Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kerk en Staat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kerk en Staat

7 minuten leestijd

In Jeremia 7, vers 28, lezen wij: „de waarheid is ondergegaan en uitgeroeid.” Dat is iets ontzettends. Want dan heerscht de leugen. En oppervlakkig beschouwd, zouden wij zeggen: dat dit niet mogelijk is. Maar Salomo heeft gezegd, dat er niets nieuws onder de zon is en dat, wat er geweest is, in vroeger jaren en eeuwen, weer terugkeeren zal. Welnu, dat woord uit Jeremia is helaas in onze dagen weer teruggekeerd. De waarheid is ondergegaan en tijdelijk uitgeroeid. In de mobilisatie jaren van 1914-18 zeide men met het oog op de internationale berichtgeving: „Het liegt” en in onze dagen constateeren wij helaas hetzelfde. Wij denken hier aan den ondergang van het prachtige schip: „Arendskerk” De meesten van ons zullen dit met ontzetting gelezen of gehoord hebben en ook de verklaring van den kapitein hebben vernomen. die nadrukkelijk heeft verzekerd, dat het schip geen contrabande aan boord had. Vandaar de verontwaardiging die er in onze geheele pers tot uiting kwam, toen men deze verklaring van den kapitein vernomen had. En hoe heeft de Duitsche regeering zich nu tegenover deze onrechtmatige daad verantwoord? Luister dan even met mij naar de correspondent van het „Handelsblad” die verklaart, dat men in Berlijn ten zeerste verwonderd is, over de kritiek der Ned. pers, naar aanleiding van het torpedeeren van dit schip.
Men wijst er op, dat de gezagvoerder van de „Arendskerk” zooeven in een interview heeft medegedeeld, dat de bemanning van de Duitsche onderzeeboot zeer correct heeft gehandeld en dat de lading voor Engelsche firma's bestemd was.
Van Duitsche zijde staat men op het standpunt, dat de „Arendskerk” volkomen binnen de bepalingen van het zeerecht getorpedeerd is geworden en wel om vier redenen: 1. Het schip had contrabande aan boord; 2. het poogde, door de Duitsene duikboot aangehouden, te vluchten; 3. het schip heeft radioseinen gegeven, waardoor de positie van het Duitsche oorlogsschip gevaar liep; 4. van Nederlandsche zijde is toegegeven, dat de „Arendskerk” naar een Zuid-Afrikaansche haven onderweg was, dus naar een haven van een land, dat met Duitschland in staat van oorlog verkeert. Daarom is men in Berlijn van meening, dat Nederland geen recht heeft tot eenig protest en dat er ook geen reden is om naar aanleiding van deze torpedeering te beweren, dat Duitschland zijn oorlogvoering ter zee onder verscherpte omstandigheden doorvoert.
Wanneer wij deze verantwoording gaan ontleden met het snoeimes der waarheid, blijft er niets anders over, als de leugen, in zijn meest afschuwelijken vorm. Het schip had contrabande aan boord, dat is de leugen, die hier in lijnrechten strijd met de waarheid geponeerd wordt. En op dien leugen wordt nu verder al het andere, wat tegen het torpodeeren van dit schip wordt aangevoerd, gebouwd. Laat ieder de conclusies, die uit dezen leugen getrokken worden eens rustig lezen, dan zal hij met ons erkennen, dat hier de waarheid ondergegaan en uitgeroeid is.
Als men in Duitschland meent, dat men op deze wijze en met deze „Satanische methodes” den oorlog winnen zal, komt men verkeerd uit. De apostel Jacobus heeft gewaarschuwd: roemt en liegt niet tegen de waarheid. En aan deze duivelsche zonde heeft men zich hier schuldig gemaakt, met het gevolg, dat aanstonds geen schip van eenig neutraal land, zich meer op zee wagen zal, met al de consequenties, die daaraan voor de neutrale staten verbonden zijn.
Wij gaan deze consequenties niet beschrijven. Wij zullen ze helaas aan den lijve moeten ervaren. Want afgedacht nog van het feit, dat als gevolg daarvan onzen geheelen handel stil komt te liggen, maar wat erger is, dat wij van ons zelven niet kunnen bestaan en dat wij van over zee toevoer moeten kunnen krijgen. Wij mogen dat thans nog niet ontdekken, maar het zal weldra aan het licht treden . . . Want wat men thans te land en te water doet, noemt men wel oorlog, maar het is feitelijk geen oorlog. Men werkt momenteel nog hoofdzakelijk met onderzeeërs en vliegtuigen en dat doen zoowel de Engelschen als de Duitschers. Maar dat is geen oorlog, al verklaart men met elkander in oorlog te zijn. Er is in dit torpedeeren van schepen en bombadeeren van havens en steden iets demonisch, dat ons met ontzetting vervullen moet. Wat wij thans zien gebeuren, is toch wel precies het tegenovergestelde, van hetgeen en door den Volkenbond en door de ontwapeningsconferentie bedoeld werd. Wij hebben nooit eenig vertrouwen in den Volkenbond gehad en er niets anders dan van verwacht, dan wij er thans van kunnen aanschouwen. Onbegrijpelijk is het ons streeds geweest, dat er nog zoo velen in ons eigen volk propaganda voor hebben gemaakt. En de ontwapeningsconferentie? Men heeft er ons hard over aangevallen, toen wij schreven, dat conferentie juist de bewapening zou stimuleeren; zij werd plechtig geopend door den reeds overleden voorzitter Henderson, en wij hebben in ons verslag van de opening geschreven, dat zij nooit gesloten zou worden. En zij is inderdaad ook niet gesloten. Niemand denkt er meer aan nu de torpedo's en de brandende bommen, hun verwoestingen te water en te land aanrichten, wat ons bijzonder treft, is de houding van Frankrijk in dezen oorlog. Wij weten heel goed, dat Frankrijk aan de zijde van Engeland staat, maar toch is de activiteit van Frankrijk tot op dit oogenblik nog heel gering geweest. Men hoort hoegenaamd niet van Fransche onderzeeërs. die neutrale schepen torpedeeren, en evenmin dat er een bezoek door Fransche vliegtuigen aan Duitschland is gebracht. 't Is alsof de Duitschers, de Franschen en Franschen de Duitschers ontzien en de oorlog tot nu feitelijk gevoerd wordt tusschen Engeland en Duitschland. Ook in de Duitsche pers wordt er hoegenaamd niet over Frankrijk gesproken. Alles richt zich tegen Engeland. Engeland zal en moet stukgebroken worden en wederkeerig zegt men in Engeland, Duitschland moet en zal overwonnen worden. Tusschen deze twee landen wordt een strijd op leven en dood gevoerd. Beiden voelen het zeer diep aan en naar onze meening is dat ook een punt; dat zij overwinnen of ondergaan moeten. Wij gelooven dat in Duitschland echter nog duidelijker gezien en dieper aangevoeld wordt, dan in Engeland. Wannneer wij de laatste rede van Chamberlain tot het Engelsche volk, aandachtig gelezen hebben, dan moet het ons duidelijke geworden zijn, dat het Engelsche volk naar zijn inzicht, nog lang niet genoeg beseft, waar het in dezen oorlog om gaat. Hij zelf beseft heel goed, wat er in dezen oorlog voor Engeland op het spel staat en dat is niet minder dan Engelands plaats in Europa en in de wereld. Wanneer Engeland als gevolg van dezen oorlog deze positie verliezen zou, dan was het met de glorie van Engeland gedaan, omdat het dan heel spoedig een groot deel van zijn koloniën verliezen zou. De band van Engeland met een groot deel van de koloniën is niet zoo hecht als het oppervlakkig schijnt. De band met Engelsch-Indië is zoo los, dat het feitelijk reeds op het Inlandsche Bestuur is overgegaan. Met Transvaal Oranje Vrijstaat is de verhouding niet veel beter. Het Engelsche element verliest gaandeweg meer aan invloed, zoodat Zuid-Afrika praktisch zelfstandig is. Maar wij gaan voorloopig niet verder op dit vraagstuk in. Wij bidden en hopen, dat wij, trots hetgeen wij moeten aanvaarden en doorleven als neutrale staat, onze neutraliteit zullen kunnen handhaven en als het noodig mocht zijn, ook zullen verdedigen. Dat laatste zou bloedige en smartelijke wonden in ons nationale leven veroorzaken, maar wij zullen toch wel zeer ernstig met deze mogelijkheid moeten rekenen.
Ons volk moet daarop met grooten nadruk gewezen en telkens aan herinnerd worden. Onze persoonlijke indruk is dat het nog lang niet genoeg beseft, dat wij elk uur in gevaar zijn en, dat het meest verschrikkelijke ons plotseling kan overkomen, Dat is geen bangmakerij, maar ontzaggelijke werkelijkheid. En laat ons volk ernstig met deze werkelijkheid rekening houden.

d. H. (Den Haag), J.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1940

De Wekker | 4 Pagina's

Kerk en Staat

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 januari 1940

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken