Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondag 7

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Zondag 7

Allen zalig? (4)

9 minuten leestijd

Worden dan alle menschen weder door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden? Neen zij, maar alleen degenen, die Hem door een waar geloof worden ingelijfd, en alle Zijne weldaden aannemen. vr. en antw. 20 Catechismus. Maar die geschreven zijn in het boek des levens en des Lams. Openbaring 21:27b.

Wij leerden letten op de eenheid in Adam òf in Christus.
Daar is geen boek, dat meer de eenheid van het menschelijk geslacht handhaaft dan de Bijbel. De menschen zijn niet als korrelen zands aan het zee-strand, zijn niet als oliedruppen op de golven. Dat is de revolutionnaire gedachte. Het Liberalistisch individualisme bepaalt alles door het getal. De helft plus één beslist hier alles. Dan is de maatschappij een veelheid van individuen, maar gaat de echte schriftuurlijke gedachte teloor, dat een volk een organische grootheid is, opkomend niet uit het individu, maar uit de gezinnen.
Organisme en organisatie mogen woorden zijn, die veel op elkander gelijken, zij zijn toch wezenlijk van elkander verschillend. Organisatie is het in elkaar zetten van de enkele deelen tot één geheel. Het is de gang van de veelheid naar de eenheid. Organisme is juist het omgekeerde van de eenheid naar de veelheid, van den wortel naar de takken, van de levenskiem naar den levensrijkdom.
Alle organisatie is het werk van menschen, niet ongelijk aan een geraamte, dat gij uit elkander kunt nemen, en weer in elkander kunt zetten.
Maar organisme is een levensbeginsel, dat alle menschelijk kennen en kunnen te boven gaat, en dat daarom altijd herinnert aan den Almachtige, Die de oorsprong van alle leven is te achten.
Zoo nu is de menschheid een organisme, dat uit Adam opstijgert tegen God, òf dat uit Christus biddend neerbuigt onder God.
Zoo gaat er een menschheid verloren, en zoo wordt er een menschheid behouden.
Zoo sterk houdt de Heilige Schrift deze organische eenheid vast, dat zelfs bij het stuk der uitverkiezing, waar toch zeer sterk het persoonlijke en het individueele optreedt, als wij denken bijv. aan het Schriftwoord: „Jakob heb ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat”, wij toch nimmer hebben te vergeten, dat ten slotte voor Gods aangezicht deze enkelingen weer staan als één ontelbare schare, uitverkorenen in Christus.
Zoo krijgen wij in de wereldhistorie twee groote fronten, waarop gestreden wordt: eenerzijds het slangenzaad en anderzijds het vrouwenzaad.
Hier is aan het eene front de overste der wereld (Joh. 14:30), die met zijn veldheerstalenten den strijd aanbindt, en aan het andere front vinden wij den Overwinnaar der wereld, Die schijnbaar een hachelijken strijd voert, en Die toch zoo rustig tot Zijn onderdanen zegt; „Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.”
Welnu, het zijn deze beide grootheden, die wij hier in den Catechismus aantreffen, waarin de strijd der eeuwen is vastgelegd: Adam en Christus.
Gelijk het Godsrijk gedragen en geleid wordt door en in Christus, zoo wordt het rijk van satan gedragen en geleid door Adam, m.a.w. wie geen werktuig is in de hand van Christus, is dan een werktuig in de hand van satan. Dat kan zelfs zoover gaan, dat Christus reden heeft om tot één van zijn geliefde discipelen te zeggen: „Ga achter Mij, satanas”.
Dat woord is wel hard, maar typeert toch zeer scherp, hoe nauw de oogen des Heeren hier toezien. Wij schipperen en plooien nog wel eens, wanneer het een afbuiging betreft van den rechten weg, wij willen nog allerlei verschooning aanvoeren, maar de Heere stelt het òf -òf. Het is uit den satan, òf het is uit Christus. Het komt op uit den verdorven tronk van Adam, òf het bloeit uit den levenswortel van den Christus.
Wij kunnen zelfs hier nog dieper onderscheiden.
Immers bij juiste schriftuurlijke en diepere zielsontleding is het niet alleen òf —, òf: of Adam òf Christus, maar zelfs Adam en Christus, d.w.z. allebei tegelijk. Het is niet tot voldoende diepte gepeild, als wij zeggen zouden, dat wij uit Adam de verdoemenis ontvangen, en uit Christus de zaligheid verkrijgen. Dat is natuurlijk wel waar, maar blijft nog te veel als een dogma buiten ons staan en is een afgetrokken waarheid, die alleen in het denken richtlijnen geeft.
Maar geheel anders wordt het, wanneer wij de Schrift raadplegen en die laat ons zien, dat in één en denzelfden mensch, in een en hetzelfde kind des Heeren zoowel Adam als Christus, zoowel de Farizeeër als de tollenaar, huisvest.
Wat heeft Paulus daarvan een verstand gehad, en wat wist David er van te getuigen, dat hij in ongerechtigheid geboren was, en zijn ziel kleefde aan het stof.
Als de theorie practijk mag worden, als de doode kennis een levende zielsbevinding mag worden, als de beschouwing mag verkeeren in een zielsvervulling, dan leert een mensch pas kennen, hoe diep Adam er in zit, en hoe zeer zijn zielsvezelen verstrikt liggen in het verbroken werkverbond.
O, wanneer deze kennis de diepe wortelen van ons leven begint te raken, dan staan die twee namen Adam en Christus niet slechts in den Catechismus en in den Bijbel, maar ze worden gekend in al de weefsels van ons innerlijk leven, als wij ons als zondaar voor God leeren kennen.
Ik zeg niet, dat zoo iemand aanstonds de beteekenis van het werkverbond naar dogmatischen zin kan ontvouwen, of de beteekenis van het genadeverbond naar bepaalde begrippen kan uiteenzetten. Hij zal dat meestal niet kunnen. Het lijkt mij steeds gevaarlijk, als wij het beetje objectieve dogmatische waarheidskennis willen gaan versubjectiveeren en wij een soort subjectieve objectiviteit krijgen, waarin veel kennisleer spreekt, maar waarin te weinig zielewarmte wordt gemerkt.
Als de dingen Gods, de zaken van het Koninkrijk der hemelen, niet verder bij ons komen dan een spreken in dogmatische formules, dan blijven wij met al die kennis midden in den dood liggen.
Daar is zulk een groot verschil tusschen „weten” en „weten”.
Daar is een weten bij ervaring, dat het verstandelijk weten verre achter zich laat en dat het duidelijkste kenmerk vindt in den eenvoud der ziel, die wel niet met een veelheid van kennis kan pralen, maar die wel weet, wat het is, klein te worden onder den Heere. Dan blijft Adam maar niet een naam, of een dogmatische bepaling, maar wordt de oude Adamitische natuur ons eens en nooit voor het laatst een oorzaak van zielesmart onder God.
Het moet ongetwijfeld mede gerekend worden tot de breuk van Sion, dat er zoo weinig meer gekend wordt van een levende klacht over onzen ouden Adam, die telkens en telkens weer de teugels wil grijpen en altijd weer gereed staat om de strikken te spannen, die ons brengen in het wargaren van zonde en zielesmart. Door Adam verdoemd, zegt hier onze Catechismus. Dat is toch geen kleine zaak. Dat is toch wel heel vreeselijk, als dat geldt van U en van mij, en van allen, die van vrouwen geboren zijn.
Maar hoe vreeselijk ook, toch wordt in den weg der waarachtige zielsontdekking onze eenheid. met Adam gekend. Hier geldt het dan niet zoo zeer de zonden te zien als een optelsom in haar veelheid van zondige daden, als veel meer den wortel der zonde te kennen, de ligging van onze verdorven natuur te benaderen, het „ik ellendig mensch” te leeren.
En zeg nu niet, dat moge goed zijn voor den werelddienaar, die midden uit het lachlustige leven wordt getrokken tot Christus, maar dat geldt toch niet het kind des verbonds. Gij zoudt beter nog het kunnen omkeeren, en zeggen, dat het kind des verbonds deze zaken zielbevindelijk dieper moet leeren kennen dan de meest wulpsche wereldling. Leest maar eens goed het doopsformulier, en daar vinden wij, hoe de kinderen des verbonds als kindéren des toorns midden in den dood liggen. Hoe meer dat ons oude doopsformulier wordt verstaan en beleefd, hoe meer dat wij zullen dood gaan aan alle zoogenaamde veronderstellingen, die heel lief en heel vriendelijk over de kinderen des verbonds redeneeren, maar die vreemd en vijandig blijven tegenover de Gereformeerde waarheid, zooals deze door ons doopformulier is uiteengezet.
Het verbond der genade sluit niet uit, maar sluit juist in, dat wij weten, wat wij in Adam zijn voor God.
Zoo wordt Adam en ons menschelijk geslacht één. Deze ééne Adam draagt alles in zijne lendenen. Niemand is hier los of staat op zich zelf. En het is wel opmerkelijk, dat hoe verder de ethnologie of de kennis omtrent de volkeren der aarde vorderingen maakt, des te meer komen wij tot de overtuiging, dat er eenheid in het menschelijk geslacht is te ontwaren, die telkens terugwijst op de Heilige Schrift, als zij ons Adam en het menschelijk geslacht als een eenheid teekent.
En als wij nu maar op merken willen dan zullen wij steeds vinden, dat dezelfde trekken, die wij in den eersten Adam vinden, ook bij het nageslacht zijn te ontdekken.
Wie de geschiedenis der menschheid naspeurt ziet telkens, dat die menschheid de Paradijszonde voortzet. Het is het zelfde beginsel, dat de wereld van het heden drijft, als Adam dreef, toen hij viel uit de gemeenschap Gods. Zijn eigen Ik ten troon is nog altijd ons ideaal. Zijn hoogmoed is niemand onzer vreemd. Zijn dwaasheid kunt gij alom opmerken. Adam heeft een groote familie en het woord van den profeet is ook hier op zijn plaats: gebroken bakken uitbouwen; die geen water houden. Die Adams drift — wat heeft zij al op haar rekening!
Met doodslag is die rekening begonnen, en met doodslag wordt zij voortgezet en zoo wordt heel de geschiedenis der zondige menschheid een moordschreeuw, die de wereld dronken maakt van het menschenbloed, gelijk het is ten dezen dage.
Als ge zulk een wereld als thans om U heen ziet, behoeft gij niet meer te zeggen, dat deze wereld verloren gaat, maar gij kunt zeggen, dat zij verloren ligt en dat uit dezen bodem der wereld en der menschheid niets kan voortkomen, waarin God ooit een welgevallen kan hebben.
Voorwaar, het wordt thans te midden van deze stervende en lijdende menschheid al bevend of al vloekend herhaald, in Adam verdoemd, d.i. in Adam verloren.
Hoe vreeselijk, wanneer dit alarmgeschrei het laatste woord op deze verscheurde wereld zou moeten zijn!
Hoe kan er nog iets van terecht komen, nu de zonde zoo diep, en de ongerechtigheid zoo ingekankerd zit.
Gode zij dank; de genade is veel meer overvloedig.
Door Christus Zalig.

A. (Apeldoorn), S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Friday 16 February 1940

De Wekker | 4 Pagina's

Zondag 7

Bekijk de hele uitgave van Friday 16 February 1940

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken