Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

7 minuten leestijd

Geheel onverwacht is er eenig perspectief gekomen in het conflict tusschen den N. S. Staat en de protestantsche kerken in Duitschland. Dat er in de een of andere richting iets moest gebeuren was te voorzien; men kon echter niet vermoeden wat. Want het kon een daad van macht of een daad van recht zijn. Men kon de Kerk eenvoudig inschakelen en haar tot een onderdeel van den Staat maken; zoodat zij geheel onder Staatsvoogdij kwam, of men kon haar volledige vrijheid van handelen toestaan om haar eigen organisatie volgens kerkelijke beginselen te laten vaststellen. Wij hebben wel eens gevreesd, dat men het eerste doen zou en indien men alleen met de protestantsche kerken te doen gehad had, zou men het misschien ook wel aangedurfd hebben ; maar er is in Duitschland ook nog een R.K. kerk, waar de Staat een concordaat mee gesloten heeft. Wel heeft de Staat dit concordaat meer dan eens op een ergelijke wijze geschonden, de bekende Kardinaal Faulhaber heeft daarvan kort geleden in het openbaar enkele voorbeelden van aangegeven, maar tot opheffing ervan heeft men toch niet durven besluiten. Men heeft zelfs den Kardinaal niet ter verantwoording geroepen, nadat hij in zijn kerk voor meer dan 5000 menschen het zondenregister van den N. S. Staat had opgehangen.
Alles te saam genomen heeft men in Berlijn geen oplossing van het kerkelijk vraagstuk door midel van de Staatsmacht aangedurfd, wat stellig geweldige bewegingen in het volk zou veroorzaakt hebben en het prestige van Duitsland een gevoelige knak gegeven zou hebben en toen de Rijkskerkcommisie en bloc aftrad moest er onmiddelijk raad geschaft worden om een kerkelijke chaos te voorkomen. Zaterdag 13 Febr. j.l. vernamen wij dat de Rijkskerkcommisie haar mandaat had neergelegd. De Lubecker zaak was de druppel, die den emmer deed overloopen.
De confessioneele predikanten aldaar werden wederrechtelijk door den jeugdigen radicaal-Duitsche Christelijke Bisschop ontslagen. Het Rijkskerkcomité bleek aan de zijde der predikanten te staan. Het Ministerie voor Kerkelijke Zaken aarzelde. En toen de Geheime Staatspolitie ds. Zollner, die te Lübeck voor de ontslagen predikanten zou spreken, spreekverbod oplegde, bleek het Ministerie voor Kerkelijke Zaken hiertoe de Geheime Staatspolitie te hebben aangespoord. Vandaar dat het comité besloot heen te gaan. Het vroeg bij Minister Kerrl zijn ontslag, hetwelk door hem aanvaard werd, terwijl de landelijke kerkcomité,s bleven bestaan. Het Rijkskerkcomité moet van te voren nog een geestelijk ministerie gevormd hebben, bestaande uit vier geloovige predikanten en één rechtsgeleerde, maar ook deze commissie werd door den minister niet aanvaard. Minister Kerrl is daarop naar Hitler gegaan en heeft meer dan een dag met Hitler geconfereerd en resultaat van deze conferentie is geweest, dat Hitler besloot een verkiezing te laten uitschrijven voor een nieuwe Kerkelijke Synode, Wat beteekent dit besluit nu? Eerlijk gezegd tasten wij op dit oogenblik nog volslagen in het donker, omdat men niet weet, welke voorwaarden er voor deze verkiezing zullen gesteld worden. Het Ned. Christ. Persbureau knoopt aan dit besluit de volgende beschouwingen vast.
„Dit decreet wordt algemeen voor den Staat de beste weg geacht. Het is steeds Hitlers standpunt geweest, dat de moeilijkheden in de Duitsche Evangelische Kerk een interne aangelegenheid was, met welke de Staat zich niet dan in uiterste instantie bemoeien moet. De benoeming der Rijkskerk-commissie-Zòllner, op verzoek van alle partijen in de kerk, was een noodsprong, welke tegen dit principe inging. De Staat incasseert de mislukking van dezen noodmaatregel zonder veel leedwezen en geeft de oplossing nu weer aan de leden der kerk zelve in handen.
„Toch is het niet met vreugde, dat dit geschiedt. Want de noodsprong van de benoeming der Rijkskerkcommissie gold verleden jaar welhaast als een laatste mogelijkheid. De richtingsstrijd in de Duitsch-Evangeliscbe kerk is zoo hoog geloopen, dat van een laatste mogelijkheid moest worden gesproken. De richting-Niemöller wil geen enkele samenwerking met de andere richtingen en eischt de uitbanning van de Duitsche Christenen, welke richting toch zeker ook een belangrijk deel der kerk uitmaakt. De Duitsche Christenen beantwoorden deze „actie” met een felle „reactie”.
„De groote Luthersche kerken willen het Barthiaansche standpunt van de Barmerverklaring waaraan de richting-Niemöller als absolute eisch vasthoudt, absoluut niet aanvaarden.
Het is niet te zien, hoe een en ander nochtans in één kerk zal kunnen samenwerken. Daarom vreest men ook, dat als een generale synode zal zijn gekozen en men zich niet zal verliezen in strijdvragen over de wettige en ordelijke keuze dezer synode, op deze synode de groepen niet in staat zullen blijken om samen een kerkleiding te vormen en dit mogelijk het uiteenvallen der Duitsche Evangelistische kerk zal beduiden, met als consequentie: scheiding van kerk en staat en ophouding van de staatsbijdragen aan de kerk.
„Deze afloop wordt althans in Duitsche ingewijde kringen vrij sterk verwacht en ligt ook in den gang der dingen. Voor de positie van het Protestantisme op het continent zal deze afloop echter een ramp beteekenen, ook al zal elke kerk op zichzelf zich dan naar eigen aard kunnen ontwikkelen, hetgeen velen bij allen rampspoed toch ook weer een nieuw begin achten, waartoe noodzakelijk teruggekeerd moet worden,”
De N.R.Ct. deelde mede, dat er in het kerkelijk ministerie besprekingen gevoerd waren, omtrent het reglement der a.s. kerkelijke verkiezingen, waaraan ook een vertegenwoordiger van het ministerie van Binnenlandsche Zaken zou hebben deelgenomen. Naar verluidt deden zich daarbij twee groote moeilijkheden voor.
De eerste betreft de opstelling der candidatenlijsten en de tweede het al of niet deelnemen aan de stemming door niet-Arische gemeenteleden.
Omtrent deze kwesties verneemt genoemd blad. dat het niet zeker is, hoe de candidatenlijsten opgesteld zullen worden.
Zal deze gescheiden door de landskerken, zullen er eenheidslijsten worden opgesteld, of zullen door sommige landskerken voor de verschillende richtingen onderscheiden lijsten van candidaten worden opgesteld?
Maar dan is er nog een tweede moeilijkheid, en dat is het Kerkelijk stemrecht van de leden van de Evangelische kerk. welke van Joodsche afstamming zijn. Men neemt aan, dat deze wel een paar honderdduizend in getal zijn, en onder hen zijn eenige op den voorgrond tredende predikanten. Deze mogen volgens de Neurenbergerwetten geen Arische dienstmeisjes onder de 45 jaar hebben. Mogen zij nochtans meestemmen? De belijdenisrichting zal deze vraag bevestigend beantwoord willen zien. Evenwel is onlangs nog door den rijksminister van binnenlandsche zaken, dr. Frick, gezegd, dat de Neurenberger wetten tot de grondwet des Rijks behooren en zoo is mogelijk, dat de regeering resp. het kerkelijk ministerie dezen Joodschen christenen het stemrecht zal willen ontzeggen. In dat geval moet worden afgewacht, of de belijdenisrichting zich niet van stemming zal onthouden.
Na het vaststellen van het verkiezingsreglement zal de propaganda beginnen. In de eerste plaats zullen de predikanten, ieder naar hun richting, de beteekenis van de verkiezingen in de kerk uiteen kunnen zetten. In de tweede plaats zal daarnevens waarschijnlijk ook progaganda in de pers worden gevoerd en in dat geval lijdt het nauwelijks twijfel, of de richting, welke ongeveer met die van de Duitsche Christenen, die zich in den laatsten tijd liever „Godgeloovigen” noemen, overeenkomt, over de sterkste propaganda-middelen zal beschikken. Want de groote bladen zullen uit den aard der zaak nauwelijks de partij van een oppositioneele groep kiezen.
Met het oog op een en ander kunnen wij dan ook ten volle begrijpen, dat men in de kringen der belijdende kerk huiverig is om te gelooven, dat het nieuwe initiatief van den Führer tot een definitieve oplossing van het kerkelijk vraagstuk zal leiden. Veel meer vreest men, dat de „Duitsche christenen”, wier invloed in den laatsten tijd sterk was afgenomen, thans een nieuwe gelegenheid zullen zien, om door de macht hunner officieel beschermde organisatie en door het geweld van een gemakkelijk te bereiken numerieke meerderheid, den tegenstand van de Belijdende Kerk te fnuiken. De stemming in oppositioneele kringen is dan ook uiterst gedeprimeerd. Terwijl de mannen der belijdende kerk geenerlei gelegenheid hebben, om hun standpunt in het openbaar toe te lichten en te verdedigen, vermogen de „Duitsche christenen” een grootscheepsche perscampagne te voeren, een campagne, die door de nationaal-socialistische pers zonder twijfel, indien noodig. zal worden gesteund.
Onze Duitsche Broeders en Zusters die getrouw willen blijven, gaan wellicht zware dagen tegemoet. Laten wij hen in ons gebed niet vergeten, opdat zij in hun strijd, de troost en de kracht mogen ervaren van het geloof in de gemeenschap der heiligen.

d.H. (Den Haag) J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1937

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 februari 1937

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken