Bekijk het origineel

Groen van Prinsterer en de praedestinatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Groen van Prinsterer en de praedestinatie

7 minuten leestijd

De Banier, het politiek lijfblad van de Staatkundig Gereformeerde Partij, meende mij een berisping te moeten toedienen, over wat ik schreef in „De Wekker” over Groen en de praedestinatie. (zie No. 45.) Laat dat blad toch niet zoo boos op mij zijn. want ik ben heelemaal niet boos op de Banier. Het gaat mij om geen partij-politiek, en om geen vóór of tègen Rome, het gaat mij om de waarheid. Ik heb vele broeders en zusters onder de Staatkundig-Gereformeerden, gelijk ik vele broeders en zusters heb in het Hervormd Genootschap, Laten wij met elkander trachten de waarheid te dienen in liefde, en in tucht des Geestes.
Welnu, dan zeg ik hier zoo rustig, dat al wat ik schreef over Groen en de praedestinatie niets nieuws was, en reeds was gezegd door niemand minder dan Van Velzen in het jaar 1848, toen van Velzen nog was Herder en Leeraar bij de Christelijk Afgescheiden Gemeente. Deze Vader der Afscheiding, die toch wel niemand zal verdenken van Roomsche neigingen, heeft Groen van Prinsterer op dit punt moeten onderhouden. Van Velzen schreef een brochure getiteld, Apologie der kerkelijke Afscheiding in Nederland of brief aan Mr. G. Groen van Prinsterer betreffende zijn gevoelen over de Afscheiding en de Afgescheidenen”. Deze Apologie of open brief is uitgegeven in 1848 bij Hoogkamer en Comp. te Amsterdam, en draagt het stempel der kerkelijke goedkeuring. Ik sta dus onder tamelijk veilig geleide, en niemand kan mij verdenken van bevooroordeeld te zijn.
Groen had uit de hoogte gesproken, dat de Afgescheidenen zich hulden in den formulieren mantel, en dat zij de leer der praedestinatie te ver dreven (zie mijn letterlijke aanhaling in de Wekker No. 45)
Hierop diende Ds. van Velzen hem van antwoord, en hij schreef blz. 16 „Apologie”.
Welnu, ik erken, dat zij (bedoeld worden de Afgescheiden gemeenten) ziende, hoe door eenige verandering in de kerk-ordening van Dordrecht, verwarring ontstaan was, zich zooveel mogelijk daaraan hebben verbonden, maar ik ontken, dat zij aan een woord, aan een letter, aan een titel zijn blijven hangen, als ware het om woorden en de wetten Gods te doen. Ik erken, dat zij zonder voorbehouding en volledig de formulieren als uitdrukking van hun geloof houden, maar ik ontken, dat zij de schriftuurlijkheid der waarheden nauwelijks erkend zouden hebben, waar zij niet in den formulieren mantel waren gehuld. Ik erken, dat zij Gods vrijmachtige verkiezing als de bron van alle genadegiften, als de eenige oor- zaak, die hen onderscheidt, als de troost-grond onder zwakheden, de aansporing tot Godzaligheid en de bemoediging tegen den dood belijden, maar ik ontken, dat men zich bijkans geëergerd heeft aan elke verdediging van het Evangelie, waarbij dit leerstuk niet weder aan de orde gesteld, of niet elke vorm en elke regel der Contra-remonstrantsche taktiek in acht genomen en gevolgd werd.
Sommigen onder de Afgescheidenen hebben hunnen weerzin tegen de vermelding der verkiezing, gelijk zij in de symbolische Schrift voorkomt, geopenbaard. Dit brengt echter niet noodzakelijk mede, dat anderen zich daarom aan overdrijving zouden hebben schuldig gemaakt. Ik beroep mij op hunne geschriften, en op de prediking, die onder hen geschiedt, en laat elk, die met het Gereformeerd geloof vereenigd is, oordeelen.
Er komt echter nog een bijzonderheid in Uw beschuldiging voor. Men heeft U onderricht, dat er onder ons voor schoolboekjes is gezorgd, waarin deze verborgenheid der Heilige Schrift in de kaleidoscoop van een aantal leeslesjes opgedischt wordt. Het is mij niet duidelijk, als ik deze regels in verband breng met Uw gevoelen over de formulieren, hoe ik ze verstaan moet. Gij zult toch niet be-geeren, dat de verkiezing bij de kinderen verzwegen worde? Ware dit het geval, dan moest, om niet van vraagboekjes als van Hellebroek te spreken, ook de Catechismus, tegen zijn opschrift in, van de scholen geweerd worden. Daarin toch wordt, Zondag 21, de verkiezing vermeld. Wat zeg ik! niet slechts de Catechismus maar de Bijbel zou op de school onder de verboden boeken gerekend moeten worden. Men hoort somtijds beweren, dat er godsdienstig, Bijbelsch, Evangelisch, maar geen leerstellig onderwijs op de scholen moet gegeven worden. Het is echter eene leerstelling, dat God eenigen drieeenig is. Het is een leerstelling, dat God sommigen in Christus Jezus heeft uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat zij heilig en ‘onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde. Zullen deze en meer andere waarheden, die van velen ontkend worden, op de school of voor de kinderen verzwegen worden? Dan mag de onderwijzer, als hij door de kinderen den Bijbel laat lezen, en tot 1 Joh. 5 of Joh. 5, Luc. 4 Rom. 9,
Efez. 1, en zoovele andere plaatsen komt, daar wel overheen stappen. Of, zullen er wellicht op de scholen slechts uittreksels uit den Bijbel gelezen worden? Maar dan houde men op met het geroep: geheel de Bijbel en niets dan de Bijbel en belijde, dat men zijn eigen gevoelen over den Bijbel voor den Bijbel houdt. Wat! Men wil den Bijbel laten lezen, en immers met oordeel lezen, maar niet weten van de leerstellige waarheden der Gereformeerden!”

Ik zal maar niet verder afschrijven om te verduidelijken, hoe van Velzen Groen van Prinsterer onder de aandacht brengt, dat hij de leer der uitverkiezing niet als een antiquiteit der Gereformeerde kerk uit de 17e eeuw moet behandelen. Nergens heb ik dan ook beweerd, dat Groen de leer der verkiezing verwierp, maar wel, dat een gereformeerd man in het hart en nieren niet over de praedestinatie kon schrijven als Groen heeft gedaan. Hoe zou het oordeel van „de Banier” wel geweest zijn, als ik eens geschreven had, gelijk Groen, dat „de praedesnatieleer in de kaleidoscoop van een aantal leeslesjes aan de beklagenswaardige kinder-kens opgedischt wordt”?
Nu Groen van Prinsterer dit geschreven heeft spreekt de Banier een heel gemoedelijk en lief woordje, en zegt, „dan erkennen wij gaarne, dat deze wijze ook ons wat vreemd voorkomt”.
Ik denk niet, dat de Banier mij zoo liefjes had gestreeld.
Ten slotte herinnert de Banier er aan, dat toch vooral geen politiek in „De Wekker” moet behandeld, en tegelijk haalt dit zelfde blad ,,De Wekker” aan om te betoogen, dat onze Wisse en van Lingen in de politiek zoo tegen Rome waren. Wat een geluk voor de Banier, dat „De Wekker” vroeger toch blijkbaar wel over politiek geschreven heeft.
Ja, die Wisse en van Lingen wisten het wel, en ook ik zeg met hen en met Groen, den staatsman en Evangeliebelijder: in ons isolement d.w.z. in onze zelfstandigheid, ligt onze kracht.
Maar zelfstandigheid sluit geen samenwerking uit op een vooraf wel omschreven accoord. En dat werd in de dagen van Wisse en van Lingen wel eens vergeten, en van daar hun protest in „De Wekker”, ook al raakte dit de politiek. Men was oudtijds niet zoo kittelachtig.
Ik heb deze beide voormannen zoo goed gekend, en heb meermalen met hen over deze dingen gesproken.
Het is te betwijfelen, of de Banier zich zelf een dienst bewezen heeft door aan deze voormannen en aan „De Wekker” te herinneren, want het bewijst juist het tegenovergestelde, van wat de Banier bedoelt. Het bewijst: de Wekker èn de politiek, zijn geen dualisme, en ik ben nog altijd diep overtuigd, dat ik hiermede het gevoelen onzer Generale Synode heb weergegeven.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1937

De Wekker | 4 Pagina's

Groen van Prinsterer en de praedestinatie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1937

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken