Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers

6 minuten leestijd

GereformeerdSchool verbanden Bondelingen.
Van de hand van Dr. E. D. Kraan is een brochure verschenen getiteld „Gereformeerde verbondsbeschouwing en Opvoeding”. In deze brochure worden schoone dingen gezegd. En toch stemt het ons niet rustig, wanneer wij lezen:
Van het normale geval uitgaande, dat wij op onze scholen kinderen ontvangen, die naar den geopenbaarden wil Gods ais bondelingen moeten worden gerekend, komt ten slotte voor ons de vraag aan de orde, op welke wijze wij, zoo ver ons betreft, hen in het verbond zullen inleiden.
Wij hebben ons afgevraagd, wat moeten wij hier onder bondelingen verstaan? Het is dezelfde vraag, die in 1899 gedaan werd op de Algemeene Vergadering van Gereformeerd schoolonderwijs. In 1899 werd op die vergadering de stelling besproken: Onderwijzers aan scholen voor Gereformeerd onderwijs hebben hunne leerlingen te beschouwen, dus op te voeden en te onderwijzen als wedergeborenen. Deze stelling is toen verworpen.
Maar thans staan wij nà 1905 en de Synode der Gereformeerde kerken heeft ons gezegd, wat wij onder „bondelingen” hebben te verstaan. Deze synode heeft zeer zeker uitgesproken, dat wij de bondelingen hebben te beschouwen, dus op te voeden en te onderwijzen als wedergeborenen.
Ik kan er ten minste nooit anders in lezen!
Deze kerken belijden immers:
En wat het vierde punt, de onderstelde wedergeboorte aangaat, verklaart de synode, dat volgens de belijdenis onzer kerken het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wande] het tegendeel blijkt.
Deze uitspraak aanvaardt, wat in 1899 op de Algemeene Vergadering van Gereformeerd Schoolonderwijs verworpen werd. Deze uitspraak zegt voldoende, wat wij onder „bondelingen” hebben te verstaan in Gereformeerd schoolverband.
Deze uitspraak roept de Chr. Ger, Kerk, hoe moeilijk dit ook is te staan naar eigen beginsel ook in school en opvoeding.
Gezangen, die Zijn naam verhoogen òf gezangen, die Zijn naam verstoren.
De Gereformeerde Kerken beleven nog niet veel plezier van de invoering der gezangen. Schier overal is verzet. Wij lazen nu in het officieel verslag van den kerkeraad van Werkendam:
Bij den kerkeraad ingekomen een schrijven van den heer W. V., „dat hij ook nà samenspreking blijft bij zijn besluit, en ontslag vraagt als ouderling, omdat hij niet langer samenwerken kan met broeders, die stelselmatig den naam van Jezus Christus weren uit ons kerkgezang.” De kerkeraad besloot het advies aan de classis Almkerk te vragen.
Voorts kwam bij den kerkeraad een schrijven, onderteekend door 239 belijdende leden „om te rekenen met hunne bezwaren tegen het zingen van de toegevoegde gezangen.”
Niet langer samenwerken met broeders, die den naam van Christus weren. Het is toch wel heel, heel erg.
Ik denk hier aan de Heraut van 15 Februari 1885, waarin Dr. Kuyper o.m. schreef hoe een dergelijke redeneering aantoonde, dat de eigenlijke liefde voor den Heere Jezus wel te vinden was bij de Arminianen, die reeds in 1600 met de gezangen dweepten, bij de Groningers en modernen, die er hard mee wegloopen, en niet zou te vinden zijn geweest bij al hét getrouwe volk, dat van Calvijn’s en Marnix dagen af zich volstandig verzet hebben.”
Ik ben blij, dat in de Gereformeerde kerk van Werkendam nog zooveel nazaten van Calvijn en Marnix leven.
Tusschen ja en neen of tusschen theorie en praktijk.
Zoo’n middelman, wat heb je er an.
Het „Gereformeerd” Jongelingsblad heeft geschreven over het „Christelijk tooneel”. Men zit zeker wat verlegen met tooneelvoorstellingen S.S.R., en het afkeurend oordeel gegeven over samenspraken op onze Jongelingsvereenigingen.
Tusschen ja en neen is een hellend vlak.
Het blad schrijft:
„Over de vraag of we moeten komen tot een Christelijk tooneel wordt zeer verschillend gedacht. Men redeneert soms, dat God den mensch de gave heeft geschonken om uit te beelden in woord en gebaar, wat er in zijn ziel leeft en dat de mensch deze gave tot ontwikkeling moet brengen, ook op het terrein der dramatische kunst. Die kunst vormt dan een onderdeel van de opvoeding tot schoonheid en mag daarom door den Christen niet worden verwaarloosd. Krachtig wordt er door de voorstanders dezer kunst op aangedrongen, dat ze alleen als kunst moet worden beoefend en niet het karakter van vermaak mag dragen. De bekende Pniël redacteur, dr. J. H. Gunning schreef daarover indertijd: „Ik zou een tooneel begeeren, dat in waarheid een jongere broeder der kerk kon heeten, een tooneel van hoog-zedelijke strekking, waarlijk opvoedend van karakter, stichtelijk in den besten zin van dat schoone woord, dat opbouwen beteekent; een tooneel, dat op andere wijze dan de kerk het vermag, van de heiligheid en de onveranderlijkheid der zedelijke wereldorde getuigt en dat de sombere tragiek van het gevallen menschenleven bestraalt met het licht der goddelijke liefde en der blijde hope. Het tooneel laat ons de wereld in het klein zien en indien daar de geest van het ware, goede en schoone tot uiting en tot overwinning komt, kan het een kweekplaats van de edelste gevoelens en gezindheden worden, die dan op Gods tijd en op de door Hem daarvoor bestemde wijze, den doop des Heiligen Geestes ontvangen kan. Waarom zou men aan de mogelijkheid dezer dingen wanhopen en waarom zou de kerk hier vijandig moeten optreden?
Prof. Schilder is van meening, dat niet kan worden ontkend, dat een Christelijk tooneel op zich zelf te denken en ook te realiseeren is. Op den bodem van een Christelijke wereld  en levensbeschouwing, acht hij, onder veel voorwaarden en met alle beperking, die de Christelijke vrijheid meebrengt, in abstracto plaats voor een Christelijk tooneel. Maar tevens acht hij het tamelijk wel onbereikbaar.
Na nog verschillende andere meeningen uit Christelijken kring te hebben aangehaald, besluit het blad: „Wij zien hieruit, dat de wenschelijkheid van een Christelijk tooneel slechts in theorie wordt erkend; niet zoodra wil men komen tot een practische uitvoering, of de moeilijkheden zijn zóó groot, dat men er van overtuigd is, dat deze in deze zondige wereld onoverkomelijk moeten worden geacht. Gezien de historie, die telkens weer wijst op een afglijden naar het mindere, moeten wij dus tot de conclusie komen, dat zelfs dan, wanneer men in theorie het Christelijk tooneel zou willen aanvaarden nochtans de practische moeilijkheden en gevaren zóó groot zijn, dat een Christelijk tooneel nóch wenschelijk nòch mogelijk moet worden geacht”.
Wij houden het nog maar liefst met onzen ouden Heidelberger, die niet dwarrelt tusschen „ja en neen”, tusschen „theorie en praktijk”, maar die op positieve toon, een Gereformeerden belijder waard, zegt: dat God Zijne Christenen niet door stomme beelden — gij moogt dit uitbreiden en er achter schrijven: ook niet door caricatuur voorstellingen als het Christelijk tooneel — maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

A.(Apeldoorn)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1936

De Wekker | 4 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 maart 1936

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken