Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ons gedenkjaar. (XXVIII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ons gedenkjaar. (XXVIII)

Hoofdstuk 7.4 Groei in druk.

5 minuten leestijd

Geen wonder dat een man als Scholte deze vragen niet wilde gebruiken. Wellicht zou het classicaal bestuur van Heusden hem hierover ter verantwoording hebben geroepen. Doch eer het zoover kwam, was er iets anders gebeurd. Op 10 October 34 had Scholte in Ulrum gepreekt over Jes. 8:11–15. Daar hij voor dit optreden geen toestemming had gevraagd aan den consulent, had hij Art. 11 van het reglement op de vacaturen overtreden. Scholte wist dit niet en zelfs de consulent evenmin. Toch paste men dit Artikel toe om Ds. Scholte te straffen.
De minister van Staat, belast met de Generale directie van de zaken der Hervormde Kerk zond een aanschrijving hierover aan het classicaal bestuur van Heusden en dit bestuur schorste 29 October 1834 Ds. Scholte zonder verlies van tractement. Dit bestuur noemde in de schorsingsbul de zonde van Ds. Scholte te Ulrum gepleegd „een misdaad van ergerlijken en geruchtmakenden aard”.
Op het ontvangen van deze schorsing oordeelde Ds. Scholte er zich niet aan te mogen onderwerpen. Hij schreef aan het classicaal bestuur van Heusden, dat hij te Ulrum gedaan had, wat hij verplicht was te doen, en dat hij zich afscheidde van het Hervormd Kerkbestuur, totdat, dat Bestuur met hem alles verwerpen zou, wat tegen den onfeilbaren regel van Gods Woord strijdig is. Ook de kerkeraad en de gemeenten Doeveren en Genderen vereenigden zich met hem in deze verklaring. Spoediger dan te Ulrum was op de schorsing van den Leeraar te Genderen de afscheiding gevolgd. Ds. Scholte wist uit het proces van Ds. de Cock, dat er bij de Synode der Hervormde Kerk geen recht was te verkrijgen als men zich niet boog voor de Synodale reglementen. Een uitspraak op grond van Gods Woord was van de Synode niet te verwachten en daarom zou elk hooger beroep vruchteloos zijn.
De acte van Afscheiding door Scholte aan het classicaal bestuur van Heusden gezonden geeft echter een anderen grond voor de afscheiding aan, dan die van Ulrum. Te Ulrum was ‘t blijkens de acte van afscheiding “het bederf in de Kerk en de verminking of verloochening van de leer der vaderen, de verbastering van de bediening der Sacramenten en het verzuim der kerkelijke tucht”, met één woord het ontbreken van de eigenschappen der ware kerk, naar Art. 29 Ned. Confessie, doch te Doeveren en Genderen was de reden: “het stellen van menschelijke bepalingen boven Gods Woord”, terwijl van de afwijking in de leer niet gesproken werd. Dit verschil tusschen Ulrum en Genderen was echter geen principieel verschil, alleen werd het accent te Ulrum anders gelegd dan te Genderen. Na 1886 is dit wel eens voorgesteld als gelijkstaande met het verschil tusschen Afscheiding en Doleantie. Dit is niet zoo. Beiden, de Cock en Scholte braken met de Herv. Kerk als genootschap, de doleerenden echter zeiden in de Herv. kerk te blijven, doch alleen de gehoorzaamheid aan de besturen op te zeggen. Zulk een tweeërlei accent ziet men bij elke reformatie der kerk. In de zestiende eeuw legde Luther het accent op het materieele beginsel der Hervorming, n.l, de rechtvaardiging door het geloof en Calvijn op het formeele beginsel: de terugkeer tot Gods Woord. Evenzoo zien wij dit in 1892 bij ons blijven op het oude Christ. Geref. standpunt. Sommigen legden den klemtoon op het verloochenen van het beginsel der Scheiding door de Synode van 1892 en bleven Christ. Gereformeerd om het kerkelijk beginsel te handhaven, anderen legden den klemtoon op de neo Gereformeerde dwalingen als één van de “niet het minst groote bezwaren”, gelijk in het bezwaarschrift van 1892 aan de Synode wordt gezegd. Deze twee gronden sluiten elkaar niet uit, maar in. Toch heeft de Christ. Geref. Kerk de acte van Afscheiding van Ulrum altijd als de geboorteacte van de Kerk der Scheiding erkend. Niet het kerkrechtelijk maar het leerstellig beginsel gaat voorop. Dat mag de a.s. Synode van Zwolle 1) wel goed voor oogen staan en als er geen basis van eenheid is in de leer, kan er ook geen basis zijn tot onderlinge bespreking van de geschillen. Dan zou men eenheid gaan maken, waar geen eenheid is in het fundament. Bij Scholte was echter de grond van Afscheiding dezelfde als bij de Cock. Daar te Genderen en Doeveren heel de gemeente bijna zich afscheidde, meende men de kerkelijke goederen te kunnen behouden. De overheid echter nam terstond maatregelen om het gebruik der kerkgebouwen te beletten en deze alleen open te stellen voor de ringpredikanten. Het verzoek van den kerkeraad aan den koning om in eigen kerkgebouw te vergaderen baatte niet, integendeel werden alle boeken en gelden opgevorderd, zoowel van de kerk als diaconie. Daarop preekte Scholte in een stal van de pastorie te Doeveren of op het open veld te Gendringen.

d. B.

1) Dit stuk werd geschreven vóór de Synode van Zwolle.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 5 October 1934

De Wekker | 4 Pagina's

Ons gedenkjaar. (XXVIII)

Bekijk de hele uitgave van Friday 5 October 1934

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken