Bekijk het origineel

Bioscoopbezoek (I)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Bioscoopbezoek (I)

4 minuten leestijd

Onder de verschijnselen van verval heb ik ook genoemd het geregeld bioscoopbezoek van jongens en meisjes uit christelijke gezinnen. Hoe groot het percentage vaste klanten uit onze kringen is, laat zich natuurlijk niet vaststellen, maar toen ik onlangs iemand van de jongeren uit een onzer stadsgemeenten er naar vroeg, kreeg ik ten antwoord, dat in die gemeente ongeveer de helft van de rijpere jeugd in de bioscoop kwam.
Dat is de nuchtere, ontstellende werkelijkheid. Ik hoop — dit tusschen twee haakjes — dat ook de ouders en ouderen en kerkeraden en jeugdleiders dit lezen en zich afvragen, of we met een uur catechisatie per week onze roeping tegenover de jeugd hebben volbracht!
Maar ik schrijf voor de jongeren zelf. Laat ik voorop stellen, dat je nu eens niet moet beginnen met de vraag: wat steekt daar nu eigenlijk in? Ik heb vroeger al eens aangewezen, dat die vraag uit een verkeerde hoek komt. Christen-zijn is nog wat anders dan de naleving van een stel voorschriften, waarbij dit wel en dat niet mag! Dat is puur Joodsch. Door en door wettisch. Maar ook zit achter dergelijk vragen de gedachte: wij, oer-conservatieven, mogen ook nooit eens wat! Je herinnert je misschien nog wel, dat ik dit beweren indertijd vergeleken heb met de insinuatie van de duivelsche slang in het Paradijs, die ook hierop neerkwam: jullie, Adam en Eva, mogen ook niets …… Maar, ik weid daar nu niet opnieuw over uit. De herinnering eraan moge voldoende zijn en als je over deze dingen nog wat op je hart hebt, laat mij het maar eens weten.
Ik ben niet van plan, in dit artikel het al of niet geoorloofde van bioscoopbezoek als een open kwestie te behandelen, waar we eens heel genoegelijk met elkaar over gaan praten. Neen, ik wil waarschuwen en tot bezinning roepen. Ik ga er van uit, dat het over groote deel van onze bioscoop-bezoekende jongeren best weet, dat ze daarmee op een verkeerde, op de breede weg zijn. En — vooral in het begin heb je je daar ook heelemaal niet op je gemak gevoeld. Als het anders was — des te erger!
Hoe komt het, dat je eigenlijk zelf wel voelt: ik hoor daar niet? Dat is vrucht van je opvoeding, zul je zeggen. Dat is ook zoo. En gelukkig maar. Toch houd dit nog iets meer in, dan de gedachte: ik mag van thuis eigenlijk niet. (Je doet het natuurlijk stiekum en leidt zoo noodig vader en moeder om den tuin, maar besef dan toch, dat je daarmee zonde op zonde stapelt!) Maar behalve het niet-mogen-van-thuis, voel je daar in die filmzaal maar al te goed: ik ben hier geheel en al op het terrein der wereld, Nee, ik zal niet beweren, dat de film op zichzelf niet zou behooren tot de goede gaven, die God in de schepping gelegd heeft. Maar je weet evengoed als ik, dat de beste gaven der cultuur aanstonds geëxploiteerd worden door de kinderen dezer wereld, onder de verderfelijke leiding van den „overste dezer wereld”, d.i. den duivel. Dáár zit het groote gevaar: je begeeft je, geestelijk weerloos, op het terrein, waar de „menschenmoorder van den beginne„ zijn slachtoffers maakt.
Het begon misschien met een Cineac. En meer dan bij de gewone bioscoop scheen hier de vraag gewettigd: wat steekt daar nu in? Slechts een bijzondere vorm van nieuwsberichten! Maar — om het wat aantrekkelijker te maken, moest er al gauw een teekenfilmpje bij komen. Op zichzelf niet gevaarlijk. Goed, ik wil het toestemmen. Maar dan toch ook zonder eenig nut. Zonder zin, zinloos en dikwijls onzinnig! Moeten we ons daar dan mee laten zoet houden? Je kon evengoed voorstellen, om op je vereeniging iedere week een gedeelte uit een sprookjesboek te gaan voorlezen, zooiets als Hans en Grietje. Wat zou je beleedigd zijn!
En toch? Iets van de spanning, van het romantische van het sprookje bekoort ook de grooteren wel. Vandaar dat de groote-menschen-sprookjes bij duizenden worden gedrukt en gelezen. En, juist omdat die teekenfilmpjes en andere bijfilms in de Cineac tenslotte te simpel zijn, zijn ze net geschikt om de menschen te doen verlangen naar hetzelfde, maar dan wat pikanter. Er is dan ook maar één schrede van de Cineac naar de bioscoop. Men heeft de smaak nu eenmaal beet. En je wilt toch ook wel eens een „echte” film zien. Ik zal het je wel voorzeggen: zoo’n mooie natuurfilm („wat is daar nu tegen?”) of een leerzame cultuurfilm („waarom zou dat niet mogen?”) of, nu, in dezen tijd, een oorlogsfilm („daar gaat toch iedereen naar toe?”).
Ik zal mij heusch niet uitsloven, om te trachten het zondige b.v. van een natuurfilm te bewijzen. Ik zie je al je hoofd schudden over zoo’n hopeloos conservatieve dominee. Laat ik je liever eens wat vragen, op den man af.

O.B. (Oud Beierland) M.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

Bioscoopbezoek (I)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 november 1945

De Wekker | 4 Pagina's

PDF Bekijken