we getrouw opgaan naar Gods huis, kunnen we nog farizeërs zijn, als we onszelf beter achten dan hen, die niet gaan of in zelfgenoegzaamheid meenen, dat we zoo erg goddeloos niet’ zijn. De farizeër is overal, bij Gods kinderen en bij de wereld, in de tenten der goddeloosheid als in den tempel des Heeren. Hij ging zelfs met den tollenaar op naar den tempel om te bidden. En wie zich als tollenaar leerde kennen, weet dat de farizeër hem steeds vergezelt. De farizeërsgestalte is die van den ouden rnensch; de tollenaarsgestalte die van den nieuwen. De farizeër gaat wel eens alleen naar den tempel, maar de tollenaar gaat nooit alleen; de farizeër gaat steeds mede. Ongelukkig wanneer wij nog niet anders zijn dan farizeër. Een deugdzaam, godsdienstig en onberispelijk leven is niet af te keuren, maar wel„ dat wij er roem op gaan dragen. Genade leert anders. Genade doet den deugdzaamsten mensch nog uitroepen met al zijn goede hoedanigheden: „o God, wees mij zondaar genadig!” Mochten alle godsdienstige menschen maar eens den dood leeren schrijven op hun deugden. Niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, is beproefd. Hoe dieper een mensch zich voor den Heere vernedert, hoe beter. Gelukkig, die den farizeër niet zoekt bij den ander, maar bij zichzelven heeft gevonden. Die is een tweemensch geworden: een farizeër van nature en een tollenaar door genade. Die durft zijn oogen niet opslaan wegens de zonde van zelfverheffing. Die farizeër dragen zij altijd met zich om. Wat deed de discipelen twisten, wie van hen de meeste zou zijn? Wat deed Paulus zich verheffen? De oude farizeër. Is er wel één goed werk, waar de farizeër niet bijkomt? Immers neen! Gaat gij ooit op naar den tempel, zonder dat de farizeër zich laat hooren? O, die eigengerechtigheid! als onze oogen er voor open gaan. Dan kan het zijn, dat ge als deze tollenaar u op de borst slaat en den farizeër daarbinnen raakt. Zoo zij het veel! De farizeër komt in allerlei gestalte, ook in nederigen hoogmoed. Maar jan staat hij niet vooraan, maar van verre en daardoor herkent ge hem dan misschien niet direct. Hij zoekt u te doen gelooven, dat het met ons wel is, dat wij wel voor God bestaan kunnen en niet te veel over inwendige bedorvenheid moeten spreken. O wanneer zullen we eens van dien farizeër verlost zijn! Bij oogenblikken ligt hij eens aan banden hier beneden, maar eenmaal zal Gods volk voor eeuwig van hem verlost zijn. Hij moge in Gods huis en in Gods kind komen, in den hemel zal hij niet ingaan. Twee gingen op naar den tempel, maar één, de tollenaar gaat op naar de woning Gods hierboven om daar te aanbidden en tevens te danken voor de genade aan hem bewezen. Is in U reeds de tollenaar geboren, lezers?

Veenendaal. de B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 25 August 1933

De Wekker | 4 Pagina's

De Farizeër en de Tollenaar

Bekijk de hele uitgave van Friday 25 August 1933

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken