Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Tweeërlei heiligheid in Christus 2

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Tweeërlei heiligheid in Christus 2

6 minuten leestijd

De God des verbonds noemt alle bondelingen Zijn kinderen, maar in tweeërlei zin, omdat er tweeërlei heiligheid in Christus is.
Dit is het fijne puntje, waar het tegenwoordig om gaat in de Gereformeerde verbondsleer. De Gereformeerde Kerken aanvaarden niet deze tweeërlei heiligheid in Christus en willen mitsdien ook niet van tweeërlei bondelingen weten.
Dat er ook een objectieve verbondsrelatie van heiligheid in Christus is, gelijk steeds onze Gereformeerde vaderen met Calvijn geleerd hebben, willen de Gereformeerde kerken niet als haar belijdenis uitspreken.
De Gereformeerde Kerken meenen en leeren, dat wij van heiligheid in Christus slechts in subjectief geestelijken zin kunnen spreken en daarom hebben te veronderstellen, of het er voor te houden, dat ons zaad wedergeboren is.
Daarop is heel haar verbondsleer gebaseerd. Naar dit systeem moet heel het kerkelijk leven, de bediening des Woords en der sacramenten, de opvoeding in gezin en school, de catechese en de belijdenis des geloofs ingericht worden. Deze leer werd vóór 1892 door Dr. Kuyper gepropageerd maar was toen veelszins nog een particulier gevoelen. Dit kan thans niet meer gezegd en wat voorheen op rekening van Dr. Kuyper kon geschreven worden, is heden leer der Gereformeelde kerken, zoo zelfs, dat geen Candidaat in de theologie tot de bediening des Woords en der sacramenten mag worden toegelaten, die deze leer niet als de gereformeerde verbondsleer aanvaardt.
Dr. Kuyper schreef in 1890: „onze kerken doopen niet, als konden zij door den doop iemand wederbaren, maar in de onderstelling, dat de doopeling wedergeboren is. Waar men dat niet onderstelt, mag niet gedoopt worden. Elke doopeling, ook het kleinste kind, wordt dus niet gedoopt om hem daardoor eerst in het Lichaam van Christus in te lijven, maar als zijnde een lidmaat van Christus, d.w.z. als zijnde een lid van zijn mystiek-geestelijk lichaam”.
Wie voorheen op zulk een passage zich beriep kreeg in den regel te hooren, ,,dat leerde Dr. Kuyper, maar dat leeren de Gereformeerde Kerken niet”.
Wie dit thans als uitvlucht zou stellen kent de historie niet, en weet niets van den gang der zaken uit den laatsten tijd.
Dit mystiek geestelijk karakter, waarvan Dr. Kuyper hier spreekt bij den doop en bij het verbond der genade, wordt thans zoo sterk onderstreept, dat alleen deze geestelijke realiteit waarde heeft voor de Gereformeerde Kerken.
Heiligheid in Christus is altijd subjectief geestelijk te verstaan en wie het anders wil leeren wordt als ongereformeerd afgewezen en behoort in den kring der Gereformeerde Kerken niet thuis.
Deze subjectieve inslag bij het genadeverbond is het gevolg van de leer, dat dit verbond opgericht is met Christus en in Hem met alle uitverkorenen. Deelgenoten van het genadeverbond zijn alleen de uitverkorenen. Verbond en uitverkiezing zijn quantitatief identiek, d.w.z. het getal der bondelingen is gelijk aan het getal der uitverkorenen.
Wij gaan verder op deze leer der uitverkiezing niet in, omdat de doelstelling dezer artikelen een andere is, maar wel kunnen wij zeggen, dat tot heden toe bij alle onderzoek der Heilige Schrift ons nog steeds is ontgaan de Schriftuurlijke basis voor zulk een bespiegelende en spitsvondige leer des verbonds.
Wel moeten wij hierop wijzen, omdat uit deze mystieke fase des verbonds alle andere lijnen getrokken worden. In deze mystieke fase kan niet gesproken worden van tweeërlei heiligheid in Christus. Hier geldt het Schriftwoord „wie in Christus is, is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden”.
Dat zulk een tekst veel te oppervlakkig wordt, aangehaald en een bewijs levert, dat wij met teksten aan te halen in de leer des verbonds niet klaar zijn, zal een opmerkzame Schriftonderzoeker zeker niet ontgaan. De Schrift bedoelt hier niet de bondeling, zonder meer, maar den volwassen geloovige, die belijdenis deed en uitsorak, dat hij een levend lidmaat is, en eeuwig zal blijven. Het heeft geen recht van bestaan om van den volwassen belijder zonder meer op de kinderen des verbonds te besluiten. (Zie Bavinck, „Roeping en wedergeboorte”, blz. 157). Wij hebben wel geen twee verbonden, maar wij hebben nog wel twee doopsformulieren: één voor volwassenen, en één voor de kinderen en al is de grond voor den doop der volwassenen geen andere, dan die voor de kinderen, de verhouding van den volwassene tegenover het verbond en den God des verbonds is toch zeker wel een andere. Deze volwassene heeft het tweede deel des verbonds aanvaard, hetgeen bij de kinderkens toch niet kan gezegd. Het verbond en de volwassene ondersteld de subjectieve houding, maar het verbond en het kindeke stelt de objectieve schenking, die in subjectieve deelachtigmaking uit den Heiligen Geest het persoonlijk eigen van elke bondeling zal moeten worden.
Hierom aanvaarden wij de redeneering niet, die de Gereformeerde Kerken als uitgangspunt voor haar leer van heiligheid in Christus stellen, dat: wat van de volwassenen geldt, ook van het kindeke moet aanvaard worden.
Gelijk de volwassen leden der kerk in de Heilige Schrift genoemd worden „geroepen heiligen” (Rom. 1 : 7, 1 Cor. 1 : 2) „geheiligden in Christus Jezus” (1 Cor. 1 : 2. Phil. 1 : 1 ) ,.geloovigen in Christus Jezus” (Ef. 1 : 1 ) „heilige en geloovige broederen in Christus (Col. 1 : 2) ,,uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader” (1 Petr. 1 : 2) zoo ook geldt dit van het zaad des verbonds.
Wisten die apostelen van elk van de leden der gemeente hoofd voor hoofd, dat zij inderdaad geloovigen waren, in Christus geheiligd, door den Vader uitverkoren? Er is niemand, die dat ook maar één oogenblik kan aannemen. Zij beschouwden hen als zoodanig, hielden hen daarvoor, geloofden naar den aard der liefde, dat zij het waren, ja veronderstelden het van hen. Welnu precies zoo en niet anders staan wij tegenover het zaad der geloovigen.
Dat in deze redeneering een sprong is, zal ieder gevoelen, die het onderscheid in het oog houdt tusschen de openbare belijdenis des geloofs van den Christus, waarin men uitspreekt, gelijk het ten tijde der apostelen steeds was, dat men een levend lid van Christus’ kerk was en eeuwig zal blijven, en het kindeke, of het zaad der verbonds, waarbij van een dergelijke belijdenis geen sprake is, en waarbij het oordeel der liefde de verbondsleer niet mag beheerschen. Op dit beheerschen leg ik den nadruk, want bij het zaad des verbonds gaat om het uitgangspunt en de basis voor de leer van het genadeverbond, en dat is nooit het oordeel der liefde, maar de heerlijke werkelijkheid, van wat God in Christus belooft. Juist daardoor ontstaat er in het verbond der genade tweeërlei heiligheid in Christus, een onderscheiding, waarop al onze Gereformeerde vaderen steeds den nadruk hebben gelegd.
Maar nu is er een citaat, waarop is gewezen door denzelfden schrijver, die thans in de Heraut zulk een geweldige cannonade aan het opstellen is. Het is het citaat van één der Gereformeerde Gemeenten te Londen.
J.J. van der Schuit

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1944

De Wekker | 4 Pagina's

Tweeërlei heiligheid in Christus 2

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1944

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken