Bekijk het origineel

De stal

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De stal

7 minuten leestijd

Het is wel een aangrijpende teekening, die ons de Evangeliën bieden, als zij ons zeggen, dat de Zoon van God, neergelegd is in een stal. Het paleis van Herodes is niet de plaats, waar Hij het levenslicht aanschouwt, noch ook de prachtzalen van het rechthuis van Pilatus hebben zijn eerste geluid weerkaatst, maar de stal was de plek, waar Hij werd neergelegd, die de aanbidding der engelen en de volheid der zaligheid en der gezaligden is.
Toch moeten wij ook hier niet doordrijven, of moet ik zeggen doorzakken. Wat hebben wij menigmaal plaatjes kunnen zien, waar men een Hollandsche koestal zag afgebeeld, een kindeke in het midden, de familie erom heen, en ten slotte een koe op den achtergrond met nog wat ander vee.
Dat moest dan symboliseeren de groote armoede, waarin de Koning der Koningen op aarde kwam, en mede herinneren aan het woord van den Apostel: „Hij is om uwentwil arm geworden, daar Hij rijk was, opdat Hij door Zijne armoede velen zou rijk maken”.
Toch moeten wij hier niet al te overdreven idealiseeren, of schilderen, als wij aan den stal denken. En als dan daar nog bijkomt de teekening van die Maria, die geen kleertjes had om haar kindeke aan te trekken, dan kon onze fantasie ons wel eens te veel parten beginnen te spelen, waarbij, ik zeg niet, het vergeestelijken maar waarbij het geestelijke van de Schrift schade kon lijden. Immers het geestelijke element van het kerstverhaal ligt niet in dien stal en die doeken om daaruit te teekenen, hoe arm de Heiland wel was. Neen, laat die stal maar stal, en die doeken maar doeken blijven, maar gaat met uw ziel eens wat dieper in dit kerstmysterion binnen, zoover wij kunnen, en wij zullen andere edelsteenen vinden.
Men moet zich deze stal aldus voorstellen nl. een zeer wijde ruimte die door een muur omringd was: aan de binnenzijde van dezen muur waren afdakjes getimmerd, ruimte biedend voor groepen schapen; in het midden was deze groote ruimte onoverdekt. De karavanserai verhuurde deze ruimten aan de herders uit het dorp die zelf geen schaapskooi hadden. Maar ten tijde van Jozefs verblijf te Bethlehem stond de geheele stal leeg. De herders immers waren in het veld, daar de wacht houdende bij hun kudden. De herders kwamen in het geheel niet thuis vanaf April tot November, doch zwierven met hun kudden alnaarmate het warmer werd en het gras verdorde, steeds verder weg om voor hun dieren voedsel te zoeken. Dat was noodig; en de temperatuur maakte het ook rijkelijk mogelijk. Eerst als het najaar regen bracht en er gras voldoende vlak bij huis te vinden was, kwamen de kudden met de herders weer naar huis en kwam ook de stal van de karavanserai in gebruik. De geboorte van den Heiland heeft dan ook niet in December plaats gevonden, doch voorzoover men de oude berichten hierover voldoende narekenen kan in Augustus. Eerst in veel later eeuwen toen de werkelijke datum van de geboorte onbekend was en de politiek tegenover de Joden en tegenover Europa combinatie van het lichtfeest met de geboorte viering wenschelijk maakte, werd de geboorteviering bij besluit op 25 December vastgezet, doch ook dit is niet historisch natuurlijk. De werkelijke geboortedatum van den Heiland is onbekend, doch valt in elk geval in den zomer, toen de kudden in het veld waren en de stal leeg was.
Jozef was thuis te Bethlehem; hij had daar ongetwijfeld familie, hetgeen reeds blijkt uit zijn overkomst met het oog op de beschrijving. Plaats in de herberg was er evenwel voor hem niet. Daar was het reeds vol. In het vooruitzicht op de komst van de beschrijvingscommissie naar Bethlehem blijkt dus reeds geruimen tijd tevoren de toevloed der gegadigden naar Bethlehem begonnen te zijn; Jozef was in elk geval de eerste niet, alhoewel men zich natuurlijk een herberg als te Bethlehem, dat een klein plaatsje was, ook niet groot moet voorstellen. Jozef en Maria betrekken dus den stal. Was dit erg voor een vrouw in zulke omstandigheden? Waren de bewoners van Bethlehem, familie en kennissen van Jozef, die daar immers vandaan kwam, onmenschen, dat zij voor een vrouw in die positie, ook zelfs als ze niets wisten van de dingen die Jozef en Maria wisten, geen plaats inruimden ergens? Die menschen waren geen onmenschen. Zoo eenvoudig als Lucas de historie vertelt zoo eenvoudig was ze ook. In het Oosten met zijn geweldige hitte, was een verblijf in zulk een ruimte in den stal, al was het dan mogelijk iets minder mooi dan in de binnenvertrekken van de karavanserai, zoo kwaad nog niet. Het was zeer wel te doen, temeer daar men ook van de binnenvertrekken van zulk een herberg zich geen Europeesche hotelvoorstellingen moet maken en ook in de huizen te Bethlehem het alles in onze oogen zeer primitief toen was. Bovendien was Jozef een timmerman. Hij zou wel een zeer ontrouw echtgenoot en slecht vakman geweest zijn, indien hij waar zij geruimen tijd te Bethlehem bleven, niet een en ander als noodverblijf ineengetimmerd had, zoodat de geboorte rustig afgewacht kon worden. De Heiland is op reis in een noodverblijf geboren en dus in de vreemdelingschap en verre van paleizen of wat daar op lijkt in betrekkelijke armoede en in nederigen staat, doch men overdrijve de schoone werkelijkheid nu niet tot dat wat soms op plaatjes te zien is. Daarmee wordt het Kerstverhaal wel romantischer gemaakt, maar verwijdert zich hoe langer hoe verder van de werkelijkheid der Schrift.
Dat de kribbe voor wieg gebruikt wordt teekent op karakteristieke wijze de vreemdelingschap, waarin de Heiland ter wereld komt. Toch was deze houten kribbe, die daar in den ongebruikten stal aanwezig was, natuurlijk het aangewezen voorwerp om het kindeke in te leggen. Welk voorwerp zou er geschikter in de geheele karavanserai te vinden zijn geweest. Men legde het kindeke er in, in doeken gewonden. Sommige Nederlandsche moeders schudden bij het lezen dezer woorden meelijdend het hoofd en zeggen: het kindeke had niet eens kleertjes, alleen maar doeken. Deze moeders vergeten, dat de geboorte niet in Nederland heeft plaats gehad. In Nederland heeft een jonggeborene kleertjes. In het Oosten heeft een klein kindje dat niet. Ze zouden in de warme temperatuur daar ginds ook buitengewoon hinderlijk zijn. De vermelding bij Lucas dat de Heiland in doeken gewonden in de kribbe lag, wil voor wat de doeken betreft dan ook niet op een uitzonderingstoestand wijzen, doch integendeel op het gewone, nl. dat dat wonderbaar geboren kindeke, Gods eengeboren Zoon, eenvoudig gelijk ieder pas geboren kind daar ook in doeken gewonden in de kribbe lag.
Jozef en Maria behoorden tot den timmermansstand, alzoo kennelijk tot den kleinen burgerstand. Het is niet in den toestand van de „schrikkelijkste” armoede dat de Heiland geboren wordt; wie dat zegt overdrijft in wereldschen zin en laat een aardsche armoede op sentimenteele wijze den rol vervullen, van wat werkelijk armoede was, nl. de vleeschwording zelve. Anderzijds was natuurlijk de plaats der geboorte ook ver van een paleis. De Zoon van God heeft op aarde het brood gegeten van de werkmansstafel, in allen eenvoud. Als de wijzen uit het Oosten goud, wierook en myrrhe brengen, dan is onder het voorzienig bestel Gods dat goud ook een kostelijk hulpmiddel voer Jozef om de, reis naar Egypte te kunnen bekostigen.

A. (Apeldoorn) S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1943

De Wekker | 4 Pagina's

De stal

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1943

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken