Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De kenbron der zaligheid (9)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De kenbron der zaligheid (9)

Zondag 6

9 minuten leestijd

Waaruit weet gij dat?Uit het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf eerstelijk in het Paradijs heeft geopenbaard, en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eeniggeboren Zoon vervuld.Vr. en antw. 19 Catechismus.Bekeert U, en gelooft het Evangelie.Markus 1 :15 b.

Zie het Lam Gods.
Wij hebben hier niet slechts een tekst, wij hebben hier den tekst van den Bij-bel. Zelfs is hiermee deze tekst nog niet ten volle genoemd, en getaxeerd. Den Bijbel aanvaarden wij als Gods openbaring, maar niet, alsof God Zich in Zijn Woord heeft „uit” geopenbaard. Er is nog een rijkere openbaring en ook van deze rijke, volle Gods openbaring ter zaligheid is het Lam het middelpunt en de inhoud.
Immers, wanneer de Bijbel zijn wereldroep ziet beëindigd, wanneer hij zijn taak als roepstem Gods tot bijeenbrengen van Gods uitverkorenen heeft verricht, wanneer hij niet meer zwaard en troffel behoeft te zijn tot den bouw van Gods Sion op aarde, dan blijft nog deze rijke tekst de inhoud der openbaring Gods, als er geen tijd en geen strijd en geen nijd meer zal zijn.
Wanneer de gezaligden voor den troon van God zullen staan en de eerste dingen zullen zijn voorbijgegaan, dan stemmen deze koren hunne harpen en cithers en gouden violen en bezingen en aanbidden, neen, niet den rijkdom des hemels, en niet de heerlijkheid van de lichtstad, maar het Lam, en gij hoort het stijgend halleluja: Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de eer en de dankzegging, want gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.
Is het wonder, dat wij deze woorden: “zie het Lam Gods” willen noemen: den tekst van den Bijbel.
Wij hebben over enkele personen gedacht, als Johannes den Dooper, en Adam en Melchizedek. Wij zouden nog andoren kunnen noemen als voorbeelden uit het Oude Testament, die ons vertolken de boodschap van het Evangelie. Maar behalve personen kunnen we ook denken aan zonde en schuldoffers, aan pascha en tempeldienst, aan manna en verhoogde slang in de woestijn, en dat alles zou een nadere verklaring zijn, van hetgeen hier in den Catechismus wordt bedoeld met offeranden en andere ceremoniën der wet, die alle symboliseerden of typeerden, wat God in Christus ons gegeven heeft. Maar behalve dat zulk een breede toelichting te veel zou eischen van den lezer, kunnen wij ten slotte volstaan met één tekst,” waarin al deze typen en symbolen als in één brandpunt worden gezien: Zie het Lam Gods. Heel Israëls offerdienst is er een prediking van, en heel het Nieuwe Testament heeft hierdoor zijn inhoud ontvangen.
Niet alleen Johannes de Dooper, die dit Schriftparool heeft doen hooren, maar alle profeten hebben elk op hun eigen wijze, dit woord laten hooren. Wie kent niet Jesaja 53; als een Lam werd Hij ter slachting geleid. En wie heeft nooit gelezen, wat Abraham tot Izak zeide: „God zal zich Zelf een lam ter brandoffer voorzien mijn zoon”.
In heel deze offerande van Izak staat het lam in het middelpunt. Er zijn er geweest, die niet het lam, maar Izak in zijn offerande een voorbeeld van Christus hebben genoemd. Zij hebben de punten van vergelijking getroffen, als zij lezen, dat Izak was de geliefde en eenige zoon zijns vaders, die gedurende drie dagen, dat Abraham met Izak naar den berg wandelde, voor den vader was als een doode.
Men heeft verder gewezen op het gesprek, dat Izak heeft met Abraham, en de aanspraak „mijn vader”, op zijn gebonden worden op het hout, waarop zijn zwijgen en stille overgave volgde. Dit alles was dan voor sommigen een prachtige typeering, van wat de Zoon des eeuwigen Vaders heeft getoond in zijn Borgtochtelijke gehoorzaamheid, toen Hij kon zeggen: „Vader, Ik heb voleindigd het werk, dat Gij mij gegeven hebt om te doen”.
Maar hoe schoon men deze overeenkomst tusschen Izak in zijn offerande en Christus als het Lam ook heeft getroffen, en hoeveel vindingrijkheid hierin ook spreekt, wij voor ons kunnen ons moeilijk met deze gedachtengang vereenigen. Niet, omdat wij dien gedachtengang niet mooi vinden, maar omdat wij dien niet schriftuurlijk diep genoeg vinden. Vergeet toch niet, dat de Schrift het uitdrukkelijk zegt, dat we hier hebben het Lam Gods. Het moet dus niet iets zijn, wat wij God brengen, maar wat God ons brengt. Het is hier niet de mensch, die geeft, maar God, die van het Zijne geeft. En dat kunnen wij toch ; niet van Izak zeggen. Immers Izak behoorde met heel het menschelijk geslacht tot een verdorven stam. Ook Izak lag in zijn verbondshoofd Adam voor God verloren. En daarom kon hij nooit het zinnebeeld van Christus in zijn offerande zijn, maar wel een beeld van het door Christus, bloed verloste en verzoende volk. Izak typeert hier de gemeente des Heeren, die door het stervensdonker heen tot den morgen stijgt van het eeuwige leven, enkel en alleen, omdat God zich Zelf een lam ten brandoffer heeft voorzien.
En daarom was de ram, dien God aan Abraham ten offer bood, het beeld van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
God is uit en door Zich Zelf bewogen, en uit die onbegrijpelijke en eeuwige bewogenheid des Vaders ontvangen wij het Lam, dat zijn bloed stort, waardoor deze bloedtheologie de sleutel wordt van alle ware Gods kennis en alle ware zelfkennis.
Hebt gij er wel eens bij stilgestaan, dat het bloed van het offerdier aan de hoornen van het altaar moest gestreken worden?
Sommigen hebben daarin gezien de hoogste graad van vergeving. Er waren toch verschillende plaatsen, waar het bloed der verzoening werd gesprenkeld, hetzij tegen den wand van het altaar, of aan den voet van het altaar of op de hoornen van het altaar, waardoor sommigen een eerste en een tweede en een derde trap van verzoening aannemen. Maar dit lijkt ons reeds hierom niet juist, omdat er moeilijk kan gesproken worden van trappen in de verzoening. In deze rechtshandeling Gods geldt het steeds, òf vrij òf veroordeeld. Een derde is hier niet toelaatbaar, een meerdere of mindere graad kan hier niet gesteld.
Maar veeleer wordt in die met bloed bestreken hoornen des altaars ons gesymboliseerd de alles overwinnend genadekracht Gods, waardoor een zondaar dood in zonde misdaden wordt opgeroepen tot den nieuwen levensdag van blijde vergeving. De hoorn toch is het beeld van kracht overal, waar men de Schrift op dit bepaalde punt onderzoekt. En daarom mogen wij ook bij het altaar in Israëls heiligdom aan dezen genadigen alles overwinnenden arm des Heeren denken, die een zondaar trekt uit modderige slijk en hem verrijkt met genade voor genade. Nu kunnen wij te beter begrijpen, dat genade tot alles genoeg is, want zij komt uit die springbronnen van Gods eeuwige liefdekrachten, waarvoor satan en wereld moet vluchten, en waardoor een doem- en vloekwaardig schepsel in zich zelf voor God verschijnt, als had hij nooit zonde gekend noch gedaan. Dit toch ware eeuwig onmogelijk, wanneer de sleutel hiervoor zou moeten gezocht worden in onze tranen, onze boete, onze standelijkheden. Neen, God wil wat anders zien, wanneer wij in Zijn vierschaar worden gedaagd.
Zie het Lam Gods.
Waarom dat Lam alleen zien en niets anders ?
Gij kunt hier tal van antwoorden en zelfs goede antwoorden geven, en toch zal dit alles nog het antwoord niet kunnen zijn. Gij kunt hier spreken over het bloed, dat van alle zonden reinigt, over den éénen weg, die naar de Gods stad leidt, over den éénen Naam, Die ons tot zaligheid gegeven is. En het zy verre van ons om deze antwoorden niet hoogeIijk te waardeeren. Maar het antwoord is nog niet gegeven op deze alles beslissende vraag, waarom wij niets anders dan dit Lam mogen en moeten zien. Het is hierom, omdat ook God niets anders ziet dan dit Lam. Ook hier geldt: als Ik het bloed zie, zal ik u voorbij gaan, en er zal geen plaag tegen ulieden zijn, als ik Egypteland slaan zal. Nooit heeft de Heere gezegd: als Ik uw goede voornemens zie, of als Ik uw berouw zie, of als Ik uw tranen tel, zal Ik u voorbijgaan. Alleen, als Ik het Lam zie, als Ik dat bloed der verzoening zie, dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, spreekt de Heere. Dan moge alles rondom ons en in ons wankelen, ten slotte ligt onze zaligheid vast, in hetgeen God in Christus voor ons gedaan heeft, en daarop legt Gods volk straks het hoofd ter ruste, als de ure van het sterven slaat.
Het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt. Niet „heeft weggenomen”, maar wegneemt. Altijd gaat er een reinigende en heilgende kracht van dit bloed des Lams uit, eiken dag, elk uur, elke minuut, ook thans, wanneer gij geIoovig het oog op dat Lam slaat. Luther heeft het eens in een van de beste uren zijns levens uitgeroepen, toen hij de volle zaligheid in dit Lam ontwaarde: „Gij zijt mijn zonde, en ik ben Uw gerechtigheid. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus.
Zie den Leeuw. . .. dat is een gedachte, die ons sidderen doet.
Zie den Koning, dat is een gedachte, die ontzag inboezemt.
Zie het Lam.. . . dat is een gedachte, die vertrouwen wekt. Het kleinste kind vreest niet voor een lam. Het is de beeldspraak voor een volk, dat mag hooren van den Gods des verbonds: „vrees niet, gij wormke Jakobs, en gij, volkske Israëls, Ik, God, ben Uw God eeuwig-lijk en altoos.
Zie het Lam.
Daar is een zien, dat met een niet zien gelijk staat. Daar is een oppervlakkig kennen van Jezus, dat het hart niet raakt, dat niet een schreeuw der zielsbehoefte vertolkt. Dat is het zien, dat geen zaligheid aanbrengt, omdat er geen levenscontact wordt gekend. Zien, gelijk een moeder ziet, die haar kind zoekt, zien, gelijk een hongerige uitziet naar een bete broods en een dorstige naar een dronk waters.
In zulk een blik ligt een wereld van verlangen. Hier is een spiegel der ziel, waarin slechts weerkaatst, wat heimwee daarbinnen trilt naar het heil, in-Christus geschonken. Welgelukzalig, wanneer gij iets van deze Thaborsstemming kent, dat heel de hemel kan wegvallen voor dit eene: niemand zien dan Jezus alleen.

't Lam zal voor den troon ze weiden
Al de Zijnen henenleiden
Naar de volle Gods rivier.
En dan. ...
Al het lijden is vergeten,
Al het steken van de zon.
't Hemelsch Manna zult gij eten,
Drinken uit de levensbron.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1939

De Wekker | 4 Pagina's

De kenbron der zaligheid (9)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1939

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken