Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Pareus en het Verbond der Genade

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Pareus en het Verbond der Genade

6 minuten leestijd

In het Blad „Om Sions Wil” van 19 Jan. jl. werd onze aandacht getrokken door een artikel over Pareus, en zijn leer van het verbond.
Pareus was een bekend Gereformeerd theoloog, die 30 December 1548 te Frankenstein werd geboren. Hij was leerling van Zacharias Ursimus, terwyl theologen als Zanchius en Tremellius en andere Gereformeerde dogmatici van grooten invloed op zijn vorming geweest zijn. Zijn dubbel doctoraat, zoowel in de theologie als in de filosofie, getuigde van de groote bekwaamheid van dezen geleerde, die in Heidelberg lange jaren de roem van de wetenschap is geweest. Zijn roem als professor breidde zich uit van jaar tot jaar, zoodat zijn colleges gevolgd werden door studenten uit Hongarije, Polen, Frankrijk, Engeland en Nederland.
Wat Pareus heeft geleerd, en wat hij heeft ingedronken aan de bron der reformatie heeft hij in zijn talrijke geschriften en commentaren ons nagelaten, Telkens, wanneer wij iets van dezen beroemden Gereformeerden Theoloog lazen, trof ons de eenheid van zijn verbondsleer, met wat de Christelijke Gereformeerde Kerk steeds als Schriftuurlijke en confessioneele verbondsleer heeft voorgestaan.
En nu geven wij gaarne door, wat „Om Sions Wil” schrijft van dezen Gereformeerden belijder, wiens standpunt zoo duidelijk vertolkt wat „verbondsheiligheid” is, en die zoo duidelijk laat uitkomen, dat verbond en verkiezing nooit vereenzelvigd mogen worden.
Hierbij komt het dan op het begrip „heilig” aan.
Dienaangaande zegt Pareus dit:
Dat de kinderen der christenen heilig geboren worden, dat is zonder erfzonde, stemt niemand toe, (of het zou een Pelagiaan moeten zijn), als tegen de Heilige Schrift. Dat zij echter als heiligen uit heiligen, dat is christenen uit christenen geboren worden, evenals Mohammedanen uit Mohammedanen, Joden uit Joden, Heidenen uit Heidenen, burgers uit burgers, vrijen uit vrijen, dienstbaren uit dienstbaren (de heiligheid moet n.1. niet verstaan worden als een hebbelijkheid der deugd, doch als een recht des verbonds), dit gevoelen, ge looven en leeren de orthodoxen met den Apostel als hij zegt: Indien de wortel heilig is zijn ook de takken heilig, dat is afgezonderd van de wereld, in verbondsrelatie tot God; anders waren uwe kinderen onrein, dat is heidensch… nu zijn zij heilig, dat is christenen, burgers der kerk, al is het ook dat maar één der ouders christen is. (Rom. 11, 16; 1 Cor. 7, 14).
Al worden nu de kinderen der christenen als christenen geboren zooals de Jodenkinderen als Joden enz., echter zijn allen met de erfzonde geboren en allen (zoo Christenkinderen als Joden- en Heidenkinderen) gelijkelijk verdorven en schuldig wegens de natuurlijke generatie. Zij alleen echter worden geboren in het Verbond, en zijn burgers der Kerk en moeten daarom gedoopt worden (Ire-nicum 1614, p. 141/42. p. 262/63).
Deze heiligheid krachtens het Verbond is, naar Pareüs, dus geen subjectieve, inwendige, doch een objectieve, theocratische.
In zijn verklaring van de beide genoemde teksten wordt dit nog nader uiteengezet. Zoo maakt hij bij zijn exegese van Rom. 11 : 16 onderscheid tusschen de persoonlijke heiligheid, die een inwendige hoedanigheid is, door de wederge boorte ingestort en door de oefeningen der godzaligheid gesterkt, waardoor de ware geloovige persoonlijk conform de wet begint te zijn en Gode te behagen, — en die van heel het volk, die een uitwendige bevoorrechte positie of foederale genade is, waaraan allen deel hebben naar de belofte: Ik zal uw God zijn en van uw zaad. Dit recht des Verbonds of van het Rijk Gods noemt de Apostel heiligheid, dat is afgezonderd zijn van de andere volken, die in dezen zin onheilig of profaan zijn. Dit recht van Verbond en Rijk Gods, eertijds Is-raëls voorrecht, is overgegaan op de Kerk van het N. Testament, en waar de christenen uit de heidenen door den Doop ingeënt zijn, geldt de regel, dat dit recht des Verbonds niet minder van kracht is voor de kinderen uit christen-ouders geboren dan eertijds voor de kinderen der Israëlieten. Krachtens de belofte: Ik zal Uw God zijn en van uw zaad, zooals Pareüs het uitdrukt, dus, waaraan de christenouders gemeenschap hebben, hebben nu ook hun kinderen bij de geboorte reeds het recht des Verbond, nl. de belofte, den Doop, en andere privilegiën van het rijk Gods, wat dan door den doop niet geschonken, doch bezegeld wordt, zooals onder Israël door de besnijdenis.
En wanneer wij dit hier met zooveel instemming lezen denken wij ook tegelijk aan dat mooie boek van Ds. Woelderink „Het Doopsformulier”, die daarin zoo klaar en helder geluid laat hooren, en ai die subjectieve gronden als gron-den veroordeelt om gelijk Pareus op te komen allereerst en allermeest voor het in zijn in het verbond en voor het recht des verbonds.
Of is dit geen schoon stuk van gereformeerde waarheid, dat mij herinnert aan de verbondsleer van Pareüs ais Ds. Woelderink schrijft „het Doopsformulier”, blz. 168—169:
Steeds klaarder is het mij bij mijn onderzoek geworden, dat men toen den doop is gaan verachten, toen men de beloften van Gods genade ons in het Evangelie gedaan en door den doop verzegeld, niet meer beschouwde als genoeg-zamen grond van geloof en hoop voor de eeuwigheid en men meende een betrouwbaarder grond te moeten leggen in datgene, wat als vrucht van Gods genade in het hart of de ziel van een mensch gewrocht wordt. Meer en meer heeft men het Woord Gods den rug toegekeerd, en is men gaan wroeten in ‘s menschen binnenste om de zielservaringen, die met de verandering en de bekeering gepaard gaan, als bewijs te kunnen ne-men, dat men onder de genade is en een I kind van God.
Als ik dit zeg, is er geen sprake van, dat ik vijandig zou staan tegenover de ledingen, die God met Zijn volk houdt, of niet zou willen weten van een waarachtige bekeering en een levend geloof. Door Gods genade mag ik van zulk een verandering in mijn eigen leven getuigen, van een uitgeleid worden uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, maar juist in den weg van Gods wonderbare leidingen heb ik leeren verstaan, dat de grond des geloofs niet in den mensch gelegen is, en dat iedere poging om kenmerken van genade in den mensch tot grond des geloofs te maken den mensch afbrengt van Christus en opnieuw leidt tot eigenrechtigheid, tot een godsvrucht, waarin de geest der dienstbaarheid tot vreeze overheerscht.”
Wat Pareus heeft genoemd het recht des verbonds en wat Woelderink hier aangeeft als grond des geloofs moet de rotsgrond blijven der kerk, zal zij niet wegzakken in het drijfzand van allerlei indrukken en gewaarwordingen, die afvoeren van het verbond der genade, en verre zijn van het woord des Apostels: niets meer scheiden van de liefde, die daar is in Jezus Christus onzen Heere.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 maart 1939

De Wekker | 4 Pagina's

Pareus en het Verbond der Genade

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 maart 1939

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken