Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het Nationaal-Socialisme in Nederland. (VI)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het Nationaal-Socialisme in Nederland. (VI)

6 minuten leestijd

Hoe denkt en ziet het N.S. nu de verhouding tusschen het Koningschap en den Leider? Als het principieel en consequent durfde zijn, zou het kort en zakelijk moeten zeggen: de leider regeert en de koningin sanctioneert, want ik lees in de Staatsleer van het N.S, pag. 18, waar gehandeld wordt over de organisatie van den staat, het volgende: „Om te beginnen zal de Staat als de hoogste zedelijke eenheid der natie, als hoogste orgaan een eenheidsorgaan moeten hebben, een orgaan dus, dat teeken is van de eenheid van den Staat. Dit orgaan zal het centrum, het hart van den Staat hebben te beteekenen, en de macht van den Staat zal er van hebben uit te gaan, als teeken van den Staat, als eenheid en geheel zal dit orgaan het hoogste moeten zijn, waartegenover al de andere organen in „hiërarchische verhoudingen hebben te staan.”
Dit alles is zuiver nationalistisch en de conclusie kan en mag, om principieel te blijven, geen andere zijn: dat de Leider en de Leider alleen hiervoor de aangewezen man is, zooals wij dit in Italië en Duitschland ook kunnen zien. Regeeren doen daar de Leiders en sanctioneeren de Koning en de Rijkspresident.
Maar in ons land durft men deze conclusie toch blijkbaar niet aan, want men laat op de boven aangehaalde woorden onmiddellijk volgen: Dit hoogste Staatsorgaan zou zoowel een erfelijk vorst, als een president kunnen zijn, zooals de ervaring leert en men laat er met het oog op ons eigen land ietwat gemoedelijk op volgen: op dit punt kunnen wij voor ons land de continuïteit der historische traditie volkomen aanvaarden.
Wij noemen dit volksmisleiding. Want men stelt het voor, alsof in den Nat. Soc. Staat de plaats en de beteekenis en de bevoegdheden van ons Oranje Huis geen wezenlijke wijzigingen zouden ondergaan, terwijl de praktijk van het N.S.-beginsel, zoowel in Duitschland als Italië’ leert,dat er slechts een schaduw van macht aan den Rijkspresident en den Koning gelaten zijn.
Hoe kan het N.S. in zijn „staatsleer” nu beweren, dat het hier in de praktijk anders zou gaan als in de beide genoemde landen.
Maar het zou hier ook niet anders gaan. Alleen men durft het niet te zeggen.
Vandaar dat het er in de Staatsleer van het N.S. op dit punt zoo hopeloos verward uitziet.
Zij spreekt zich zelven telkens tegen.
Zoo lees ik op pag. 19: De Koning is de bron van alle macht, maar hij oefent die niet rechtstreeks zelf uit. Is dit nationalistisch? 't Is er in lijnrechten strijd mee. Hier had moeten staan: de Leider.
Let nu op het volgende:
Niets geschiedt zonder den Koning, maar ook niets door den Koning. Dat is „abracadabra” op zijn Hollandsch gezegd. Hij verleent zijn sanctie’,maar is als teeken van de Staatsmacht onverantwoordelijk.
Ik had het juister en begrijpelijker gevonden, wanneer men gezegd had: Hij is alles en daarom is hij niets. Want daar komt de heele redeneering op neer.
Er wordt een wezenlijk onderscheid gemaakt tusschen de taak van den Koning, en die van de regeering, want zoo lees ik: omdat de Koning als teeken van de eenheid en macht van den Staat zelf onaantastbaar behoort te blijven, is zijn eerste en onmiddellijke orgaan, de reëel functioneerende regeering, uitgeoefend door zijn ministerie en zijn ambtenaren.
Hier teekenen wij protest aan, want hier wordt aan de regeering een zelfstandige macht verleend, die oorzaak worden kan, dat de Kroon niet anders meer is als een ornament in het staatsbestel en de Kroondrager een representatieve figuur.
In brochure IV „Actueele vragen” komt men opnieuw op deze principieele kwestie terug, omdat het gestelde in brochure III heel wat stof opgejaagd had. Daarom wordt er bij zonderen aandacht geschonken aan de vraag: Hoe staat de N.S.B. tegenover ons Vorstenhuis? En dan weet men voor alles een handig gebruik te maken van hetgeen Dr. A. Kuyper eens schreef over de verhouding tot ons Vorstenhuis. Wanneer men dat woord geheel overgenomen heeft, knoopt men er nog enkele opmerkingen aan vast, en in de derde lees ik nu o.m. het volgende: De souvereiniteit van ons Vorstenhuis moet zijn een „echte Nederlandsche Souvereiniteit, d.w.z. een volheid van macht, waarvan de Souverein echter niet het gebruik maakt om zelf, naar persoonlijk inzicht en welbehagen, de natie te regeeren, doch waarvan hij gebruik maakt, om persoonlijk oppertoezicht uit te oefenen en om de volheid van zijn macht en krachtens het historisch recht der Oranje's de leiding der zaken te veranderen, telkens wanneer daarvoor een historisch oogenblik aangebroken zal zijn.”
Tegen deze woorden teekenen wij protest aan.
Want hierin wordt niets minder uitgesproken, dan dat de Souverein het recht zou bezitten en dat recht ook in een daad zou moeten omzetten, ten einde de leiding der zaken te veranderen’ telkens wanneer daarvoor het historisch oogenblik zal zijn aangebroken.
Wij kunnen hierin niet anders lezen als het toekennen van de bevoegdheid om desnoods met illegale middelen de leiding der zaken te veranderen.
Wanneer de Souverein het bijv. nuttig en noodzakelijk oordeelde om onze Volksvertegenwoordiging naar huis te zenden, dat hij dit dan ook doen kon.
Nu bestaat daarvoor van de zijde der Oranje's geen gevaar. De Oranje's zijn altijd zeer constitutioneel geweest en vooral onze Koningin zou naar onze stellige overtuiging nooit tot zulk een daad te bewegen zijn.
Maar dit zou ook volslagen in strijd zijn met den eed, dien de Souverein op de Grondwet heeft af te leggen, en geen Souverein mag in strijd met dien eed handelen.
Wanneer wij alles nog eens rustig overzien, wat de N.S.B. over zijn verhouding tot ons Oranje Huis gezegd heeft, kunnen wij tot geen andere conclusie komen, dan dat daarin veel dubbelzinnigs gevonden wordt, dat er veel niet opgeklaard of uitgesproken geworden is, wat toch behoorlijk had kunnen en moeten geschieden; dat de vrees, om op dit principieele punt klaren wijn te schenken, daarvan heeft teruggehouden, omdat men gevaar duchte dat de oogen er voor zouden opgaan, en dat wij daarom waakzaam zullen moeten blijve, opdat de band die God zelf tusschen Oranje en Nederland in het bloed der voorgeslachten heeft gelegd, niet verbroken en de verhouding daardoor principieel gewijzigd worde.
De N.S.B. moet Oranje aanvaarden, maar wij willen Oranje houden.

d. H. (den Haag) J.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1934

De Wekker | 4 Pagina's

Het Nationaal-Socialisme in Nederland. (VI)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 juli 1934

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken