Bekijk het origineel

Jeugdleven

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Jeugdleven

Het Godsbestuur (3).

4 minuten leestijd

Het Godsbestuur (III).
In ons vorig artikel hebben wij gezien, dat wij ons struikelen over de Godsregeering ten diepste danken aan ons zondaarschap. Ons verstand is verduisterd, dus ontbreekt ons ook over deze zaak het rechte oordeel. Maar ook werkt het zondig beginsel van ontevredenheid jegens God in ons leven dóór. Zoodoende is van den zondaar niet meer te verwachten, dat hij het met Gods doen eens zal zijn. We ergeren ons aan Zijn beleid, als menschen, die van hun plaats zijn. Dat mogen we onszelf wel gedurig voorhouden!
Alleen als we onze plaats ònder Hem terugvinden, kunnen we Zijn handelwijze met ons en met de wereld billijken. En daar moeten we eens voor ’t eerst maar ook steeds opnieuw gebracht worden.
Voorbeelden? Neem Job. Wat heeft hij zich gestooten aan de raadselen van het Godsbestuur in zijn leven! Hoe kan God zóó met hem handelen...... waaraan heeft Job dat verdiend.... Zoo gaat hij voort. Totdat — God hem antwoordt uit een onweder. Hem Zijn majesteit onthult en dan durft Job niets meer te zeggen. Er volgt nu alleen nog maar.... een schuldbelijdenis!
Daar hebt ge Asaf, de man van psalm drieenzeventig. Hij is gestruikeld over het ongelijke in het levenslot: de goddeloozen hebben voorspoed, de rechtvaardigen lijden. Asaf kan daar niet mee klaar komen. Totdat — hij in Gods heiligdom inging. Dan ziet èn belijdt hij: Ik was door mijn verwaanden geest, Bij U een onvernuftig beest. Maar ook mag hij nu rusten in God. Dicht bij den Heere weet zijn geloof, dat Gods leiding, waaraan hij zich n.b. eerst had geergerd, goed is: Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn. rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps. 73:23, 24). Hier is het probleem, zooals hij het eerst had gesteld, niet „opgelost”, maar als het ware verteerd door de zonnestralen van Gods goedertierenheid.
Ik denk ook aan Jeremia. Hij ondervond veel tegenstand en dat maakte hem verdrietig. Ten slotte komt het zóó ver, dat de mannen van zijn geboorteplaats Anatoth een samenzwering tegen hem smeden, om maar van zijn verontrustende prediking af te komen. Zeker — God heeft het verhinderd, maar het heeft den profeet zoo diep geschokt. En al weet hij dan: „Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere! wanneer ik tegen U zou twisten”, toch moet het er eens uit. „waarom is der goddeloozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?” En wat is Gods antwoord”. Een terechtwijzing, Jer. 12:5. De Heere zegt daar, dat het hem aan vertrouwen ontbreekt, waarin natuurlijk ligt opgesloten: Ik, de Heere, geef geen rekenschap van Mijn daden, maar gij moogt in alle omstandigheden geheel op Mij vertrouwen. En daarna onthult de Heere meteen een nieuw gevaar: niet alleen zijn plaatsgenooten ook z’n eigen familieleden zijn niet te vertrouwen. Op zoo schijnbaar harde wijze brengt God den profeet terecht. En de uitwerking? In het volgende vers begint meteen een ander gedeelte! Jeremia vindt het niet noodig, nà Gods antwoord nog iets van hemzelf te vermelden. Het is of hij ons wil laten gevoelen: hier behoef ik niets meer aan toe te voegen. Het zal den profeet genoeg geweest zijn. Hij is letterlijk „stil gemaakt”
Let ten slotte nog even op de Klaagliederen. Vooral hoofdstuk drie. De eene klacht volgt op de andere. Totdat de dichter bepaald wordt bij de zonde en eigenlijk zichzelf onderbreekt: Wat klaagt dan een levend mensch? Een iegelijk klage vanwege zijn zonde! Nu is ook zijn oordeel over God radicaal gewijzigd: Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn!
Deze voorbeelden zeggen ons nu duidelijk hoe alles anders wordt, als wij maar op onze plaats komen. Op onze plaats als schepsel èn als — zondaar! Want wij moeten niet allen op de zonde letten zooals zij ons oordeel over het Godsbestuur vertroebelt, maar ook, zooals zij de schuld is van alle ellende! Dus veel verklaart! En dat beginne bij onszelf. Heusch, als ik begin te zien, wat ik hem misdaan èn — niet te vergeten! — wat ik niet heb gedaan, n.l. opdat God verheerlijkt worde (dat is immers de zin, het doel van ons levens!), dan zing ik wel een toontje lager. Zooals David in psalm 51: Uw doen is rein, Uw vonnis gansch rechtvaardig. Let ik daarna nog op de zonde-uiteving over heel de wereld, van dag tot dag, dan verwonder ik mij niet zoo licht meer over Gods straffen. Integendeel dan kan het mij verbazen, dat Hij nog zóóveel lankmoedigheid heeft!
Ook als jongeren moeten wij daar komen, Dan zijn we niet zoo royaal meer met onze „waaroms”!
Of ik dan verder alles kan verklaren? Dat is een andere vraag. Voor het volgende nummer van „De Wekker” D.V.!

O.B. (Oud Beijerland) M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1943

De Wekker | 4 Pagina's

Jeugdleven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 oktober 1943

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken