Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het gemeenschappelijk zingen (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het gemeenschappelijk zingen (1)

6 minuten leestijd

Wie over dit onderwerp een dik boek wil .schrijven, behoeft niet lang naar stof te zoeken. Talrijk zijn de bronnen voor dit onderwerp. Wij herinneren gaarne aan het „Rapport inzake herziening der liturgie en het vraagstuk van het kerkgezang”, voor de synode der Ger. Kerken (1930) en aan wat de acta dier synode daar over zeggen. Genoemd rapport geeft ook een breed historisch overzicht. Daaruit blijkt onder meer, dat de oude kerk de Psalmen zong en enkele berijmde doxologiën en lofzangen uit de Heilige Schrift. In betrekking tot het zingen van gezangen herinneren wij aan ons geschrift: „De Menschelijke Gezangen”. De berijming der Psalmen bespreken wij hier ook niet. Veel is er over geschreven en het laatste woord is er nog niet over gezegd. Wij gelooven, dat zeer vele Psalmen veel beter berijmd kunnen en moeten worden. Ook staat het voor ons nog altijd vast, dat wij bij de berijming gebruik mogen en moeten maken van de exege, welke de Heilige Geest van de Psalmen geeft in het Nieuwe Testament. De Kerk heeft in. betrekking tot de berijming der Psalmen een dure roeping en haar wacht in dit opzicht nog ontzaglijk veel werk. Zeer nauwkeurige exegese van de Psalmen is noodig, wil men goed kunnen berijmen. En wij zijn dankbaar, dat er zooveel exegetisch werk in betrekking tot de heerlijke Psalmen verricht wordt. Maar daarna hebben wij dichters noodig, die leven bij de Schrift en vol des geloofs en des Geestes zijn. Laat er ook voor deze zaak meer gebed zijn. De Heere heeft de schatten niet geschonken om die ongebruikt te laten.
Wij bespreken ook de zangwijzen niet. Hoe moet gezongen worden en door wie? “Van de drie hoofdsoorten des gezangs, het recitatieve of liturgische, dat het midden houdt tusschen zeggen en zingen, het harmonische of koraalgezang, waarin het koor een antwoord gaf op, of een voortzetting was van het door den prediker aangeheven lied, en het melodische, het gemeente- of volksgezang, heeft de Hervorming het laatste voor haar evangelische beweging gekozen”. (Kruyf, 88). Mooi is de formuleering der zaken niet, maar waar is, dat de Hervorming koos voor het zingen door de gemeente. Juist zagen de reformatoren, dat het gemeentegezang een actus populi (handeling van het volk) is, en dat moet het blijven. Het zingen door de gemeente is een actief deelnemen aan den eeredienst. Calvijn en Farel hebben zoo spoedig als mogelijk was de Psalmen Davids in het Huis des Heeren doen aanheffen. In 1598 werd pas te Zürich het gemeentezang ingevoerd. De groote hervormer Calvijn ijverde voor goed en eerbiedig zingen, maar verstond zeer wel, dat ook dit alleen kon door den Heiligen Geest. Zonder de werking des Geestes wordt het mooie zingen een ijveren voor de eer van den mensch. Het Convent van Wezel (1568) verstond ook zeer goed, dat goed zingen eisch is in den eeredienst. Het volmaakte wordt niet bereikt, maar jagen naar het heilige wit werd in dit opzicht nog maar weinig gevonden. Geen wonder, dat vele klachten geboekt zijn. In vele gemeenten wordt nog steeds zeer slecht gezongen. Vaak weet men ook geen maat te houden. Soms wordt wel te vlug gezongen, maar velen zingen veel te langzaam. Men weet geen onderscheid te maken tusschen een gebed en een lofzang. Men denkt soms een zekere graad van vroomheid te behalen als men zeer langzaam zingt en anderen meenen Gode te behagen door te jagen naar het einde. Er moet eerbiedig gezongen worden. Organist en gemeente moeten rekening houden met den inhoud van den psalm. Dan behoeft er ook geen strijd te ontbranden over het te vlug of te langzaam zingen.
Hoe kunnen wij komen tot een beter zingen van de Psalmen en Lofzangen? De liturgen moeten niet doen als wijlen Ds. H.J. Budding, die zijn gemeente soms drie- of viermaal het vers liet overzingen. „Overdoen”, riep hij dan en voegde er aan toe: „als wij niet goed kunnen zingen, kunnen we ook niet preeken”. Dergelijke dwaasheden moeten achterwege blijven. Ook moet de predikant niet van den kansel gaan schoolmeesteren over het zingen. Laat de cathegeet dit onderwerp maar eens ter sprake brengen, als hij zijn catechisanten over de liturgie onderwijst. En op gemeentevergaderingen kan deze zaak prachtig worden behandeld. Verder kan deze belangrijke stof in de kerkbladen worden besproken. In een van onze gemeenten bestond vroeger een vereeniging, die zich beijverde om de Psalmen Davids goed te leeren zingen. Zonder orgel werd daar uitstekend gezongen. Het wordt wel tijd, dat de gemeente er van doordrongen wordt, dat goed zingen de zaak des Heeren raakt en geen liefhebberij is van enkele zanglustigen.
Staande zingen moet een uitzondering blijven. Bij bijzondere gelegenheden zal de gemeente spontaan opstaan om te zingen. Soms is een opwekking noodig. Maar zou het staande zingen regel worden, dan is dit weer gewoonte en is geen variatie. Daarom achten wij het beter het staande zingen te laten geschieden bij bijzondere gelegenheden; b.v. wanneer een bijzondere lofzang aan het einde van den dienst er toe dringt; als op den oudejaarsavond de gemeente zich in schuldbelijdenis, gebed en dankzegging in den slotzang voor God uitspreekt; als een kerkgebouw voor goed gesloten wordt en de laatste dankpsalm wordt aangeheven; als de Bijbel in een nieuw kerkgebouw wordt geopend; als bij bejaardendoop de gedoopte wordt toegezongen; verder bij huwelijksbevestiging en andere bijzondere gelegenheden. Maar hier spreekt het gevoel van den liturg een woordje mee. Vaste wetten zijn hier niet te geven en men moet ook alles niet willen voorschrijven. Alleen wachte de liturg zich voor nieuwigheden en wake tegen alles, wat met het gereformeerde karakter der liturgie in strijd is. Wij hebben gemeentegezang en men moet dus nooit, ook niet op verkapte wijze, een koorgezang willen invoeren.
De dienaar des Woords kieze de verzen met de grootste zorg. Veel te weinig wordt uit heel het Psalmboek gezongen. Tal van heerlijke verzen kent de gemeente niet en vele dienaren des Woords schijnen ze ook niet te kunnen vinden. De dienaren moeten hun Psalmboek lezen en de mooie verzen aanteekenen om ze te kunnen gebruiken, als ze bij de preek passen. Natuurlijk kan hij een dankbaar gebruik maken van een Concordantie, maar wat hij zelf vindt als vrucht van biddend studeeren, is nieuw. Soms passen deelen van verschillende verzen zeer goed bij elkaar. Maar hij zorge vooral, dat de te zingen verzen goed bij de preek passen. Vaak wordt veel te weinig zorg aan dit gedeelte van de liturgie besteed. Het is geen wonder, dat menigeen in de gemeente dan zegt: De verzen, die gezongen moesten worden pasten heel niet bij de preek. Dat op de feestdagen en bij bijzondere gelegenheden met ernst moet gezocht worden naar de meest passende Psalmen en Lofzangen, spreekt van zelf. De gemeente zal meer spontaan meezingen, als de verzen goed gekozen zijn. Ook bij het kiezen der verzen gaat het om het recht dienen en eeren van den Heere. Niemand vergete dit. Het gaat om het zingen in de samenkomst van den Heere met Zijne gemeente.
L.H. van der Meiden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1944

De Wekker | 4 Pagina's

Het gemeenschappelijk zingen (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1944

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken