Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kribbe te Bethlehem - III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kribbe te Bethlehem - III

Wereldconcentratie

10 minuten leestijd

Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den Koning Herodes, zie, eenige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen zeggende: waar is de geboren Koning der Joden? Want wij hebben gezien zijn ster in ‘t Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden. Mattheus 2 :1—2.

Kerstfeest is het feest van den geboren Koning, en al de eeuwen door zingt de gemeente des Heeren op haar Kerstfeest:

Gezegend zij de groote Koning,
Die tot ons komt in ‘s Heeren Naam.
Wij zeeg’nen U uit ‘s Heeren woning
Wij zegenen U al te zaam.

Jezus de Koning!
Maar dan zulk een Koning, die door zijn eigen volk verloochend wordt, en die door vreemden uit de heidenen gekroond wordt.
Wanneer het juist is, dat de moordenaar aan het kruis niet een Jood, maar ook een heiden zou geweest zijn, dan staat aan het begin, als ook aan het eind van Jezus leven, het heidendom dichter bij de poorten van het Koninkrijk Gods dan de kinderen des Koninkrijks. De wijzen spreken en roemen den geboren Koning der Joden, en do moordenaar in zijn stervensure smeedt ook nog een kroon voor den stervenden Koning, als hij den Heiland spreekt van diens Koninkrijk.
Hebt ge wel opgemerkt, dat telkens in de diepte van Christus vernedering de glans van zijn koninklijken luister optreedt?
Hier bij de Kribbe, straks zal Pilatus in de donkerste ure van Christus vernedering het volk toeroepen „ziet Uwen koning” en op den kruispaal zal God er voor zorgen, dat een moordenaar hem uitroept als Koning der eere. Al de schaduwzijde van zijn vernedering, al de donkerte van zijn lijden, al de nevels van het sterven kunnen dezen koninklijken glans niet dooven.
De wijzen vragen naar den geboren, Koning.
En de joden spreken en schreeuwen van een gemaakten koning. Hoort maar, hoe zij vóór den rechterstoel van Pilatus het uitroepen: een iegelijk, die zich zelven koning maakt, wederspreekt den keizer”. Ziet, hoe het joodsche denken stuk gebroken was op die schamele kribbe, en die onbegrijpelijke dienstknechtsgestalte van den Christus. De Jood had zich gestooten, en stoot zich tot op den dag van heden nog aan de kribbe en het kruis. Als de Jood spreekt van een „geboren” Koning, dan verrijst hij voor zijn oog in al den glans van aardsche luister. Het Messias koninkrijk moet komen met uiterlijk gelaat, en de verschijning van Messias zou het jodendom brengen tot het volk op aarde, en Jeruzalem tot de stad dezer wereld. En bij het heenblikken naar die gouden eeuw van aardsche luister riep de stem van het jodendom „zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods”.
Te midden van deze gemaakte en sterk aardsch gekleurde Messias verwachting verschijnt de Christus op aarde, en zijn verschijning is het tegenovergestelde, van wat gansch het jodendom als uitzicht heeft.
Wij zien geen aardsche heerlijkheid, geen koninklijke paleizen, geen rijkdom en pracht. We zien hier slechts een stal, een arm kindeke, in doeken gewikkeld, en straks een kroon van doornen en een spotkleed om de leden.
En nu wordt het ons te grooter, dat de wijzen in een wereld van aardsche verwachtingen, en vleeschelijk idealen, niet meegetrokken worden en niet afgetrokken worden, maar den koning, den geboren koning vinden in den nederigen stal en in de schamele kribbe.
Al zijn het heidenen, maar God zorgt er voor, dat bij de geboorte van Jezus ook de geboorte-acte wordt geschreven, niet door de hand van het jodendom, maar door die van hen, die eens verre waren, maar nu nabij gekomen zijn door de genadige opzoekende liefde des Heeren.
Wat zien wij toch reeds hier bij de kribbe, dat de Christus wereld-koning is, en dat hier wereldconcentratie op het schoonste uitkomt. God vindt in Christus de volken, en gaat het jodendom voorbij. Hier breekt het particularisme aan stukken, en hier triumfeert het rijke universalisme, waartegen thans Duitschland door een man als Kosenberg vuur en vlam uitslaat, maar dat zal overwinnen, hoe zeer het zondig nationalisme ook den kop opsteekt.
Geboren Koning! Dat is vernedering en verhooging tegelijk. Dat is kruis en kroon. Dat is tijd en eeuwigheid. Dat is nederlaag en overwinning. Dat is omkomen in het oordeel, en dat is triumfeeren op den troon des heelals.
Geboren d.i. de ingang in den donkeren nacht van zonde en schuld om als Borg van een schuldig volk voor God en onder God verloren te liggen zoo diep, als wij” in Adam verloren zijn.
Geboren d.i. tot zonde gemaakt worden, en het pad banen, dat uit den doolhof van zonde en dood opvoert tot de erve der heiligen in het eeuwige licht. Geboren d.i. worden onzer één om in het heilig recht Gods als de grootste der goddeloozen behandeld te worden.
Wat een acte van beteekenis, wanneer de mond der wijzen spreekt: „waar is de geboren Koning der Joden?”
Nu weten zij het, dat het Bethlehem is, waar zij Hem vinden zullen.
Let wel, dat weten zij niet uit het sterrenschrift, maar uit het geopenbaarde Woord van God. De ster moge aanleiding zijn geweest, maar het woord van God wordt hun veilige gids. En al spreekt dit woord nu niet van Jeruzalem, waar zij dezen Koning gezocht hebben’ al noemt dit woord een klein onbeduidend plaatske in Judea, nu zij de stem van ‘s Heeren Woord gehoord hebben zullen ze gaan, zonder redeneering, zonder tegenspreken, zonder wankeling.
Wat een verschil toch met de inwoners en met de wetgeleerden in Jeruzalem!
Dezen hadden den wijzen het pad getoond, maar niemand van hen ging met hen mede den weg van het zoeken heimwee op. Dat moet die wijzen toch wel koel en koud hebben toegesproken, en hoe zal het hun wel te moede geweest zijn, toen zij uit zulk een kille bijbelsche sfeer naar buiten traden den weg naar Bethlehem op?
Wanneer het toch geen heilige ernst bij deze menschen geweest was, hoe zouden zij thans naar hun land teruggekeerd zijn met de gedachte, als dit eigen volk der joden zich om deze dingen niet bekommert, hoe zullen wij, heidenen, het dan doen?
Maar ge kunt het hier leeren, wanneer er een waarlijk zoeken naar den Heere en zijne sterkte geboren is, dan zijn er wel tegenvallers op dien weg, maar zij kunnen ons niet afhouden van Hem, Die het middelpunt van ons zoekend zielsverlangen is geworden. En hebt ge niet opgemerkt, dat toen de menschen in Jeruzalem hen verlieten en heel Jeruzalem hen alleen liet gaan, de Heere hen niet verliet, maar thans het voor hen dubbel goed maakt.
Immers, als de wijzen op weg naar Bethlehem zijn, dan gaat de ster hen weer voor.
Dat wordt een dubbele weldaad. Gods Woord in de hand, en Gods vriendelijk aangezicht, neerblikkend van den hemel in het stralend sterrenlicht.
Het een vergezelt hier het andere, en zoo wordt Woord en ster, ster en Woord een bevestiging, een verzegeling aan het hart der wijzen. Ik kan zoo begrijpen, dat er staat geschreven, dat de wijzen verblijd werden, als zij de ster zagen.
Ja, Gods volk wordt op nieuw verblijd, als het woord van God telkens weer bevestigd wordt, dat de Heere hen gedenkt, en zijn aangezicht over zijn kind laat lichten, en hen dan verkwikt op den weg van zooveel teleurstellingen.
Daar treden zij voort steunend op de staf van Gods Woord, en verrassend getroost door de ster, die zij eens in ‘t Oosten gezien hadden. O leunt en steunt op ‘s Heeren woord, en de sterren rijzen, die uwe ziel zullen verkwikken op weg naar de kribbe.
Daar gaan zij, Jeruzalem achter zich, Bethlehem voor zich, en in gedachten verzonken „mijne wegen zijn niet uwe wegen, en mijne gedachten zijn niet uwe gedachten”. Zij dachten te Jeruzalem, en het zal te Bethlehem zijn.
Wat weten wij toch weinig waar en wanneer het water des levens ons tegenruischt. Het geestelijk leven, het leven met den Heere, is altijd zoo vol van verrassingen. Maar hoe het ook gaat, het loopt toch alles zoo, dat God de eer van alles krijgt, en dat wij op laatst moeten zeggen: Heere, het lag toch niet aan ons zoeken, want wij zochten nog in een gansch verkeerde richting, wij zoeken altijd weer den Levende by de dooden. Heere, het ligt aan Uwe hand, aan Uwe leiding, aan Uwe troost, en zoo vinden wij op laatst de kribbe, neen, meer dan dat, den Christus Gods, geboren Koning om mij geboren slaaf tot koninklijke heerlijkheid te leiden, en eens in Koninklijke paleizen op te nemen.
Daar zijn ze in de stal?
Maar gij wijzen, gij mannen van het intellect, vergist gij U niet?

Is dat, is dat mijn koning,
Dat aller vaad’ren wensch?

Ach, spreek niet langer alzoo? Wij lezen niet van de wijzen, wat ze gezegd hebben, wij lezen, wat ze gedaan hebben: Aanbidden, en wat ze gebracht hebben; goud en wierook en mirre. Dat is een gebroken hart, en een gevulde hand. Dat is hart en beurs voor Jezus ontsluiten. Dat is alles aan den Heere wijden, omdat wij alles, ja meer dan alles, in den Heere gevonden hebben.
Aanbidden. Laat deze zielsfeer uw Kerstfeest zijn. Dat is het rijkste Kerstprogram, dat wij kunnen vinden of schrijven.
Aanbidden dat is hemeldiepte in deze aardsche vlakte.
Aanbidden dat is zaligheid in deze somberheid van beneden.

Zoo moet de Koning eeuwig leven
Bidt elk met diep ontzag.
Men zal Hem het goud van Scheba geven
Hem zegenen dag bij dag.

Aanbidden… Daarin wordt ten slotte het gansche werk der zaligheid als een offerande Godes den Drieëenigen God ter eere toegebracht.
Aanbidden moet zijn de wereldconcentratie, gevonden bij Bethlehems kribbe. Zoo niet, dan zal de wereld zich al verder van den Christus vervreemden, en wie zich vervreemt van den Christus, van Zijn kribbe en Zijn kruis, komt ook tot aanbidding, maar het wordt zelfaanbidding, wereldaanbidding, stofaanbidding.
Eens kwam het Oosten om den Christus te eeren. Ik vrees, dat het Oosten van dezen tijd gereed staat om ons den Christus te rooven. Het leger van Goch en Magog wordt gemobiliseerd, en het ontwakend Oosten zal er een groote rol in spelen.
Wij gaan zware tijden tegen. Het Oosten ontwaakt, en het Westen dreigt in een te storten. Halelujah… Bethlehems kribbe staat nog, en zal blijven staan trots het woeden van Herodes, trots wereldgeest en satansdrift, trots Oost en West.
Zoo wordt Bethlehems kribbe niet alleen wereldconcentratie, maar ook een wereldgericht. Hier botsen de volken tegen elkander en het allerlaatste zal zijn, dat er nog een volk is, dat met de wijzen in de rust der aanbidding eindigt:

En, waar men ooit de wildste volken vond
Zal God ontvangen,
Aanbidding, eer en dankbare lofgezangen,
Want Hij regeert,
En zal Zijn almacht toonen,
Hij heerscht, zoover de blindste Heid’nen wonen,
Tot Hem bekeerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1935

De Wekker | 4 Pagina's

De kribbe te Bethlehem - III

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 december 1935

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken