Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De vader der geloovigen (5)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De vader der geloovigen (5)

Verbondsonderhandeling

8 minuten leestijd

En Hij reide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars en een driejarige geit en een driejarigen ram en een tortelduif en een jonge duif.En hij bracht Hem al deze, en hij deelde ze midden door, en hij leide elks deel tegen het ander over, maar het gevogelte deelde hij niet. En het wild gevogelte kwam neder op het aas, maar Abram joeg het weg. En het geschiedde als de zon was aan het ondergaan, zoo viel een diepen slaap op Abram en zie een schrik en groote duisternis viel op hem.Genesis 15 : 9–12

En wat Ik U zeg, dat zeg ik allen: Waakt.
Dit woord van den Heiland moet telkens weer herhaald aan de poort van Sions kinderen. Hieraan worden wij herinnerd, als wij lezen: en het wild gevogelte kwam neder op het aas, maar Abram joeg het weg.
Zoo staat de vader der geloovigen op zijn post bij het offer en neemt de wacht des Heeren waar.
Hier hebt ge de roeping eens christens, die immer tot waken en tot strijden wordt aangespoord, en die telkens vergeet, dat hij alles kan en alles durft, behalve waken en strijden bij het offer.
Wij allen kennen de figuur van Petrus, van den man, die met een onbegrepen durf altijd vooraan trad. Hij was de held, die voor niets en niemand stond, en die, wanneer allen beefden, zich niet ontzag om te zeggen: al werden ze ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.
En zie, deze zelfde discipel, die schijnbaar alles kon, en die voor niets terugdeinsde, kon niet één uur met Christus waken.
Wanneer het er op aankwam om met het zwaard te slaan, dan was Petrus op zijn post; wanneer hij zijn durf moet toonen dan is hij altijd vooraan, maar wanneer hij geroepen wordt om in alle stilte de wacht te betrekken, dan komt er van waken niets terecht.
Ja, waken is zulk een zwaar werk!
Waken aan de sponde van den kranke uren aaneen, kan het lichaam zoo uitputten! Dat weet ieder, die wel eens geroepen is om den nacht aan het ziekbed door te brengen. Het begint dan zoo goed, de eerste nachtwake, dat gaat wel maar dan komt de tweede, de derde de vierde en het wordt zoo zwaar ’dat waken aan het stille ziekbed, als de slaap ons bekampt en het lichaam zoo moede wordt!
Maar nu waken bij ’s Heeren offer, nu waken aan de poort des geloofs, nu waken met één nacht, niet twee nachten achter elkaar, maar altijd dag en nacht door. Altijd gereed, altijd paraat, altijd staan met het schild des geloofs en den helm der zaligheid. O, ja dat zijn de krijgsartikelen van het hemelsch regiment, maar…. hoeveel maal zijn ze al overtreden?
Abram hield het niet vol, en Petrus hield het niet vol, en gij en ik, wij houden het evenmin vol.
Waken als de roofvogels fladderen, maar ook waken, als ze niet fladderen. Niet alleen als satan omgaat als een brieschende leeuw, want dan weet satan wel, dat een christen waken kan ook door te vluchten voor dien leeuw, maar ook waken als satan rondgaat als een engel des lichts, waardoor zoovelen zich laten leiden en verleiden.
O, laten wij ons toch niet verbeelden, dat wij zoo gemakkelijk waken kunnen, want dan staat het te vreezen, dat wij reeds in een diepen slaap zijn gezonken en dat wij gelijk zijn aan hen, die in Jezus’ dagen zeiden: zijn wij dan ook blind.
Laat het goed tot ons doordringen en in ons gegrifd worden, dat een christen niets moeilijker kan volhouden dan dagelijks wakende aan de poort, waarnemende de posten mijner deuren (Spr. 8 : 34).
Wie hiervan doordrongen wordt, wie dit diep in zijn ziel voelt, zal weten, dat hij niet waken kan, dat hij niet wakker blijven kan, als de Heere ons niet wakende houdt.
Maar juist daarom geeft de Heere ons een recept om te waken, en dat recept is het gebed. Jezus heeft niet alleen gezegd, dat wij waken zullen, maar hij heeft ook gezegd, hoe wij waken zullen: waakt en bidt.
Een biddend mensen is een wakend mensch, zelfs ook, al zou hem de krachten des lichaams begeven, zelfs ook, al zou hij van lichamelijke vermoeidheid in slaap zinken. Zegt de bruid niet: Ik sliep, maar mijn hart waakte.
Daar is verschil tusschen slapen en slapen.
Daar is een slaap der zonde, als van Jona op het schip. Hier slaapt de zonde niet, ook ai slapen wij. Dan is er maar één woord voor Jona op het schip, voor David op het dak, voor Petrus in de rechtzaal: „wat is U, gij hardslapende, roep tot Uwen God.”
Daar is ook een slaap des Heeren, als het lichaam van vermoeidheid en uitputting den strijd moet opgeven, maar het hart, de ziel, blijft waken, blijft strijdden, blijft worstelen.
Wij staan wel voor geheimnissen, als het probleem van den slaap des menschen wordt gesteld, maar tegenwoordig is er geen wetenschappelijk man van deeze kennis meer, die toestemt, dat de ziel des menschen in het bewustelooze wegzinkt, zoodra als de slaap ons overmant.
Hoe dieper wij den mensch naar zijn zieleleven onderzoeken, hoe meer wij tot de overtuiging komen, dat de ziel des menschen in den slaap wel terdege wakker is. Daar is een nachtbewustzijn, dat een onbegrepen wereld is, maar waarvan ieder weet te spreken, die wel eens heeft meegemaakt, dat een zaak, die hem den avond te voren nog zoo duister was, en hij niet wist. „hoe” en „wanneer”, den volgenden morgen in een gansch ander licht voor hem stond en hij gansch andere wegen zag, ja zelfs, een afdoend antwoord had gekregen.
Zie, dat is een bevestiging van het spreekwoord: „de nacht brengt raad”.
Op dit nachtbewustzijn doelt ook Elihu (Job 33 : 15–16), als deze zegt, dat God in de sluimering op het leger het voor het oor der lieden openbaart, waarmede niet anders kan bedoeld zijn, dan dat God ook in den slaap bezig is den mensch op te voeden, hem onderwijs te geven, hem te leeren van ’s Heeren wegen. Zoo is de Heere altijd bezig, nacht en dag, dag en nacht om den mensch tot de hoogere orde te roepen, opdat die mensch zich zelf al beter en dieper zou leeren kennen, en de wegen des Heeren met hem verstaan en aanbidden.
Zoo moeten wij het ook zien bij Abram, als wij lezen: (vers 12) zoo viel een diepen slaap op Abram en zie, een schrik en groote duisternis viel op hem.
Daar ligt Abram neer in schrik en groote duisternis!
Hoe? Is dat nu de Vader der geloovigen?
Is dat nu de held, die de kroon der eere draagt in de rij van de wolke der getuigen, die als parelen schitteren aan het snoer van Christus’ kerk? Is dat nu de man, die Moria’s afgronden niet vreesde, ook al zag hij geen weg noch pas, die door den afgrond leidde?
En toch ja, dat is die groote strijder, dat is die groote Abram. maar die ook hier herinnert aan het woord, dat wij den schat dragen in een aarden vat.
Vermoeid in den geestelijken kamp ligt hij daar neder en vermag niets meer.
Zie, dat is juist de houding, waarin de Heere als de God des verbonds zijn heerlijkheid aan zijn volk toont, zijn kracht in zwakheid volbrengt, zijn verbondsgeheimissen zijn beminden geeft als in den slaap.
Benauwing, verschrikking, donkerheid, vaart door de machtelooze ziel van een Abram. Die donkerheid is openbaring, die verschrikking is verkwikking, die benauwing is ruimte. Ja, dat klinkt vreemd, dat is paradoxaal, dat is innerlijke tegenstrijdigheid. En toch het is geen andere tegenstrijdigheid als welke Paulus kende, toen hij moest leeren: als ik zwak ben, dan hen ik machtig, geen andere, dan welke wij lezen: droevig en nochtans blijde, niets hebbende en toch alles bezittende.
Of merkt gij niet, dat juist in die donkerheid der verschrikking, en in die verschrikkelijke donkerheid de Heere komt om met Abram te onderhandelen? Met droeve duisternis ging ook gepaard het helderst licht om te zien de zalige werkelijkheid van de openbaring des Heeren in het bezegelen van zijn verbond met Abram.
Leer dan hier op deze blaan, dat het verbond, de verbondsonderhandeling opkomt en gestand gedaan wordt en al dieper geleerd wordt in het gevoel van onze eigen nietigheid en onwaardigheid, en dat in doodsbanden van eigen verlorenheid doorbreekt het licht des Heeren in een ziel, die het waarlijk om den God des verbonds te doen is.
In de breking van den Christus ligt de vastheid van Gods verbond, in de breking van den zondaar ligt, de zaligheid Gods, en in de smart der verlorenheid de zang der verlossing van allen, die het nieuwe lied hier en hierboven zullen zingen.
Deze gebroken Abram, neerliggend in schrik en schaduwe des doods is de profetisch-typische openbaring van heel den weg, dien de God des verbonds met Zijn kerk in ’t algemeen en met elk van zijn bondelingen in ’t bijzonder bewandelt. Hier zullen wij leeren en zóó zullen wij leeren in zielsbevinding.

Hij heelt gebrokenen van harte,
En Hij verbindt z’ in hunne smarte
Die, in hun zonden en ellenden
Tot Hem zich ter genezing wenden.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1933

De Wekker | 4 Pagina's

De vader der geloovigen (5)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1933

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken