Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondag 7. Het oprecht geloof. (19)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zondag 7. Het oprecht geloof. (19)

9 minuten leestijd

Wat is een oprecht geloof? Een oprecht geloof: is niet alleen een zeker weten of kennen, waardoor ik alles voor waarachtig houd, wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is uit loutere genade alleen om de wille der verdienste van Christus. Vr. en antw. 21 Catechismus. Vrees niet, geloof alleenlijk. Marcus 5:36B.

Wij hebben gezien, dat kinderkens zalig worden.
Wij hebben tevens de troostbron gevonden voor godzalige ouders, wanneer zij staren moeten op het marmer-koud gelaat van hun lievelingen.
Maar al weten wij nu, dat onze vroegstervende kinderen zalig worden, wij vragen ook nog, hoe zij zalig worden.
Kinderen, zoo heeft men gezegd, die in hun jonkheid sterven, worden zalig zonder en buiten het Woord. Immers ten opzichte van deze kinderen kunnen wij niet zeggen, wat hier in den Catechismus wordt geleerd, dat de Heilige Geest het geloof werkt door het Evangelie.
Dat is voor de Gereformeerde Kerken een bewijs geweest om haar leer van de onmiddellijke wedergeboorte te staven (zie uitspraak 1905) want, zoo leeren zij, deze kinderen, in hun jonkheid stervende, hebben immers de prediking des Evangelies niet gehoord.
Nu lijkt het ons altijd een gevaarlijk standpunt om van de kinderen, die God in hun kindsheid wegneemt, tot de volwassenen te besluiten. Het onbewuste leven onzer kinderkens en de manier, waarop Gods Geest in die onbewuste wereld van een kinderziel het leven oproept, mag niet en kan niet een maatstaf zijn voor het bewuste leven in den volwassene. De Heilige Schrift geeft ons geen recht om deze lijn te volgen.
Wanneer gezegd wordt, dat kinderkens de prediking des Evangelies niet hebben gehoord en toch de heerlijkheid deelachtig worden, dan is dit toch niet geheel juist. Immers dat „niet hebben gehoord” sluit nog niet in, dat zij zonder de prediking des Evangelies zalig worden. Wanneer men zou kunnen aantoonen, dat ook kinderkens van heidenen den hemel binnengingen, wanneer er een zaligheid was zonder de prediking des Evangelies, zoo zou men ook van de bondskinderen kunnen zeggen, dat zij de poort der zaligheid zijn binnengegaan zonder dat over hen was aangeroepen den Naam onder den hemel tot zaligheid geopenbaard.
Maar dadelijk komt uit, dat wij bij onze bondskinderen voor een gansch andere positie staan en dat zij nimmer in het eeuwig licht der zaligheid zouden wandelen, indien zij niet geboren waren als kinderen des verbonds.
Ik kan niet nalaten, u het prachtige stuk van prof. Bavinck voor te houden, dat ons teekent, hoe onjuist het oordeel is om aan te nemen, dat onze vroeg stervende kinderen buiten en zonder het Woord des Evangelies wedergeboren worden en de heerlijkheid binnengaan.
Bavinck schrijft: „als kinderen des verbonds zijn ze geroepenen van Gods wege. Al is het, dat zij voor zich zelf de dingen des Evangelies niet verstaan, zij zijn toch geroepen met en in hunne ouders; als kinderen der geloovigen komt hun met hunne ouders de belofte toe, dat is, de belofte des evangelies, die alleen in het evangelie wordt bekend gemaakt en aangeboden, als het zaad van Christenouders worden zij niet los van de bedeeling des Woords, maar in verband met deze, inwendig geroepen door den Heiligen Geest en alzoo in de wedergeboorte Christus ingelijfd. Wanneer een kind losgemaakt wordt van zijne omgeving, dat is in dit geval, van het verbond der genade, dan schijnt het, dat de wedergeboorte aan de roeping voorafgaat, hoewel dan tegelijk alle grond ontbreekt, om aan de zaligheid der kleine kinderen te gelooven. Maar objectief en historisch beschouwd en gelet op de orde door God voor de uitdeeling zijner genade-weldaden vastgesteld, dan gaat de roeping aan de wedergeboorte de bediening van het evangelie aan de werking des Geestes vooraf.
Dit wordt voor de kleine kinderen der geloovigen nog daardoor bevestigd, dat zij als kinderen des verbonds en als erfgenamen van het rijk Gods recht hebben op den doop. Nu is de doop een van de twee sacramenten door Christus voor Zijne geloovigen ingesteld. En de sacramenten beteekenen niets en zijn geen sacramenten, wanneer zij losgemaakt worden van het Woord. Sacramenten zijn zegelen aan het Woord, zij volgen op het Woord, en zijn onafscheidelijk met dat Woord verbonden. De doop der kleine kinderen zou daarom hoegenaamd geen kracht hebben en terstond ophouden een sacrament te zijn, wanneer hij niet door het Woord voorafgegaan werd en nu volgde, om dat Woord te beteekenen en te verzegelen.”
Dit woord van prof. Bavinck is ook onze houding en overtuiging wanneer het raakt onze kinderen, die God in hun kindsheid wegneemt. Al kunnen wij hier spreken van „onmiddellijke” wedergeboorte, dan bedoelen wij daarmede nooit, dat deze wedergeboorte geschiedt buiten en zonder het Woord Gods.
Zelfs de leer van een „zaad” der wedergeboorte, van een „zaad” des geloofs in onze vroegstervende kinderen, lijkt ons niet geheel conform den Woorde Gods. Heel die theorie van „potenties“ en „zaad” lijkt ons meer aan de filosofie, dan aan het Woord Gods ontleend. Wie de Schrift leest, vindt wel, dat het Woord des Heeren vergeleken wordt hij een „zaad”. Bijv. Gij, die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad door het eeuwig blijvend Woord van God”. En in de gelijkenis van den zaaier is het genoegzaam bekend, dat het zaad als beeld van het Woord Gods genomen moet worden. Maar dat de wedergeboorte, of dat het geloof een zaad genoemd wordt is geen directe Schriftleer. Geloof en wedergeboorte zijn geen potenties, geen vermogens, maar geven aan alle vermogens van de menschelijke ziel hun inhoud en richting.
Waar nu bij de kleine kinderen, die jong sterven, van een werkzaamheid dezer zielsvermogens niet kan gesproken worden, zoo zien wij veeleer, dat God aan deze kinderen toerekent de gerechtigheid van Christus. Gelijk God in Adam ze verloren stelt, zoo stelt God in den tweeden Adam deze kinderen tot de zaligheid. Gelijk dezen kinderen de schuld van Adam wordt toegerekend, zoo wordt dezen zelfden kinderen toegerekend de gerechtigheid, die in Christus is. In Adam verloren en in Christus verkoren en herboren. Natuurlijk geldt ook voor deze kinderen, dat zonder wedergeboorte niemand het koninkrijk Gods zal zien en dat ook voor dezen geldt „die in Christus is, is een nieuw schepsel”, maar het gefilosofeer over een „zaad” der wedergeboorte, en een „zaad” des geloofs behoeft ons dan niet bezig te houden.
Vele struikelblokken, die in de laatste jaren op den weg van het theologisch denken gelegd zijn geworden, zouden er niet geweest zijn, wanneer men niet al te filosofisch over zulk een „zaad” of „potentie” had geredeneerd. Op deze wijze staat God in het middelpunt van Zijn glorieus recht, en wordt ook bij onze kleine vroegstervende kinderkens het woord van den Catechismus ten volle bevestigd: vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken uit loutere genade alleen om de wille der verdienste van Christus”.
Hier wordt Christus het zalig alles ook van die kleinen, welke de Heere van ons wegneemt, als nauwelijks het levenslicht over hen is gaan schijnen. Zij hebben nooit het verbond der genade kunnen verbreken. Zij liggen verloren in en om het verbroken werkverbond, maar de God des verbonds is met hen het verbond der genade aangegaan, en wijl deze vroeg stervende kinderen nimmer het tweede deel des verbonds hebben kunnen inwilligen, liggen zij dus alleen voor Gods rekening, Die het eerste deel van het verbond der genade aan dit vroegstervend zaad zal vervullen: „Ik ben Uw God. Bij den Heere is er geen onzekerheid. Hij neemt deze vroegstervende kinderen voor Zijne rekening en daarom kunnen godzalige ouders in stil vertrouwen hun zaad aan den Heere kwijt worden, wanneer zij staan bij het stof van hun kindeke, en treden aan die kille graven, waar zij een stuk van hun eigen leven moeten wegbergen.
Heerlijk geloofsleven, om met deze bloem der hope te treden aan de sterfbedden en aan de graven onzer lievelingen. De wereld heeft geen verwachting het oppervlakkig Christendom speculeert in dogmatische termen, en een schijnbaar zwaartillend Christendom weet met het verbond der genade en met den God des verbonds en met het zaad des verbonds geen weg. Geen wonder, wie zelf nooit de zoetigheid in den God des verbonds gesmaakt heeft, staat vragens en wachtens moede bij de graven. Maar wie zelf uit die fonteinen van Gods eeuwig heil heeft mogen drinken, wie de wortelvaste zaligheid in den God des verbonds heeft mogen vinden, kan bewogen, geschokt, bestormd worden, maar zulk een zal toch uit dien strijd opklimmen in het overwinnend geloof:.„Heere, Gij zijt toch mijn God, en de God van mijn zaad”.
Welgelukzalig, wanneer alles, letterlijk alles wordt afgesneden, wanneer al het onze er aan gaat, opdat wij niet anders zullen overhouden, dan den Heere als een toevlucht in benauwdheid. Als er maar niet anders overblijf dan de vlucht naar den levenden God, den God des verbonds, den God niet van ja en neen, maar van Ja en Amen, dan zal er verlossing dagen en zal het licht voor godzalige ouders schijnen over vroeg gedolven graven, waar zij met David zeggen : „zij zullen niet tot ons, maar wij zullen tot hen wederkeeren.
Verzameld worden tot zijn volke — die pracht uitdrukking des Ouden Testaments, is tevens het licht en het lied der opstanding en der hemelvreugde.
Wat ure, als godzalige ouders doorleven zullen : „Heere, hier zijn wij voor Uw troon en ook de kinderen en de kinderkens, die Gij ons gegeven en van ons genomen hebt”. Nu zijn wij samen in Uw tempel, en zullen nooit, ja nooit meer scheiden. Wat weten wij dan nog van al de smart van het scheiden, en lijden en sterven? Niets — niets — niets meer. Het eeuwig Hallelujah weergalmt den hemel door, en onze kinderkens — ja weet het, godzalige ouders — zij groeien voor den troon, en komen tot bewustheid en worden daar al meer ingeleid in de rijke geestelijke kennis van Christus, in Wien zij gezaligd en verkoren zijn. God zal ze daar volmaken en het wassen en toenemen in de genade en kennis van onzen Heere Jezus Christus zal niet het minst het deel worden van dat zaad, dat door God in de kindsheid is weggenomen en overgenomen in Zijn hemel.
De volle groei is voor den hemel bewaard, en ook van het kindeke zal het gelden: van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest. Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij Uw lof bereid.

A. (Apeldoorn) S.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1943

De Wekker | 4 Pagina's

Zondag 7. Het oprecht geloof. (19)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1943

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken