Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Evangelieprediking (7)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Evangelieprediking (7)

5 minuten leestijd

De prediking van het Evangelie gaat dus aan het geloof vooraf. In het Evangelie schenkt de Heere Zijn belofte, Zijn genade, Zijn heil. Maar om nu deze hoogst belangrijke zaak voor het leven der Christelijke Kerk recht te verstaan, gaan we hierop nog wat nader in. Denk eens goed na over de vraag, waarom de barmhartige God aan den verloren zondaar in het Evangelie Zijn genadebelofte schenkt? Doet de Heere zulks, omdat die zondaar gelooft, omdat hij reeds het geloof in potentie, in de hebbelijkheid bezit? Geen sprake van! Immers zou dan toch het geloof aan de belofte voorafgaan. Neen, Hij schenkt de belofte, voordat de zondaar gelooft. Maar is het dan misschien zoo, dat God wel niet de belofte schenkt, omdat des zondaar gelooft, maar toch wel dat Woord, die belofte schenkt op voorwaarde van geloof en bekeering? M.a.w. God schenkt ons in het Evangelie Zijn genadebelofte, indien wij gelooven. Als wij dus niet tot geloof en bekeering komen, dan blijkt achteraf, dat de Heere ons ook nimmer Zijn belofte had geschonken, dat ons zooals vanzelf spreekt deze belofte des Evangelies ook nimmer als waarachtig in den Doop was beteekend en verzegeld.
Ook deze voorstelling van zaken is door en door onschriftuurlijk en in lijnrechten strijd met onze belijdenis en formulieren. Ontzettend jammer is het, dat deze en soortgelijke voorstelling van zaken dikwijls onder het mom van ernst en waarheid bij duizenden en duizenden ingang vindt. Men meent dan in gemoede, dat Evangelieprediking alleen maar bestemd is voor de geloovigen, voor de bekeerden. Alleen daar klinke het Woord van Gods genade, waar men van de gedachte uitgaat, ja, waar men min of meer zekerheid heeft met wedergeboren, met uitverkoren menschen te doen te hebben. Voor de ongeloovigen, voor de onbekeerden is dan enkel de prediking der Wet. Sommiger prediking ontaardt zoover, dat zij durven zeggen: ik heb alleen maar een boodschap voor de uitverkorenen. Weer anderen, die niet zoover durven gaan, zoeken hun kracht in een dreigend roepen: Bekeert u! Zij doen dat evenwel op een wijze, die zeer bedenkelijk is. Uitgaande van de gedachte, dat de belofte, het Evangelie alleen maar bestemd is voor menschen, die recht ontdekt, verootmoedigd en verbroken zijn, kortom aanvankelijk bekeerd, maken zijn van het „Bekeert u! Bekeert u!” een wettische eisch. Zij durven het niet aan, dat ons en onzen kinderen de belofte, toekomt. En daardoor kunnen zij onmogelijk verstaan, dat de eisch der bekeering vòl is van het Evangelie, van de belofte, van genade. Nooit kan in de prediking de eisch der bekeering tot zijn recht komen, als de prediker niet verstaat, dat hij heeft te zijn een dienaar des nieuwen testaments, niet der letter, maar des Geestes, 2 Cor. 3:6. Opmerkelijk is ook, dat men doorgaans in dat stuk den klemtoon beslist anders legt dan de Schrift. Terwijl de Schrift spréékt van zich bekeeren (bekeert u, een zondaar die zich bekeert), keert men het om en spreekt uitsluitend van bekeerd worden. Niet, ik moet mij bekeeren; maar ik moet bekeerd worden. Jaren komen en gaan, maar het blijft bij het besef: ik moet bekeerd worden. Dit heeft dan vaak tengevolge, dat moedeloosheid zich van het hart meester maakt. Zou ik wel ooit bekeerd worden? Zou de Heere mij wel willen bekeeren? Reeds zoo vaak gebeden: „Heere, bekeer mij!” Tot op heden echter zonder eenige verhooring.
Nu moet het u niet ontgaan, dat er op dit punt een groote begripsverwarring heerscht van wedergeboorte met bekeering. Zij hooren de roepstem „bekeert u” aan, alsof er van hen geëischt werd: wederbaart u! wederbaart u! En dan ligt het antwoord van binnen al klaar: eer mensch kan toch zich zelf niet bekeeren? Hij moet toch bekeerd worden? En daar komt dan nog dit bij, alles, wat een natuurlijk mensch doet, is tekort voor de eeuwigheid, ge komt er bedrogen mee uit. Het is tenslotte verwerpelijk en schadelijk. Dus lijkt het voor velen — ik zeg dit in diepen ernst — geheel verkeerd om zich te bekeeren. Het lijkt hun veel veiliger om op bekeering te wachten. Wordt men later nog eens bekeerd, dan is het des te duidelijker én te zekerder, dat men waarachtig bekeerd is. Zoo komt het ook, dat in veler prediking van een rechtstreeksche vermaning tot bekeering geen sprake is. Hoogstens komt het in de toepassing tot de verzuchting: mocht ge nog bekeerd worden. Maar velen durven niet tot bekeering te roepen, zooals de Schrift dat doet uit vreeze dat deze of die zal zeggen: hij spreekt alsof de mensch er nog wat aan kan doen. Wie het onderscheid tusschen wedergeboorte en bekeering, zooals dat in de Schrift gemaakt wordt, voorbijziet of zelfs moedwillig verwaarloost, doet het zaad des Woords verstikken en stelt heimelijk God in de schuld voor zijn niet-bekeerd-zijn. In zulk een prediking weerklinkt Gods roepstem niet, zelfs al wordt er honderdmaal gezegd: gij moet bekeerd worden.

Zeist. HEERMA.

Dit artikel werd u aangeboden door: De Wekker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1943

De Wekker | 4 Pagina's

Evangelieprediking (7)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1943

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken