Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin (11)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin (11)

6 minuten leestijd

Zulk een omlaag halen van het begrip kerk kan langs tweeërlei lijn geschieden.
1. Langs die van een humanistisch rationalisme.
2. Langs die van een humanistisch piëtisme.

1. Humanistisch rationalisme.
Hierbij verwijzen wij naar hetgeen wij boven schreven over de leer van Kant en Hegel aangaande de kerk. Dat de kerk slechts relatieve waarde zou hebben; n.l. als voorbereiding tòt een soort Godsrijk. Godsrijk dan opgevat in humanistischen trant; de mooie menschelijke saamleving, bijzonder belichaamd in den al-staat,
Zelfs communisme en socialisme komen op deze lijn wel uit. Dan heet het: zie al die z.g.n. nog mooie denkbeelden in het christendom, over broederschap, gemeenschap, enz. enz. vindt ge nu bij ons eerst goed begrepen, met practischen zin, en aanvankelijk toegepast ook. De heilsstaat zal het zijn. Als de Staat aan zijn idee beantwoordt, heet dat het Godsrijk.
De z.g.n. Vermittlungs-theologie heeft hier goede {lees… slechte!) diensten bewezen. Zij heeft de grenzen tusschen Schepper en schepsel feitelijk trachten uit te wisschen, waarvan een valsche Christologie de gevolgtrekking moest worden. Christus is dan niet meer de Zone Gods, de tweede persoon in het goddelijke Wezen, die mensch geworden is, om de God voldoenende en den zondaar verzoenende Borg te zijn; Hij is dan slechts de ideale mensch, en die dáárom en daarin dan goddelijk is. Hij bezit dan niet een goddelijke èn bovendien ook een menschelijke natuur, maar een z.g. god-menschelijke natuur. Deze kan ook aan anderen worden medegedeeld, en zij die daarvoor in aanmerking zijn gekomen, vormen dan een soort mystiek lichaam, en dat heet dan kerk. Geen wonder, dat bij zulk een opvatting het begrip kerk als zoodanig in Schriftuurlijken zin, eindelijk moet wegvallen.
Een der voorname vertegenwoordigers dezer Vermittlungs-theologie, Rothe, komt dan ook tot deze voorstelling van zaken, dat de kerk weg moet vallen, en moet opgelost in een volmaakten staat. Wat deze volmaakte staat zal zijn, dat zullen de hedendaagsche Duitsche fascisten u dan wel nader onderwijzen. Al mogen dan mannen als Rothe het niet zoo slim bedoeld hebben, hun principes moesten er wel toe leiden: als theologie mensch-godsdienst wordt, dan is over Feuerbach en Rothe de lijn naar Hitler en Rosenberg. — Consequent! Verlossing wordt zelfverlossing; zonde is geen schuld voor God; kerk wordt een onding; de alstaat is meteen de alreligie: de Ueber-mensch tegelijk de „gewordene” God. — Belijdenis-kerken hebben dan „hun tijd gehad”, en wie ze verdedigt, als van zin voor het hiernamaals maar daarom ook voor het heden, — hij komt in de concentratiekampen terecht, Rothe is de cipier van Niemöller! —

2. Humanistisch piëtisme.

Dus beide piëtisme (vroomheidsdrijverij) en rationalisme kunnen humanistisch ingesteld zijn, beide maar langs tweeërlei lijn komen dan op uit den mensch; de mensche staat in het middelpunt.
Dit Humanistisch piëtisme vertoont zich van af de Wederdoopers tot nu toe in allerlei variant. En heeft als kenmerkend verschijnsel steeds, dat het natuur en leven in dualistischen zin (dus als elkâar uitsluitend) tegenover elkaar plaatst Geen reformatie, maar separatie is het wachtwoord. Separatie beteekent hier dan, dat men zich afscheidt. Afscheiding niet van de zonde, van de wereld in haar slechten vorm, maar van de natuur; wat uitloopt op een zich onttrekken aan Je aardsche en maatschappelijke roeping,
Alle secten binnen den kring van het Protestantisme vertoonen feitelijk dit kenmerk meer of min.
Van af de concentikels van Labadie tot de Oxfordgroepen o.a., — het is alles in meer of minder mate al onverschilliger voor de kerk als Instituut; de kerk met als middelpunts-kermerkend verschijnsel: de ambten, en daar rondom de bediening des Woords en der Sacramenten. Tot op zekere hoogte is dit ook zelfs terug te vinden in menige „vrije” kerk, of groep, die bij uitstek zwaarwichtig willen zijn, of doen. Het waarlijk Schriftuurlijk ernstige in de leer van waarachtige wederbaring en hare noodzakelijkheid, als werk des Heiligen Geestes, wordt dan menigmaal verdrongen door een menschelijk ingestelde zelfgemaakte zwaarheid en zwaarwichtigheid van „raak niet, en smaak niet, en roer niet aan”. Al meer ten koste van het ware Schriftuurlijk-verbondsmatige kerkbegrip en kerkbesef.
Van deze twee richtingen nu, zoowel van het humanistisch piëtisme, als van het humanistisch rationalisme geldt, dat beide zich uit een of ander oogpunt „te gewichtig” te best achten, om aan „kerk” te doen. Men draagt het kenmerk van zijn afkomst aan het voorhoofd (rationalisme), of aan de hand (piëtisme): bewuste of onbewuste zelfvermajesteitelijking of verheerlijking. Gaarne spreekt men van kerkafbraak, maar uit den verborgen wortel van zich te gevoelen een groot en voornaam ego; zelfs het zichzelf bij voorkeur gaarne noemen met namen als: een hond, een nieteling, een hellewicht, een wurm enz. enz., kàn (ik zeg kan; niet dat het altijd zoo is), ontpeld, blijken te zijn een der vrome manieren om zich toch voor iets bijzonders uit te geven; dit geschiedt als b.v. de z.g.n. tollenaars-gestalte trotsch wordt op deze gestalte, nu tegenover dien farizeër. Ik zeg nadrukkelijk: dan is er een z.g.n. tollenaarsgestalte. Men gevoelt zich dan niet zoo oppervlakkig, niet zoo nagemaakt, niet zoo zelfverblind als die farizeër, en dan is men farizeër geworden…… aan den anderen kant van den tempel. Wacht u er voor, o lezer, om dit nu zonder keur toe te passen op de ware tollenaars, die ook zeggen: ik ben niets voor God. Ook hier geldt niet een ieder die tot mij zegt: Heere Heere enz. Dus niet alle Heere-Heere roepers blijven buiten, maar er zullen er zijn, die ondanks dezen uitroep, toch het ware leven missen. En zoo ook hier, die waarlijk door God wordt bekeerd, leert zich een nieteling, een doemeling, een grootbeest bij God kennen. Maar daarom zijn nog niet allen die zoo praten waarlijk bekeerd. En als men dan niet door den Heiligen Geest is wederomgeboren, zie dan is al zulk „geroep”, — in den wortel niet uit vernedering maar uit hoogmoed, en is het opluistering van het vroom opgevijzelde eigen — ik.
Voorts alle ten deze uit reactie voortgekomen bewegingen dragen aan zich het Kaïnsmerk. Zij zijn ontstaan uit afwijkingen of tekorten in de kerk zelf. En begonnen zij nu maar met reformatie-pogingen ten opzichte dier afgeweken kerk. Maar neen, dan sticht men liever een caricatuur er naast en er tegenover. Zoo gaat het vaak met en althans in de Maranatha-bewegingen, de Oxfordgroepen, kerk — en — vredebewegingen; allerlei „vrije” kerkjes(!) gemeenschapsbonden, enz. enz,

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1938

De Wekker | 4 Pagina's

Schriftuurlijk kerkbesef en moderne religieuse-gemeenschapszin (11)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1938

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken