Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onze natuurstaat.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onze natuurstaat.

Zondag 2

9 minuten leestijd

Kunt gij dit alles volkomenlijk houden? Neen ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.Vr. en antw. 5 Catechismus.En al het gedichtsel der gedachten zijns harten ten allen dage alleenlijk boos was,Gen. 6:5b.En wij waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen.Efeze 2:3b

Poppen-zonden!
Het woord is niet van mij, maar van de geroemden en gesmaden Barth, den Wenden dogmaticus, die met zooveel kloekheid het gevreesde Hitler-regiem in het aangezicht heeft durven weerstaan, en die deswege uitgebannen is.
Men moge van dezen theoloog zeggen, wat men wil, maar hij heeft in het slappe Duitschland het zondevraagstuk weer met groote klem en ernst aan de orde gesteld. Gij hebt een kind wel eens bezig gezien, zooals het zijn pop bestraft, zooals het allerlei fouten opsomt, en een heel schuldregister voor het oor van zijn pop schrijft. Welnu, zoo wil Barth zeggen, zoo spelen velen met de zonde, als dit zoo ernstige probleem aan de orde wordt gesteld.
Hoort eens, hoe Barth den mensch, den mensch van nature, teekent.
Hij schrijft: „hoe verschrikkelijk hij is, dat heeft toch nog geen mensch van uit zichzelf doorgrond. Wat de mensch in dit opzicht uit zich zelf peilt, dat zijn feitelijk poppenzonden en kinderachtige verdrietigheden, en nog op geen stukken na het werkelijke probleem der theodicee in zijn eigenlijke volstrekt-Terbysterende gestalte. De genade moet voorafgaan, opdat de zonde als zonde, de dood als dood, openbaar worde, en opdat wij met den Heidelbergschen Catechismus toegeven, dat wij van nature geneigd zijn God en den naaste te haten, en daarom met Luther: dat wij Verlorene en verdoemde menschen zijn.”
Zie, deze striemende waarheid is niet naar het humanitaire denken van deze Wufte eeuw, en niet naar den zin van a die menschen zonder ruggegraad, die bet zoo druk hebben over christelijke en matschappelijke deugden, herinnerende aan de „brave Hendrikken periode”.
Er is een tijd in ons vaderland geweest, en hij is misschien nog niet ge-keel voorbij, waarin men deze vraag en dit antwoord van den Catechismus een aanslag op de menschheid heeft genoemd. Het was in de dagen, toen Bilderdijk zijn striemend woord als een ware profeet des Heeren moest spreken, en toen deze held des Heeren zijn zwaard zoo dikwerf aangespte om de waarheid te verdedigen tegen den „jan sahe geest” van zijn dagen. Men hoorde in Bilderdijks dager over niets anders spreken en preeken dan over deugd, plichtsbetrachting, barmhartigheid, verdraagzaamheid, en tal van mooie deugden meer.
Wee, wanneer men het waagde eens wat anders te laten hooren, wanneer een prediker een lans durfde breken, voor wat hier in den Catechismus staat.
In één van zijn verzen teekent Bilderdijk den geest van dien tijd, en laat hij een hoorder spreken, die onder zoo’n gereformeerde preek had neergezeten:
‘k Zou zulk een preeken weer gaan hooren?
Vooral niet beste man
‘k Ben daartoe veel te teer van ooren.
Ik heb er mijn bekomst reeds van,
Hij tiert, alsof wij moordenaren of dieven, en nog meer,
Ja, schuim van wetverbrekers waren.
En dit, dit tast mij in mijn eer.

Deze geest, die zich met zooveel felheid tegen de gereformeerde waarheid: „God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd” is nog niet uitgestorven, en leeft voort overal, tot zelfs daar, waar men prat gaat op den naam „gereformeerd”, maar waar men de ongereformeerdheid van zijn hart en van zyn bestaan nog niet heeft leeren beweenen voor God.
Wij kunnen zulk een voorzichtig verdrag met de hel sluiten, en wij doen het overal, waar wij direct of indirect onze aanmerkingen hebben op dit harde, maar niettemin ware en ontdekkende woord van den Catechismus.
De menschheid is als een vulkaan.
Gij hebt natuurlijk allen wel eens iets gelezen van een vulkaan.
Zie daar rijst hij voor ons op, de vuurspuwende berg, die in zijn ingewanden dood en verderf draagt, die de schrik is van de bewoners, die in zijn nabijheid toeven. Zoo dikwerf het dof gerommel in het ingewand der aarde wordt gehoord, zoo menigmaal als die schoor-steenachtige kraters, die met het ingewand der aarde in verbinding staan, rooken, dan spelt dat gerommel en die kraterdamp niet veel goeds. Menige angstige blik wordt dan naar dezen bangen vuurhaard gericht, en niet anders dan met schrik en beving wordt aan een uitbarsting gedacht.
Zoolang echter de aardlagen niet scheuren en wegvallen, zijn het juist die aardlagen, die de vulkaan beletten het vuur, dat van binnen smeult, uit te braken.
Die aardlagen zijn als ‘t ware een deksel, die den ketel afsluiten, maar wanneer het water in den ketel op het kookpunt is, dan vliegt ook de deksel er af.
Zoo gaat het met aardlagen van den vulkaan. Zij houden hem in bedwang, maar op laatst dan slaat de kracht van het vuur en van de kookhitte alles aan stukken, en volgt de vreeselijke uitbarsting.
Dit is het beeld van den natuurlijken mensch en van heel de menschheid in haar natuurstaat. Het hart van den mensch, dat boos is van zijn jonkheid aan, is ais een vulkaan, waarin het vuur van den haat blijft zieden en koken. Gewis, de aardlagen houden het nog tegen. Zij zijn: fatstoen, beschaving, vrees voor menschen, stem van het geweten, angst over de gevolgen, en zooveel meer beletsels, als er kunnen zijn, die de vreeselijke hitte in den krater der menschheid in bedwang houden.
Maar dat neemt niet weg, dat in de diepte de krater blijft werken.
Het diep goddeloos menschenhart is deze verzengende krater, waaruit het vuur opvlamt, dat al zooveel verwoesting en jammer over deze aarde heeft gebracht. Waarlijk, wij leven tegenwoordig niet in een tijd, waarin wij eikander hebben te prijzen en te streelen als met een fluweelen handschoen. De tijd gaat langzamerhand voorbij, waarin heel het fatsoenlijk christendom den hoogsten toon op de markt des levens meende te kunnen voeren. Immers dat „fatsoenlijk” dat „gecultiveerde” christendom heeft zich zelf smadelijk geloochenstraft, en heeft in al zijn techniek, in al zijn overwinningen op de stoffelijke wereld niet de wereld en de menschheid herwonnen, maar al meer verloren.
Wij moeten ons veeleer schamen, dat wij ons in niets meer vergist hebben dan in den… mensch. De groote fout van deze moderne eeuw is, dat zij in God zoekt, wat zij alleen zich zelf heeft te wijten. De meeste menschen, die meenen en zeggen zich in God vergist te hebben, deden beter om het wat dichter bij te zoeken. Wij hebben den boom der menschheid „beschaafd” en wij hebben met groot gebaar over „beschaving” gesproken en Italië heeft het nog niet afgeleerd, maar wij hebben vergeten dat „beschaving” wel den buitenkant kan raken en den boom wat glad maken, maar dat het binnenste van den boom niet geraakt noch veranderd wordt, Het kwaad zit niet van buiten, maar van binnen. Het is niet het verkankeren van een tak of twijg, het is het verkankeren van den wortel, en nu kan al wat uit dien wortel opkomt nooit anders dan dit proces verergeren. Ook hier geldt het woord der Schrift „Zoo min een moorman zijn huid,en een luipaard zijn vlekken veranderen kan, zoo min kunt gij, die geleerd zijt kwaad te doen, goed doen.” Of dat andere woord van den Heiland: leest men ook vijgen van doornen, en druiven van distelen? Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, en een kwade boom geen goede. Het is dit vreeselijke proces der verdorvenheid en der doemwaardigheid, dat hier de Catechismus met zoo groote en duidelijke klaarheid noemt.
Het is hier de plaats om schaamrood te worden, dat er zooveel kiemen van haat en wrok in de menschheid, ook in U en in mij, welig tieren.
Niet, dat het bij ons allen zal komen tot een uitbreken van deze zondemachten. Daar is, Gode zij dank, nog een al-gemeene temperende genade Gods, waardoor de macht der zonde nog niet uitslaat naar alle kant. Daar is een norm der samenleving, die voor veel kwaads beschut. En daarbij komt nog, dat niet ieder op dezelfde wijze is ingesteld ten opzichte van de zonde en haar verleiding. Zeker, daar is een solidaire schuld uit de Adam, ons aller verbondshoofd, waardoor „de hebbelijkheid der zonde” in den wortel onzer natuur tot een verdervende macht is geworden. Maar daar is ook iets eigens in de zonde. De Schrift spreekt met zoo, groote nadruk, dat ieder, als hij verzocht wordt, van zijn eigen begeerlijkheid wordt verzocht. Dat is heel iets anders dan dat wij van nature alle verdoemelijk, of allen hatelijk zijn en elkander haten. Dat „eigene” dat „bijzondere” is meer de specialiseering van dit algemeene kwaad, dat bij den een meer het karakter aanneemt van hoogmoed, bij den ander van zinlijken drift, bij een derde van een godsdienstige bevlieging, die de „zwaarheid” roemt, maar de „klaarheid” ten eene-male mist. O, de zonde — let op, in het enkelvoud — heeft zooveel donkere kanten, die het donkerst worden, naar mate zij het vroomst ons toeschijnen, maar dat een vroomheid is, die voor God geen waarde heeft.
Wij gaan een gedeelte van den Catechismus lezen, waarbij ik aan niemand een sierlijke kroon in handen kan geven. Ik moet veeleer naar net geeselkoord wijzen, want er is niets, wat de hoogmoed van den mensch zoo onbarmhartig striemt, als wat hier te lezen staat. Ik kan begrijpen dat „onbegenadigde” in het leerzame boek van Wilhelmus Schortinghuis „het innige Christendom” een innerlijke afkeer van deze belijdenis heeft en zegt: „Maar, gij zult toch niet durven ontkennen, dat deze weg en leer, die ze bevinden en aankleven, veracht en onwaard maakt onder allerlei soort van menschen”. Sinds de dagen van Schortinghuis is hierin nog niet veel veranderd en kan al wat uit het vleesch leeft niet peilen in dezen krater, omdat het God niet op het hoogst wil verheerlijken, maar zelf naar een plaatsje der eere zoekt in bond met helpende genade.
En toch hier moeten wij leeren:

Zalig, zalig niets te wezen,
in ons eigen oog voor God.

A.(Apeldoorn)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Wekker | 4 Pagina's

Onze natuurstaat.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1936

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken