Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Belijdenis des Geloofs,

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De Belijdenis des Geloofs,

4 minuten leestijd

De Geloofsartikelen (het Credo: ik geloof) worden elke week in de samenkomst der gemeente voorgelezen. Wij wezen reeds op wat de synode van 1574 besloot, ’s Morgens moest, als een aanhangsel aan het tweede gebed, het Credo worden uitgesproken. Waarom moest dit geschieden? Wij vinden die gewoonte ook in onze Formulieren. Men heeft gemeend, dat de synode aldus besloot, omdat de „Hervormde leer zoo vreemd werd uitgekreten en alom hatelijk werd gemaakt!”. (Ens). De manier om deze dingen te bestrijden is dan wel heel wonderlijk geweest. Ons kan het gebruiken van het Credo als aanhangsel aan het gebed, niet bevredigen. Wij zelf kunnen het zoo niet gebruiken. Dan zouden wij Credo moeten verklaren als Dr. v.d. Leeuw: Het Credo is als getuigenis, dat zich in de eerste plaats tot God richt, aanbidding. Belijden is lofprijzen. Het is een essentieel liturgische handeling, een acte van aanbidding. In alle credo’s klinkt ook de toon van hymne door, het sterkst in dat van Nicea. (Liturgiek 174). Zóó zou het Credo als aanhangsel gebruikt kunnen worden, b.v. in de Formuliergebeden. Maar de Geloofsbelijdenis wordt beleden, niet maar voorgelezen, aangehoord (v.d. Leeuw, 176). Dit belijdend karakter moet goed worden verstaan. Ook in verband met de vraag of het Credo wel in onze liturgie thuis hoort. Wij moeten het Credo zeker niet zien als een eenvoudig pendant van het voorlezen der heilige Wet. (Kruijf, 78). Het Credo wordt beleden en dit belijden des geloofs is toch wel een wezenlijk deel van den dienst des Heeren.
Die Belijdenis wordt, om het belijdend karakter, gesproken. De gemeente spreekt, belijdt; ook dus als de liturg de Belijdenis uitspreekt. Uit een oogpunt van eerbied kan de gemeente dit staande willen doen. Eisch is dit niet. Zij zou, eveneens uit eerbied, staande het Woord Gods kunnen aanhooren. En ten slotte zou dan de gemeente wel in heel den dienst kunnen staan. Dit staan blijve uitzondering. Ook is het niet noodig, dat heel de gemeente hardop spreekt, dus dat zij met den liturg mee (hardop) de Belijdenis uitspreekt. Met den ambtsdrager, bij monde van hem, spreekt zij. Maar dat moet dan goed worden verstaan. De liturg kan op dit gemeenschappelijk belijden wijzen door vooraf te zeggen: Gemeente, wij zullen belijdenis doen van ons algemeen, ongetwijfeld christelijk geloof. Er is niets op tegen, dat een ouderling het Credo uitspreekt. Zelfs is er geen bezwaar tegen, dat een belijdend lid der gemeente dit doet. Maar de liturg is wel allereerst tot deze taak geroepen.
Gewoonte is, dat eerst de geloofsartikelen worden gelezen en daarna het Schriftgedeelte gelezen wordt. Gevraagd kan worden of de Geloofsartikelen niet na de Schriftlezing moeten uitgesproken worden. Men kan ook vragen of het Credo niet aan het eind van de preek volgen moet. In het Credo spreekt de Gemeente zich uit. De Heere spreekt door Zijn Woord tot de Gemeente. Het lijkt ons niet de meest uitnemende volgorde het Credo te laten voorgaan aan de Schriftlezing. Beter is, naar het ons voorkomt, de Schriftlezing te laten voorgaan. Eerst spreekt de Heere; daarna spreekt, belijdt de Gemeente. Maar met het laten voorgaan bedoelt de Gemeente niet, dat zij in haar belijden moet voorgaan; zij bedoelt niet, dat eerst zij moet spreken, daarna de Heere. De gewoonte is te begrijpen, ’s Morgens wordt de Wet des Heeren gelezen. De lezing van de Wet Gods gaat ook voor het lezen van een bepaald Schriftgedeelte vooraf. Nu is dit geheel juist, gelijk wij reeds opmerkten. Het Credo is een belijden van de Gemeente. Door de Schrift spreekt de Heere tot de Gemeente. Daarom ga de Schriftlezing voor. Wanneer onze Kerk de liturgie nog eens nader regelt, kan zij deze dingen overdenken.
In sommige kerken wordt een vers gezongen na het uitspreken der geloofsartikelen. Na de Schriftlezing geschiedt dit zelden. Wij laten dit wel eens doen op Feestdagen. Liturgische eisch is dit allerminst. En zeker niet na het belijden der Gemeente. Maar heeft het zin om na uitspreken van het Credo te zingen? Wij meenen van niet. De Gemeente belijdt. Niet de liturg, niet de ouderling, die voorleest, maar de Gemeente. Het zingen van een vers wordt beschouwd als een mee-instemmen van de Gemeente met wat door het Credo is beleden. Maar dan is het zingen eigenlijk een opheffen van wat de Gemeente in het Credo deed. Daarom moet o.i . na het uitspreken van het Credo, niet gezongen worden.
Deze dingen raken vormen, die niet ledig zijn.
Aangrijpend is wel de gedachte, dat de Geloofsartikelen nog in zoo de samenkomsten der Gemeente uitgesproken worden. Ook in andere kringen wordt het Credo nog gehoord. „Als een stem veler wateren ruischt door de wereld de Belijdenis van de Kerk des Heeren”. (D. Sikkel).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1943

De Wekker | 4 Pagina's

De Belijdenis des Geloofs,

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 oktober 1943

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken