Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Niet afdoende weerlegd (X)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Niet afdoende weerlegd (X)

6 minuten leestijd

Dr Kraan gaat in zijn bestrijding van mijn brochure er dan verder op wijzen, dat Ds Jongeleen van het vierde bezwaar, dat aldus is geformuleerd in het bezwaarschrift:
„d. Een ander bezwaar is niet ons geringste. Het is onze vaste overtuiging, dat de wederkeerige liefde, die toch bij elk huwelijk, ook bij dat van deze Kerkengroepen, een allereerste vereischte is, maar al te veel wordt gemist, en zoodanig huwelijk noodwendig bron van betreurenswaardige verwarring en tweedracht zal worden”.
geen nadere explicatie geeft en hij zegt ervan: „Misschien ziet hij zelf in, dat dit kant noch wal raakt.” (cursiveering van mij).
Neen Dr Kraan, gij hebt verkeerd geraden, want dit bezwaar raakt wel kant en ook wal.
Gij moet weten, dat Ds Jongeleen het bezwaarschrift anders beziet, dan dat gij dit doet. Voor mij is het bezwaarschrift één geheel, het één is niet van het ander los te maken en zonder hier verder op in te gaan. wil ik vaststellen, dat de bezwaarden ook in deze stelling de waarheid hebben gesproken. „De beide kerken als zoodanig hadden niet het minst behoefte aan elkander. ’t Waren de kerkelijke vergaderingen, die het voorstelden, alsof men geen dag langer buiten elkander kon.” (Janssen).
Dat de Synode van 1892 hiermede heeft gezeten, bewijst wel haar uitspraak, die mijn opponent nog maar eens goed moet lezen. De Synode sprak het volgende uit: „dat zij niet twijfelt, of de liefde zal wederzijds aanmerkelijk toenemen bij meerdere oefening van de gemeenschap der heiligen.”
Blijkt hier nu niet uit, dat de liefde niet bijster groot was?
Doch wonderlijk, de Synode spreekt uit, dat in den weg van gemeenschap der heiligen, de liefde wel meerder zal worden. Maar ik vraag, hoe kan men nu die gemeenschap oefenen, als de liefde wordt gemist.
Gerust, hij die eerlijk oordeelt, moet bekennen, dat de bezwaarden hier veel sterker stonden in hun redeneering, dat de liefde werd gemist, dan heel de Synode van 1892. Als ik er dan ook niet over sprak, was dit niet, zooals Dr Kraan meent, dat ik ook geloof, dat dit kant noch wal raakt, maar dat ik mij moest bekorten, daar mijn brochure anders te lang zou worden.
Dat is ook de oorzaak, dat ik maar even kort de bewuste leergeschillen naar voren bracht.
Over die leer geschillen denkt Dr Kraan heel eigenaardig en hij schrijft, dat in 1892 de leergeschillen de eigenlijke kern der zaak niet zijn geweest.
Om deze zaak juist te beoordeelen, moet men niet gaan losmaken, dat niet kan losgemaakt wrorden. Men zou kunnen vragen, wanneer er in 1892 nu eens van die bewuste leergeschillen geen sprake was geweest, zouden er dan toch bezwaarden zijn geweest, zouden zij dan toch Chr. Geref. zijn gebleven? En dan geef ik ten antwoord dit, dat heel die leergeschillenkwestie nooit kan losgemaakt worden van het systeem, door Dr Kuyper in elkander gezet. Het doleantiebeginsel verschilt principieel van het beginsel der scheiding en ik raad mijn bestrijder aan, om het werkje van Prof. Ten Hoor „Afscheiding en doleantie” eens te bestudeeren, misschien gaat hij dan de zaak der leergeschillen wat dieper bekijken.
Er was tusschen de Chr. Gereformeerden en de Doleerenden verschil, wat verschillende leerstukken aangaat, zooals Kerk, Verbond, Sacramenten, niemand zal dit kunnen ontkennen.
Nu wil Dr Kraan zich sterk maken, dat er geen bezwaar was tegen de leer der Doleerende kerken, maar tegen de leer van sommige Voorgangers.
Maar dat moest hij niet doen, want even sterk sta ik, ja veel sterker, als ik beweer en dan naar waarheid, dat die leeringen in de doleerende kerken werden geduld, werden toegelaten.
Kan Dr Kraan mij iemand aanwijzen, uit de Doleerende Kerken, die heeft geprotesteerd? Het doleantie-beginsel, zooals dat toen in elkander was gezet, bracht deze leer mee.
Tusschen de Chr. Gereformeerden en de Doleerenden was er geen eenheid in geloofsleer.
De geschiedenis na 1892 heeft dit treffend bewezen en als het ooit tot bespreking over vereeniging zou komen, dan hebben de Chr. Gereformeerden zeker bezwaren, wat de leer der Geref. Kerken aangaat, ook nu nog, al ligt 1905 jaren achter ons.
Op die bezwaren had de Synode van 1892 moeten ingaan, daarvan had zij zich niet mogen afmaken, door uit te spreken: „Dat bezwaren tegen gevoelens betrekkelijk het een of ander stuk der leer steeds op bevoegde Kerkelijke Vergaderingen kunnen worden gebracht, om aldaar beoordeeld te worden.”
Is zoo’n uitspraak nu eigenlijk een Synode waardig.
Deden de bezwaarde menschen dit dan nu niet? Brachten zij hun bezwaren dan niet op een bevoegde Kerkelijke Vergadering?
Was de Synode van 1892 dan niet bevoegd, om uitspraak te doen?
Daarom staat het vast, de bezwaarden zijn met hun bezwaren gegaan, naar de plaats waar zij wezen moesten, naar de Synode.
En wat deed die Synode? Eenvoudig dit. zij stapte er gewoon overheen.
Eerst vereenigen, dat moest, die moest komen en dan bezwaren in ontvangst nemen, dat is de omgekeerde wereld. Met zoo’n vereeniging mochten zij niet meegaan en zoodoende hadden zij het volste recht, Chr. Gereformeerd te blijven.
Om de kwestie der leergeschillen tot een zaak van geen beteekenis te maken, haalt Dr Kraan weer naar voren Prof. Wisse en citeert dan, wat Prof. Wisse heeft geschreven, toen hij te Leiden ijverde voor plaatselijke ineensmelting. Ik begrijp niet, dat mijn bestrijder zulke dingen noodig heeft, dat hij daarin kracht zoekt. Prof. Wisse is Chr. Gereformeerd geworden en daardoor een streep gehaald door alles wat hij vroeger daartegen zou hebben geschreven. Dat moest Dr Kraan genoeg zijn.
Toch zou het mij aangenaam zijn, om zoodoende van al deze dingen voor altijd af te zijn, wanneer Prof. Wisse de pen eens opnam en aan Dr Kraan c.s. mededeelde, dat hij al die uitlatingen niet meer voor zijn rekening neemt. Dat zou verschillende zaken kunnen opklaren.
Toen Prof. Wisse pas bij ons was, deed hij melding, dat hij een werkje in het licht zou geven over „Het Verbondsmethodisme”. Nog altijd zie ik er verlangend naar uit.
Men moet mij goed verstaan, voor mij is de overgang van Prof. Wisse naar ons genoeg, maar ik zou het wenschen, om aan menschen als Dr Kraan c.s. te ontnemen, waar zij, al betoonen zij hun zwakheid er in, telkenmale hun toevlucht toe nemen. Voor Prof. Wisse zou het een kleinigheid zijn.

Jongeleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1934

De Wekker | 4 Pagina's

Niet afdoende weerlegd (X)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 maart 1934

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken