Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Onrecht? (4)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Onrecht? (4)

Zondag 4

9 minuten leestijd

Doet dan God den mensch geen onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eischt, wat hij niet doen kan?Neen Hij, want God heeft den mensch alzoo geschapen, dat hij dat kon doen, maar de mensch heeft zich zelven en al zijn nakomelingen door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gave beroofd.Vr. en antw. 9 Catechismus.Zou de Rechter der gansche aarde geen recht doen?Genesis 18 : 25b.

Onze Catechismus spreekt hier over het „ingeven des duivels”.
Is dat een slang geweest? Is dat geweest het zintuiglijk waarneembare beest?
Gij weet, dat het deze vraag is geweest, die heel wat beroering in de kerkelijke wereld heeft opgeroepen, en dat wij daaraan hebben te danken een nieuwe kerkformatie, die als Gereformeerde kerken in hersteld verband zich aandienen. Deze kwestie hier ophalen behoeft niet, maar haar geheel verzwijgen kan niet voor ieder, die in de laatste jaren kerkelijk heeft meegeleefd.
Wij weten, dat de Synode der Gereformeerde kerken het pleit gevoerd heeft voor de „zintuiglijk waarneembare werkelijkheid” en heeft daarmede zoowel de symbolische als mythische verklaring veroordeeld.Deze beide zienswijzen zijn hierin van elkander onderscheiden, dat de mythische verklaring alle feiten opheft. Alles is slechts speling der fantasie in het brein van een schrijver, terwijl de symbolische verklaring de feiten wel handhaaft, maar de inkleeding dier feiten niet als historisch erkent. Zoo blijft bijv. het feit der zonde wel bestaan, en de val is volle werkelijkheid, maar dat nu juist een slang of twee hoornen in het paradijs ook werkelijkheid zijn is nog niet uitgemaakt. Deze zinnebeeldige verklaring houdt bijv. de slang voor een teekening van de zinnelijke begeerte, en de beide hoornen als zinnebeelden van verstandigheid en onsterfelijkheid. Terecht heeft de Synode der Gereformeerde kerk zulk een gevoelen veroordeeld, want dat tast het gezag der Schrift aan. Het is o.i. maar jammer, dat men de wacht niet even sterk heeft betrokken bij Genesis 1, als dat men dit bij Genesis 2 en 3 heeft gedaan.
Maar wanneer wij nu opkomen voor wat wij noemen de historische verklaring, dan is daarmede niet gezegd, dat alle Schriftuitleggers het met elkander dadelijk eens zijn over de slang. Met is de vraag, of dit een slang geweest is, of dat satan, die zich veranderen kan als een engel des lichts, de gedaante van een slang heeft aangenomen. Onze belijdenisschriften geven op dit bepaalde punt geen uitspraak en gewagen nu eens van den duivel, gelijk hier in den Catechismus „ingeven des duivels” en op andere plaats van slang, maar dan is het opmerkelijk, dat het dan juist is in de beteekenis van satan. Immers in art. 17 van onze geloofsbelijdenis lezen wij „belovende hem zijn zoon te geven, die worden zou van een vrouw om het hoofd des slangs te vertreden”. Hier is toch wel duidelijk aan den duivel gedacht, die door Christus zal overwonnen worden. En meermalen wordt in de Schrift gesproken van de oude slang, de satanas. Wanneer wij het dus zoo lezen, dan zouden slang en duivel en satan verschillende benamingen zijn voor het zelfde wezen.
Nu is voor deze verklaring veel te zeggen. Wij hebben dan in het paradijs niet met een slang, maar met den satan zelf te doen. De theologen, die hiervoor het pleit voeren, staan sterk met dit woord der Schrift „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en tusschen haar zaad, dat zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen”. Alle Sohriftverklaarders zijn het er over eens, dat wij hier vinden de overwinning van den Christus op satan. Den kop vermorzelen kan niet anders beteekenen dan vernietiging van des duivels macht, en de verzenen vermorzelen ziet op de macht des boozen tegen het beloofde zaad. Die verklaring wordt door ieder toegestemd. Wanneer dit nu alles niet op de slang als zoodanig, maar op den duivel wordt toegepast, dan heeft het ook zin om de woorden „op uwen buik zult gij gaan, en stof zult gij eten” te zien als de diepte der vernedering, waarin de duivel zal worden neergestort, en deze woorden ook op satan te laten slaan, evengoed als al het voorafgaande.
Deze verklaring lijkt mij beter dan die, welke Dr. Kuyper voorstaat. Deze stelt, dat satan in een slang voer, gelijk bijv. het varen van de duivelen in de zwijnen. en het wonen van daemonen in bezetenen. Het sterkste voorbeeld zouden wij dan vinden in Judas, van wien wij lezen „toen voer de satan in hem”. Dan wordt verder gewezen op het spreken van Bilearns ezel, en zelfs wijst Kuyper nog op het snateren van een ekster, die ook geluiden kan voortbrengen.
Dat spreken van een ekster kunnen wij hier wel uitschakelen, en verraadt slechts zwakheid in de verklaring. Wij hebben in het paradijs een geregeld gesprek met duidelijke zinswendingen, met logische gevolgtrekkingen, en begripmatige grootheden, die alleen bij de menschelijke spraak en menschelijk denkvermogen te vinden zijn. Maar het is juist deze logische redeneering, die de moeilijkheid hier vergroot om zonder meer aan de slang te denken. De vergelijking met Bileams ezel gaat hierom niet op, omdat wij dan staan voor een wonder Gods! God kan alleen wonderen doen, en daarvoor heeft elk het hoofd te buigen. Er staat uitdrukkelijk „de Heere nu opende den mond der ezelin”. Maar een dergelijk wonder aan den satan toe te kennen lijkt mij al te groote eer. En als er wordt gewezen op de kudde zwijnen, waarin satan voer, dan vergete men ook niet, dat wij lezen het verzoek van satan om in die kudde te varen, en dat deze daad van den duivel geschiedde niet zonder directe toestemming des Heeren. Dit zal men toch zeker niet in het paradijs kunnen aannemen. En als ten slotte gewezen wordt op de bezetenen en op Judas, dan is hier vooreerst van groote waarde, dat wij te doen hebben met menschen die door den Schepper met spraakorganen zijn begiftigd, en dat dit alles geschiedde in de sfeer der zonde. Dit een en ander kunnen wij in het paradijs niet ontdekken.
Ik vind het dan ook van groote beteekenis, dat onze Catechismus niet spreekt van de slang, maar van den duivel, dat eens een geniale troongeest is geweest, en die al de kwaliteiten bezit, die uit de logische redeneering spreekt. Voor zoover wij de belijdenis kunnen nagaan, zijn hier slang en duivel woorden van gelijke beteekenis, en zelfs in de verschillende andere belijdenisschriften als de Engelsche belijdenis (Westminster confessie. Schotsche confessie), als de Zwitsersche belijdenis (confessio Helvetica) worden de namen slang en duivel door elkander gebezigd. Verder op deze zaak in te gaan lijkt mij niet noodig, hoewel deze kwestie door prof. Noordtzij en prof. H. Visscher nog geheel anders wordt gesteld.
Voor ons is het voldoende, wanneer wij de twee meeningen naast elkander laten bestaan òf van hen, die slang en duivel woorden van gelijke beteekenis achten, òf van hen, die de natuurlijke slang zien als een werktuig door satan gebruikt.
Aan den historischen zin der Schrift wordt hier op geen enkele wijze geweld gedaan, en beide meeningen zijn dan ook altijd in de kerk verbreid geworden, en geen enkel officieel belijdenisschrift heeft hier een besliste uitspraak gedaan. Ingeven, d.i. inspireeren, inwerking indringing, overtuiging des duivels, staat tegenover de ingeving, de inwerking en overtuiging uit den Heiligen Geest. Satans geest of Gods Geest werken beide op dezelfde manier in dien zin, dat zij beiden het hart, den geest van den mensch, willen overmeesteren.
Een stuk ijzer kunnen wij met den hamer bearbeiden, en een stuk hout door machine en zaag een vorm geven, zoo-als wij willen, maar het hart van den mensch kunnen wij niet winnen met beukhamers en met zwaarden, maar wordt ingewonnen door overtuiging en redeneering, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.
Daarom heeft dit woord „ingeven” hier zoo grooten zin. Het is het wegtroonen en weglokken met allerlei rede beleid en logische conclusies van God en Zijn Woord. Het is de aanwijzing, hoe in den loop der eeuwen zal gehandeld worden, wanneer satan zijn best zal doen om het rijk van Christus te schaden. Dan zal dat niet het meest zijn met den zwaren sabel, met moordtuig en schavot, want ten slotte bleek, dat het bloed der martelaren het zaad der kerk was, maar veeleer door de wetenschap, door de ontdekkingen in de wetmatigheden der schepping, toen de natuurkennis zoo hoog klom, dat zij voor een schoonen wereldbouw geen God als Schepper meer noodig had, en alles langs lijnen van evolutie en van gelijkmatige ontwikkeling kon verklaren.
Hoevele worden door dit gift aangestoken, hoevelen door dien gloriezang der wetenschap bekoort. Wij zien al meer een wereld rondom ons ontwikkelen, die door het ingeven des duivels al sterker zich mobiliseert tegen God en Zijn Gezalfde. Er is geen terrein meer, waar satan niet het hoogste woord wil voeren, en het laatste woord wil hebben. Alle koninkrijken der aarde wenken hem thans toe, en hij, wenkt die alle toe. Meer dan ooit komt de ure dichter, dat satan gaat mikken naar het toppunt van glorie, nu de volken der aarde al meer geïnspireerd blijken te worden door dezen vorst der hel.
Gelukkig, daar is nog een volk op aarde, dat leeft uit de ingeving des Heiligen Geestes, geleid naar en in het heilig blad van het Woord van God. Dit zijn niet slechts schriftgeleerden; hier hebt ge godgeleerden, die het „welgelukzalig is het volk, dat het geklank kent” beluisteren over de velden der ziel en dat soms in sprakelooze aanbidding den drieëenigen Bondsgod mag verheerlijken. Zeker, dat is slechts een klein beginsel van deze ingeving des Heiligen Geestes. Daarom worstelen profetie en Nieuw Testament, daarom zoeken en tasten heilige mannen Gods naar woord en beeld in de Schrift om iets te vertolken van het groote goed, dat God heeft weggelegd voor allen, die Hem vreezen, om te kennen gelijk als wij gekend zijn. Gods Geest en satans geest zijn de twee machten, die den strijd op leven en dood hebben aangegaan. De botsing wordt al zwaarder, het strijdgewoel al benauwender, de kamp al bloediger, maar de overwinning zal heerlijk zijn, als de einden der eeuwen zullen hooren het loflied, dat den hemel, ja den hemel der hemelen, zal doorklinken, ter eere van Hem, Die op den troon zit en het Lam.

God is groot, ik weet, dat Hij
Hooger is dan alle goon.
Onze God voert heerschappij,
Hij beheerscht van Zijnen troon
Hemel, afgrond, zee en aard,
God is aller hulde waard.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1937

De Wekker | 4 Pagina's

Onrecht? (4)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 februari 1937

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken