Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de Pers

6 minuten leestijd

Gereformeerde verbondsbeschouwing en opvoeding.
Over dit onderwerp heeft Ds. L. H. v. d. Meiden een referaat gehouden op de jaarvergadering voor Chr. Geref. School-onderwijs te Zwolle. Wij achten dit referaat van groote beteekenis, en wij meenen er goed aan te doen hiervoor een plaats in te ruimen in ons Kerkelijk Orgaan. Zie hier het verslag, dat wij van dit Referaat vonden:
Ref. stond eerst stil bij het geschrift van Dr. Kraan, waarvan hij veel gaarne onderschrijft, o.a. dat alle onderwijs en opvoeding door een bepaald uitgangspunt moet beheerscht worden, enz. Maar het uitgangspunt van Dr. Kraan, dat de ouders mogen gelooven, dat hun kinderen de eerste van de beloften, betreffende de wedergeboorte, deelachtig zijn”, vindt bij hem bestrijding. De opvoeding is zonder dit uitgangspunt, volgens Dr. Kraan, onmogelijk.
Ref. besprak daarna de critiek, welke Dr. Kraan maakte o.a. op de Chr. Geref. en wees op het verkeerde van het geven van onvolledige citaten en ongeargumenteerde beschuldigingen.

In de tweede plaats besprak ref. de les der historie. De les der historie leert niet onvoorwaardelijk, wat de voorstanders van de leer der veronderstelde wedergeboorte, op grond van het verbond, leeren. Calvijn legde telkens nadruk op de belofte, die den Godvruchtigen is gedaan; de kinderen worden door den doop vermaand en opgewekt tot een ernstige begeerte om den Heere te dienen, enz. (Institutie, IV, 6, 9, 16).
In de bestrijding van de Wederdoopers doet Calvijn scherpe uitdrukkingen, doch schrijft duidelijk, dat de kinderen, die de Heere verkoren heeft, de wedergeboorte kunnen ontvangen en als zij uit het tegenwoordige leven verhuizen eer ze groot geworden zijn, zullen ontvangen (IV, 16, 21). Dienvolgens moet men bij den kinderdoop geen andere werking vereischen, dan dat ze het verbond bevestige en versterke. Ref. wees ook op Calvijns leer in „Consensus Tigurinus”, waarin gelezen wordt, dat de jong gedoopten door God in de kindsheid, in de aanvangende jongelingschap of in den ouderdom worden wedergeboren. Calvijn en de andere dienaren van Zürich stelden deze Consensus op.
Ook wees spr. op den Catechismus van de Kerk van Genève. Daarin lezen wij, dat „het niet noodig is, dat aan den Doop altijd geloof en bekeering voorafgaan.” En op de vraag, op welke voorwaarde gedoopt moet worden, wordt geantwoord, „dat betuigd worde, dat zij zelf erfgenaam zijn van de zegening aan het zaad der geloovigen beloofd, opdat zij, wanneer, nadat zij opgewassen zullen zijn. de waarheid des doops door hen bekend is, vrucht daaruit ontvangen en voortbrengen.” Hoewel deze Catechismus vele bewerkingen onderging, bleef deze uitspraak. voorzoover spr. weet, onveranderd.
Ook wees ref. op het Doopsformulier van Calvijn. In dit Formulier wordt gezegd: „Derhalve…… zullen wij dit kind in Zijn Kerk aannemen, opdat het al de goederen…… deelachtig worde”. En dat bedoeld is „in de hoop van,” blijkt uit het gebed: Wij……..bidden U, dat Gij U wilt verwaardigen, om deze weldaad aan dit kind te bevestigen……” „Maar opdat het deze weldaden kunne aannemen, verwaardig U om het tot de gemeenschap van onzen Heere Jezus aan te nemen, : opdat het deele in al Zijne goederen.” In deze officieele stukken wordt dus niets van de neo-gereformeerde leer gevonden. En spr. kan begrijpen, dat Dr. Kramer in zijn bekend werk schreef: „Indien de hervormer niets anders geleerd had, zou onder zijn verklaring van den kinderdoop geschreven moeten worden: „Mislukt.” Maar -wij gelooven, dat Calvijn duidelijk de Schriftuurlijke leer er in weergeeft. Wij weten, dat Calvijn ook andere uitspraken deed, aldus ref., maar wij bezien die in het licht van den strijd met de wederdoopers.

In de derde plaats wees ref. op de Schrift en de Confessie, Spr. herinnerde aan het -woord van wijlen Prof. L. Lindeboom, dat noch Schrift. noch belijdenis deze leer (veronderstelde wedergeboorte, enz.) leeren. Ook dat is in de leer van Calvijn. De uitverkorenen worden niet allen terstond van moeders lijf aan, noch op denzelfden tijd tot de Schaapskooi van Christus verzameld, Calvijn veroordeelt zeer scherp hen, die droomen van eenig zaad der verkiezing in de harten der verkorenen van hun ge-boorte ingeplant. Hij noemt hen neuswijze menschen, die zulke dingen zichzelf verdichten (Inst. III. 24, 10, 11),
Besproken werden de volgende Schriftuurplaatsen: Joh. 15:2; Rom. 11 ; 16; 1 Cor. 10:1—5; 1 Cor. 7: 14. In het kort werd ook gewezen op de beteekenis van art. 33 der Confessie, op vragen en antwoorden 66 en 69 van den Heid. Catechismus en I, 3 7 en III en IV, 15 der Dordtsche leerregels. In betrekking tot de Formulieren herinnerde spr. aan het Doopsformulier van 1580.

Ten vierde besprak referent Verbond en opvoeding, Spr. kan zeer wel onderschrijven de definitie der ouderen: Het Verbond der genade is de weg, waarlangs God het eigendom wordt van den uitverkoren zondaar en die zondaar is het eigendom Gods. Maar daarmee is niet alles gezegd. Ref. wees allereerst op de Schrift (Gen, 17:7, 8; Deut. 29: 10—13). Daarna wees hij o,a. op P. v. Mastricht, die spreekt van tweeërlei gemeenschap of mededeeling van de weldaden des verbonds, een uitwendige en een inwendige gemeenschap des genadeverbonds enz. (II, 390).
Op grond van al het bovenstaande verwerpt ref. het uitgangspunt nemen in de veronderstelde wedergeboorte op grond van het verbond en stelt hij op grond van de Schrift en de Belijdenis vast:
1e. De gedoopte kinderen zijn van nature verdoemelijk voor God en moeten wedergeboren worden (Joh. 3) zullen zij niet als kinderen des Koninkrijks buiten-geworpen worden (Matth. 8 : 12).
2e. Wij moeten de kinderen bij het doopvont leeren de roep van Gods oordeel en de verzegelde belofte en doen verstaan het verschil tusschen de sacramenteele schenking en de subjectieve deelachtigmaking door den Heiligen Geest.
3e. Dit uitgangspunt maakt de opvoeding niet waardeloos, maar geeft klem aan de opvoeding (Deut. 29:1 Cor. 10; Ps. 105:8—10, enz.).
4e. Bij de opvoeding moeten wij, naar de Schrift onderscheiden de tweeërlei gemeenschap des verbonds, zooals v. Mastricht o.a. zoo schoon uiteenzette en de kinderen leeren, dat de wedergeboorte in het geluid des Geestes zich openbaart (Joh. 3).
5e. Bij de opvoeding moeten wij wijzen op de trouw Gods en de zekerheid der belofte. Wij hebben zeker de verbondsleer in N. Testamentisch licht te zien en dat licht te laten schijnen voor onze kinderen, voor onze jongeren in hun strijd en worsteling.
6e. Wij moeten vooral het gebed niet vergeten. De goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over degenen die Hem vreezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1936

De Wekker | 4 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 augustus 1936

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken